Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4287

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
02-220912-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

noodweer, culpa in causa

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/220912-19 en 02/700179-15 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer van 10 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsman mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2020, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

[slachtoffer] in zijn linkerzij heeft gestoken met een mes, wat is ten laste gelegd als poging doodslag, poging tot zware mishandeling en zware mishandeling.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Door met een groot mes ongecontroleerd te steken in de flank van een persoon neem je bewust het risico dat de persoon door die steken komt te overlijden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de verklaringen van aangever en zijn vrienden onvoldoende betrouwbaar zijn om te kunnen bepalen wat is voorgevallen. Hun verklaringen wijken af van de verklaringen van de onafhankelijke anonieme getuige, terwijl de verklaring van verdachte juist aansluit bij de verklaring van die anonieme getuige. Dat maakt de verklaring van verdachte geloofwaardig, zodat van die verklaring uitgegaan moet worden.

Met betrekking tot het tenlastegelegde feit is aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat door het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Verder bevat de medische informatie aanwijzingen dat sprake is van snijverwondingen en niet van steekverwondingen. In geval van snijden is er geen aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

- De betrouwbaarheid van de verklaringen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van verdachte enerzijds en de verklaringen van aangever en zijn vrienden anderzijds over de gang van zaken in de nacht van 27 op 28 augustus 2019 niet overeenstemmen.

Verdachte heeft na zijn aanhouding op 13 september 2019 bij de politie een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij die avond naar de woning van getuige [getuige 1] is gegaan omdat hij nog geld van hem kreeg. Verdachte zag [getuige 1] buiten de woning. [getuige 1] wilde niet betalen en pakte een schep. Een andere man pakte een voorwerp. Samen liepen ze op verdachte af. Verdachte deed zijn hand in zijn tas, waar hij een mes in had. Hij heeft het mes gepakt en getoond omdat hij bang was. De andere man gooide toen twee keer een voorwerp naar verdachte. Nadat verdachte kort met getuige [getuige 2] had gepraat kwamen [getuige 1] en aangever op verdachte af gerend en vielen hem aan. Verdachte werd geslagen met de schep en geschopt. Verdachte kwam ten val en aangever viel op hem. Verdachte gaat ervan uit dat aangever op het mes is gevallen dat hij nog steeds vast had. Toen verdachte kon is hij gevlucht.

Ter terechtzitting van 27 augustus 2019 heeft hij een gelijkluidende verklaring afgelegd.

Aangever en zijn vrienden hebben op 30 augustus 2019 een verklaring afgelegd. Zij hebben kortgezegd verklaard dat verdachte naar de woning van [getuige 1] is gekomen en dat aan verdachte kenbaar is gemaakt dat hij niet welkom was. Toch kwam verdachte steeds terug. Op enig moment zijn [getuige 1] en verdachte in gevecht geraakt. Er wordt wisselend verklaard over wie het gevecht begon en op welk moment [getuige 1] de schep heeft gepakt. Aangever heeft zich volgens de verklaringen vervolgens bij het gevecht gevoegd. Gedurende dit gevecht had verdachte een mes vast. Niemand heeft gezien dat aangever gestoken werd. Kort na de vechtpartij merkte aangever dat hij gestoken was.

Naast de verklaringen van verdachte, aangever en de vrienden van aangever bevat het dossier ook een verklaring van een anonieme getuige.

Deze getuige heeft op 28 augustus 2019 verklaard die nacht te hebben gezien dat op de kruising van de Margrietenlaan en de Irislaan een groepje van ongeveer vijf mannen tegenover een lange man met een donkere jas stond. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de lange man met de donkere jas is.

Volgens de anonieme getuige schreeuwden het groepje en de lange man naar elkaar en één man uit het groepje wilde de lange man pakken.

Gelet op de omschrijving van de kleding en het haar van deze man door de anonieme getuige en de omschrijving van de kleding en het haar door getuige [getuige 2] van aangever, is het aannemelijk dat deze man aangever was.

