Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4292

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_6731
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6731 WIB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

[Eiser] , te [Plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. A. Kurt-Geçoğlu,

en

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 november 2019 (bestreden besluit) van de minister inzake de terugvordering van een aan hem verstrekte lening op grond van de Wet inburgering.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Zowel eiser als de minister hebben aan de rechtbank bericht niet aanwezig te zullen zijn bij de op 25 augustus 2020 geplande zitting.

Overwegingen

1. Feiten

In een brief van 21 februari 2014 is eiser medegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is en dat hij voor 28 januari 2017 moet voldoen aan de inburgeringsplicht.

Eiser heeft een lening aangevraagd bij de minister voor een inburgeringscursus. Op

16 juni 2014 heeft eiser een lening gekregen.

In een besluit van 11 mei 2017 heeft de minister eiser een boete van € 1.250,- opgelegd wegens het niet op tijd voldoen aan de inburgeringsplicht. Tevens is bepaald dat eiser het geleende geld aan de minister moet terugbetalen wanneer hij klaar is met inburgeren.

Eiser heeft bij brief van 19 juni 2017 bezwaar gemaakt tegen de bij dit besluit opgelegde boete. Eiser heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hij zich door zijn persoonlijke omstandigheden niet heeft kunnen concentreren op zijn inburgering.

De minister heeft bij besluit van 3 november 2017 de bezwaren van eiser tegen het besluit van 11 mei 2017 gedeeltelijk gegrond verklaard. De minister heeft daarbij aangegeven dat eiser tot 27 maart 2017 door had moeten geven dat hij concentratieproblemen had. Dan kon zijn situatie worden beoordeeld door de medisch adviseur. Het is eiser te verwijten dat hij niet op tijd is ingeburgerd. Evenmin is gebleken van andere feiten en omstandigheden op grond waarvan hem geen verwijt kan worden gemaakt. Gebleken is dat eiser 639 uren inburgeringscursus heeft gevolgd. Daarom wordt de boete verlaagd naar € 250,-.

Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiser geen beroep ingesteld.

Op 9 april 2018 heeft de minister eiser medegedeeld dat hij alle examenonderdelen van het inburgeringsexamen heeft gehaald en dat hij een inburgeringsdiploma krijgt.

De minister heeft bij brief van 18 mei 2018 medegedeeld dat eiser zijn lening moet terugbetalen. Het betreft op 1 november 2018 een schuld van € 8.461,44. Het terugbetalingsbedrag per maand bedraagt € 70,51.

Eiser heeft bij brieven van 30 mei 2018 en 6 juli 2018 bezwaar gemaakt tegen de brief van 18 mei 2018. Eiser kan zich niet verenigen met de reden van terugbetaling, inhoudende dat hij niet binnen de inburgeringstermijn van 3 jaar is ingeburgerd. Volgens eiser is bij de beoordeling van zijn bezwaar van 3 november 2017 ten onrechte over het hoofd gezien dat de inburgeringstermijn verlengd moest worden.

In een besluit van 13 juli 2018 zijn de bezwaren van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat reeds bij besluit van 11 mei 2017 is beslist dat eiser zijn lening moet terugbetalen omdat hij niet op tijd is ingeburgerd.

In een besluit van 13 juli 2018 heeft de minister medegedeeld dat de brief van 6 juli 2018 tevens is opgevat als een verzoek om kwijtschelding. De minister heeft het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

Eiser heeft bij brieven van 24 augustus 2018 en 27 september 2018 bezwaar gemaakt tegen laatstgenoemd besluit van 13 juli 2018. Eiser is van mening dat er in zijn persoonlijke situatie voldoende redenen zijn om af te zien van het gebruiken van de bevoegdheid de inburgeringscursus terug te vorderen.

In het besluit van 11 oktober 2018 zijn de bezwaren van eiser tegen het besluit van

13 juli 2018 kennelijk ongegrond verklaard. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor kwijtschelding en dat de wet geen hardheidsclausule bevat.

Eiser heeft beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen de besluiten van 13 juli 2018 (BRE 18/5795) en 11 oktober 2018 (BRE 18/8035).

In een uitspraak van 10 september 2019 heeft de rechtbank de beroepen van eiser gegrond verklaard, voormelde besluiten vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften van eiser, met inachtneming van de uitspraak.

In het bestreden besluit heeft de minister de bezwaarschriften van eiser ongegrond verklaard. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen recht heeft op verlenging van de inburgeringstermijn of kwijtschelding van de lening, zodat hij de lening moet terugbetalen.

2. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser de lening moet terugbetalen, omdat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven om de inburgeringstermijn te verlengen en eiser niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van de lening.

3. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

4. Verlenging inburgeringstermijn

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de inburgeringstermijn van eiser liep van

29 januari 2014 tot en met 25 februari 2017. Vast staat dat eiser op 21 februari 2018 voor het laatste onderdeel van het inburgeringsexamen is geslaagd. Dit is dus niet binnen de gestelde termijn.

4.2

Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister gelet op zijn persoonlijke omstandigheden ten onrechte heeft geoordeeld dat de inburgeringstermijn niet (met terugwerkende kracht) verlengd kan worden.

Eiser heeft – samengevat – aangevoerd dat hij trauma’s heeft overgehouden aan zijn vlucht uit Eritrea, dat hij en zijn vrouw onafhankelijk van elkaar de Middellandse zee zijn overgestoken en dat hij lange tijd niet wist of zijn vrouw in leven was, dat hij haar uiteindelijk heeft gevonden in Italië en dat zijn vrouw toen zwanger raakte maar geen verblijfsvergunning in Nederland kon krijgen omdat zij al in Italië was geregistreerd. Eiser stelt dat hij zich door deze omstandigheden niet heeft kunnen concentreren op zijn inburgering.

4.3

De minister heeft aangevoerd dat eiser niet voldoet aan de in artikel 2.4c, eerste lid, van de Regeling inburgering gestelde voorwaarde dat hij ten minste twee maal deelgenomen moet hebben aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen. Volgens de minister is ten aanzien van het onderdeel spreekvaardigheid sprake van slechts één deelname binnen de inburgeringstermijn en ten aanzien van het onderdeel leesvaardigheid is er geen sprake van deelname aan het inburgeringsexamen binnen de inburgeringstermijn.

Eiser heeft dit niet weersproken. Dat betekent dat vast staat dat eiser niet voldoet aan de vereisten die in artikel 2.4c, eerste lid, van de Regeling inburgering worden gesteld aan verlening van de inburgeringtermijn. De persoonlijke omstandigheden van eiser en de omstandigheid dat hij een bovengemiddeld aantal uren inburgeringslessen heeft gevolgd, maken dat niet anders.

4.4

De minister heeft aangevoerd dat verlenging van de inburgeringstermijn ook mogelijk is als de inburgeringsplichtige vanwege ziekte meer tijd nodig heeft om in te burgeren. Hiervoor is op grond van de toepasselijke “Beleidsregel verlenging inburgeringstermijn bij geen verwijt” (de beleidsregel) vereist dat de inburgeringsplichtige ten minste drie maanden aaneengesloten geen onderwijs heeft kunnen volgen. Hoewel de rechtbank het voorstelbaar vindt dat de door eiser geschetste persoonlijke omstandigheden door eiser als stressvol zijn ervaren, is niet gebleken dat eiser ten gevolge hiervan ten minste drie aaneengesloten maanden niet in staat was om onderwijs te volgen. Eiser heeft geen (medische) stukken overgelegd waaruit dit blijkt.

4.5

Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geven om de inburgeringstermijn te verlengen. Derhalve staat vast dat eiser niet binnen de inburgeringstermijn is ingeburgerd en dient hij zijn lening (in beginsel) terug te betalen.

5. Kwijtschelding lening

5.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat er gelet op zijn voormelde persoonlijke omstandigheden voldoende redenen zijn om de lening kwijt te schelden.

5.2

De minister heeft aangevoerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden die in de artikelen 4.13 van het Besluit inburgering en 4.17 van de Regeling inburgering aan kwijtschelding worden gesteld. Er moet sprake zijn van het niet meer hebben van een verblijfsrecht én van intrekking van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 29 Vreemdelingenwet. Bij een asielmigrant kan ambtshalve tot kwijtschelding van de lening worden overgegaan als binnen de gestelde termijn wordt voldaan aan de inburgeringsplicht. Vast staat dat eiser niet aan die voorwaarde voldoet.

5.3

De rechtbank overweegt dat deze regelgeving dwingend is voorgeschreven en dat in de wet geen hardheidsclausule is opgenomen die het mogelijk maakt om in bijzondere omstandigheden een uitzondering te maken op de wettelijke bepalingen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiser gelet op zijn persoonlijke omstandigheden moeilijk was om zich op zijn inburgering te concentreren, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van de lening.

6. Conclusie

6.1

Het beroep is ongegrond.

6.2

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 8 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE – wettelijk kader

Wet inburgering:

Artikel 7 van de Wet inburgering bepaalt, voor zover hier van belang:

1. De inburgeringsplichtige behaalt:

a. het inburgeringsexamen, of

b. een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c.