Er werden volgens de anonieme getuige twee stenen gegooid in de richting van de lange man die alleen stond. Tussen de lange man en het groepje mannen werd gesproken over geld. Het groepje mannen liep vervolgens in de richting van een woning en de lange man liep de Irislaan in nadat hij boos een gebaar op straat had gemaakt met zijn voeten. Het was even stil en toen hoorde de getuige weer geschreeuw. De getuige zag toen veel mannen in een soort groep die op een persoon afliepen, alsof ze hem wilden insluiten. De getuige zag een wapen bij één van de mannen uit de groep, een lange houten stok. Er lag een persoon op de grond die met de stok werd geslagen. De getuige heeft toen 112 gebeld. Gedurende dat gesprek werd nog steeds geslagen. De anonieme getuige zag even later dat de ambulancebroeder naar een andere persoon ging dan de persoon die met de stok werd geslagen. Er waren dus twee gewonden op straat.

De rechtbank acht de verklaring van de anonieme getuige en de gang van zaken die deze getuige beschrijft betrouwbaar. Deze getuige is namelijk geheel onafhankelijk en heeft blijkens de gedetailleerde verklaring goed zicht gehad op hetgeen die avond is gebeurd.

De rechtbank stelt voorts vast dat deze verklaring steun geeft aan de verklaring van verdachte, met name aan zijn verklaring dat er door de groep met voorwerpen werd gegooid, dat hij werd aangevallen door de groep en dat hij werd geslagen met de schep. Daar staat tegenover dat de verklaring van de anonieme getuige als het gaat om deze elementen niet of nauwelijks aansluit op de verklaringen van aangever en zijn vrienden. Gelet hierop en op de omstandigheid dat hun verklaringen in onderling verband bezien op onderdelen inconsistent zijn, kan worden vastgesteld dat aangever en zijn vrienden niet open over hun eigen aandeel hebben verklaard.

De rechtbank gaat daarom voor wat betreft de feitelijke gang van zaken uit van de verklaring van de anonieme getuige en hetgeen verdachte daarover heeft verklaard.

Op basis van deze verklaringen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die het mes heeft vast gehad en die aangever heeft geraakt met het mes waardoor aangever gewond is geraakt.

- De aard en de ernst van het letsel

Het dossier bevat over de aard en de ernst van de verwondingen informatie van een forensisch arts. Deze informatie is beknopt. Er is sprake van:

- drie steekwonden links in de flank

- uitwendig bloedverlies

- een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel

- een vermoeden van inwendig bloedverlies.

Uit aanvullende medische informatie blijkt dat sprake was van een spoedbuikoperatie, waarbij twee doorboringen van de dikke darm gezien werden die bij de operatie hersteld werden. Opgemerkt wordt dat bij een dergelijk voorval ook ernstiger letsel opgelopen had kunnen worden, gelet op de aard en de plaats van de toegebrachte verwondingen.

Bij de kort voor de terechtzitting ingediende vordering tot schadevergoeding van aangever zijn twee kleurenfoto’s gevoegd waarop de littekens van de verwondingen zijn te zien, waardoor duidelijk wordt waar aangever in zijn linkerflank is gestoken.

Het dossier bevat geen informatie over de diepte van de steekwonden.

Op basis van deze medische gegevens en met name de omschrijving van het letsel als steekwonden, is de rechtbank van oordeel dat vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van steken en niet van snijden. Het uiterlijk van de littekens van de drie wonden in de flank duidt ook op steekverwondingen.

Echter, niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat aangever door het handelen van verdachte zou komen te overlijden. Immers de exacte toedracht en de risico’s die zijn verbonden aan het steken met het aangetroffen mes op de betreffende plekken in het lichaam, zijn onvoldoende vast komen te staan. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het letsel van aangever wel worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De steekwonden waren dermate diep dat de dikke darm was geperforeerd. Door dit inwendige letsel was een spoedoperatie noodzakelijk. De genezingstermijn bij een ongecompliceerd verloop is geschat op vier tot zes weken, en in geval van complicaties langer. Uit de informatie van aangever in zijn vordering tot schadevergoeding blijkt dat de genezing van de uitwendige verwondingen niet ongecompliceerd verloopt. Op de foto’s zijn in de linkerflank drie flinke littekens te zien en op de buik een lang verticaal litteken van de buikoperatie. Deze littekens zijn blijvend.

- Opzet

De vraag die vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte ook opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte boos opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Wel is zij van oordeel dat sprake was van voorwaardelijk opzet. Gezien het feit dat het om drie steekverwondingen gaat, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat aangever in zijn mes is gevallen onaannemelijk. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte in de worsteling drie maal heeft gestoken hetgeen een zekere mate van bewust handelen impliceert. Het in een chaotische worsteling hanteren van een groot mes en daarmee drie keer in de flank van persoon steken levert naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans op dat de persoon daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Dat verdachte de kans bewust heeft aanvaard dat aangever aldus zwaar lichamelijk letsel op zou lopen leidt de rechtbank af uit het feit dat verdachte het mes gedurende de worsteling is blijven vasthouden, ondanks pogingen van anderen om dat mes af te pakken.

De rechtbank acht derhalve het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op of omstreeks 28 augustus 2019 te Vlissingen,

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een drietal

steekverwondingen met twee doorboringen van de dikke darm (waarbij een (spoed)buikoperatie

noodzakelijk was), heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, meermalen in de linkerzij te steken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het feit.

5.1

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft gehandeld in een noodweersituatie. Hij werd door anderen aangevallen, waarbij hij werd geslagen met een schep en er voorwerpen naar hem werden gegooid, en waarbij hij op de grond viel. Verdachte kon niet meer tijdig wegkomen en kon alleen de aanval afweren. Verdachte heeft een mes getoond in de hoop dat hij niet zou worden aangevallen. Dat gebeurde toch. Er was een numeriek overwicht van de groep die verdachte aanviel en één van hen had een schep in zijn handen. Een mes is in deze omstandigheden als een proportioneel verdedigingsmiddel te zien. De plaats van de verwondingen bij aangever duidt op verdedigend handelen door verdachte vanuit een onderliggende positie. Zodra de aanval stopte is hij gestopt met verdedigen. Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Er is geen sprake van eigen schuld.

Door de verdediging is gelet op het voorgaande ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, omdat het feit niet strafbaar is nu sprake was van noodweer.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

Verdachte zocht de groep van aangever steeds op terwijl duidelijk was dat hij niet welkom was. Ook nadat met stenen naar hem was gegooid maakte hij geen gebruik van de mogelijkheid om weg te gaan. Volgens twee getuigen was het verdachte die begon met vechten. Verder was het gebruik van een mes tegen de dreiging van een schep niet proportioneel. Er was geen sprake van een noodweersituatie, zodat een beroep op noodweer niet kan slagen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit de verklaringen van de anonieme getuige en de verklaring van aangever leidt de rechtbank af dat verdachte alleen stond tegenover een groep van vier mannen, waardoor deze groep een numeriek overwicht had. Vóór de aanval ging er al agressie uit van deze groep in de richting van verdachte en werden voorwerpen in de richting van verdachte gegooid. Verdachte zegt dat dit het moment is geweest dat hij het mes heeft gepakt om zichzelf te kunnen verdedigen. Uit het dossier blijkt niet dat hij, anders dan het mes vasthouden, handelingen met het mes heeft verricht. Verdachte zegt ook dat de groep daar niet van onder de indruk leek te zijn. Kort daarna werd verdachte door de groep aangevallen. Eén van de mannen in de groep had een wapen in de vorm van een schep of een stok, waarmee hij verdachte heeft geslagen, ook toen hij al op de grond lag.

Op het moment dat verdachte door de groep werd aangevallen en geslagen met de schep/stok, ontstond naar het oordeel van de rechtbank voor verdachte een situatie van noodweer. Er was namelijk sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte. Dit betekent dat verdachte zich tegen deze aanval mocht verdedigen. Hij kon immers niet weg omdat hij op de grond lag en door vier personen werd belaagd, waarvan één persoon hem met een houten stok sloeg.

De rechtbank is verder van oordeel dat de wijze waarop verdachte zich heeft verdedigd binnen de grenzen van proportionaliteit valt. Er was vóór de aanval van de groep ook al agressie uitgegaan naar verdachte en er was sprake van een numeriek overwicht. Bij de aanval werd een stok gebruikt waarmee hij ook werd geraakt. Die aanval was dusdanig dat het aanleiding was voor de anonieme getuige om 112 te bellen.

Toen verdachte op de grond belandde lag hij op zijn rug en was hij daarmee de onderliggende partij. Hij had op dat moment nog steeds het mes dat hij eerder ter afdreiging had gepakt in zijn hand. Verdachte heeft de messteken toegebracht in een worsteling waarbij hij zich aan de groepsaanval wilde onttrekken. Dat aangever daarbij in de flank is geraakt, en niet in de borst of de rug, past bij de verklaring van verdachte dat hij zich slechts heeft willen verweren, toen hij liggend op de rug door aangever en de drie andere mannen werd belaagd.