2. Het inburgeringsexamen bestaat uit de volgende onderdelen:

a. het participatieverklaringstraject;

b. de examinering van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, en

c. de examinering van de kennis van de Nederlandse samenleving.

Artikel 7a van de Wet inburgering bepaalt, voor zover hier van belang:

1. De inburgeringsplichtige rondt binnen één jaar het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, af.

(..)

3. Onze Minister verlengt de termijn van één jaar, genoemd in het eerste lid, indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig afronden van het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a.

Artikel 7b van de Wet inburgering bepaalt, voor zover hier van belang:

1. De inburgeringsplichtige behaalt binnen drie jaar de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c.

(..)

3. Onze Minister verlengt de termijn van drie jaar, genoemd in het eerste lid:

a. indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig behalen van deze onderdelen van het inburgeringsexamen, (..)

Artikel 8 van de Wet inburgering bepaalt, voor zover hier van belang:

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

a. de verdere verlenging van de termijnen, bedoeld in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, en de toepassing van de artikelen 7a, derde lid, en 7b, derde lid;

Artikel 16 van de Wet inburgering bepaalt, voor zover hier van belang:

1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een lening aan de inburgeringsplichtige indien is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels omtrent de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de lening wordt verstrekt en omtrent het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot het inburgeringsexamen, of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c. Aanspraak op een lening bestaat niet of niet langer voor de inburgeringsplichtige die na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 7a, eerste, lid, of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, of bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn de participatieverklaring niet heeft ondertekend.

(..)

3. De inburgeringsplichtige of gewezen inburgeringsplichtige betaalt de lening vermeerderd met de volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels berekende rente terug.

4. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld omtrent:

(..)

c. kwijtschelding.

Besluit inburgering

Artikel 4.13 van het Besluit inburgering bepaalt, voor zover hier van belang:

1. De schuld kan op verzoek van de inburgeringsplichtige door Onze Minister in bij regeling van Onze Minister aan te wijzen gevallen geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden.

(..)

3. Aan vreemdelingen als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, die op of na 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden, wordt volledige kwijtschelding van de schuld ambtshalve verleend indien:

a. het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is afgerond en de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, zijn behaald;

(..)

4. De kwijtschelding, bedoeld in het derde lid, wordt slechts verleend indien de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a, b of c, zich heeft voorgedaan binnen de termijn, genoemd in artikel 7a, eerste lid, van de wet respectievelijk de termijn, genoemd in artikel 7b, eerste lid, van de wet of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, van de wet respectievelijk artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet verlengde termijn.

Regeling inburgering

Artikel 2.4c van de Regeling inburgering bepaalt, voor zover hier van belang:

1. De Minister verleent verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn op grond van artikel 7b, derde lid, onderdeel a, van de wet in ieder geval indien de inburgeringsplichtige ten minste 300 uur heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus of een cursus Nederlands als tweede taal bij een cursusinstelling met het Blik op Werk keurmerk en ten minste twee maal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal.

Artikel 4.17 van de Regeling inburgering bepaalt, voor zover hier van belang:

1. De minister kan de achterstallige termijnen alsmede het resterende verschuldigde bedrag van de debiteur die direct voorafgaande aan de beëindiging van de inburgeringsplicht houder is geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, op verzoek geheel kwijtschelden, indien:

a. uit de gegevens in de basisregistratie personen blijkt dat de debiteur geen verblijfsrecht meer heeft, en

b. de Immigratie- en Naturalisatiedienst kan bevestigen dat de debiteur niet langer inburgeringsplichtig is omdat de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000, is ingetrokken aangezien de grond voor verlening daarvan is komen te vervallen.

Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt

Artikel 1 van de beleidsregel bepaalt:

De inburgeringsplichtige heeft aannemelijk gemaakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig afronden van het participatieverklaringstraject of het niet tijdig afronden van de overige onderdelen van het inburgeringsexamen, als bedoeld in artikel 7a, derde lid, en 7b, derde lid, onderdeel a, van de Wet inburgering, indien een of meer van de in deze beleidsregel beschreven omstandigheden zich voordoen.

Artikel 2 van de beleidsregel bepaalt, voor zover hier van belang:

Bij langdurige ziekte van de inburgeringsplichtige, zijn partner of gezinslid in de eerste graad van ten minste drie aaneengesloten maanden wordt de termijn van het participatieverklaringstraject of de termijn voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen verlengd met een periode die gelijk is aan de duur van die ziekteperiode.