Het voorgaande leidt ertoe dat door verdachte een geslaagd beroep op noodweer kan worden gedaan, tenzij zijn eigen gedragingen voorafgaand aan de wederrechtelijke aanranding van zijn lijf daaraan in de weg staan.

De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Zelfs als moet worden aangenomen dat verdachte de groep van aangever opzocht terwijl hij daar niet welkom was, betekent dit niet dat aangever daarmee het geweld dat vervolgens op hem werd toegepast heeft uitgelokt.

Door de anonieme getuige zijn geen agressieve gedragingen gezien van verdachte in de richting van de groep mannen. Verdachte had ten tijde van de aanval een mes in zijn hand. Gelet op de onverhoedse aanval en het daarbij toegepaste geweld is het aannemelijk dat verdachte het mes uit zijn tas heeft gepakt vóór de aanval, zoals hij zelf ook heeft verklaard. Hij heeft verklaard dat hij het mes heeft gepakt en getoond aan de groep toen zij op hem afkwamen. Het tonen van het mes was bedoeld om de groep af te schrikken, maar dit effect werd niet bewerkstelligd.

Verdachte heeft het mes getoond in de bedreigende situatie dat vier mannen agressief tegenover hem stonden, waarvan één hem te lijf wilde gaan. Het enkele tonen van een mes in zo’n situatie is naar het oordeel van de rechtbank geen gedraging die zodanig escalerend kan worden geoordeeld dat de daarop gevolgde groepsaanval in de lijn der verwachting mocht liggen. Naar het oordeel van de rechtbank staat het gedrag van verdachte daarom niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer.

Omdat het bewezenverklaarde feit vanwege het geslaagde beroep op noodweer niet strafbaar is, zal de rechtbank verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.533,61 voor het feit.

Nu het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet strafbaar is, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 90 dagen gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 3 juni 2016 ten uitvoer zal worden gelegd.

Nu verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. Fleskens en mr. W. Anker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 september 2020.

Mrs. Nomes en Fleskens zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

9 Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 28 augustus 2019 te Vlissingen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, in elk geval een scherp en/of

puntig voorwerp meermalen, althans eenmaal, in de linkerzij, in elk geval in het lichaam, heeft

gestoken/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 287 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 28 augustus 2019 te Vlissingen,

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een drietal

steekverwondingen met twee doorboringen van de dikke darm (waarbij een (spoed)buikoperatie

noodzakelijk was), heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, in elk geval een scherp en/of

puntig voorwerp meermalen, althans eenmaal, in de linkerzij, in elk geval in het lichaam, te

steken/snijden;

(artikel art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 augustus 2019 te Vlissingen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

die [slachtoffer] met een mes, in elk geval een scherp/puntig voorwerp meermalen, althans eenmaal,

in de linkerzij, in elk geval in het lichaam heeft gestoken/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

10 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt

- tenzij anders vermeld - bedoeld - een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2019205315/ZB1R019081 (onderzoek Bruinkool) van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 198.

- een pagina van het ‘aanvullend dossier verdachte [verdachte] ’ (hierna: aanvullend dossier), behorend bij het hierboven genoemde eindproces-verbaal.

Het proces-verbaal van aangifte, pagina 139 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was binnen bij mijn oom [getuige 1] en ik hoorde [verdachte] buiten roepen en schreeuwen.

Ik ben naar buiten gegaan. Daar zag ik dat mijn oom en [verdachte] aan het vechten waren.

Ik zag dat [verdachte] een mes vast had. Ik probeerde mijn oom te helpen en duwde [verdachte] weg bij mijn oom. Tijdens dat vechten moet ik zijn gestoken met het mes. Ik voelde wat kouds tegen mijn lijf. Ik ben drie keer gestoken.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 102 en 103 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 28 augustus 2019 was ik, verbalisant [verbalisant] , belast met de noodhulpverlening in Vlissingen. Omstreeks 02.05 uur kregen wij van het Operationeel Centrum (OC) in

Middelburg de opdracht om met spoed te gaan naar de Irislaan kruising Magrietenlaan

in Vlissingen. Het slachtoffer lag op de kruising ter hoogte van het pand Margrietenlaan 5.

Ik heb direct portofonisch aan het OC verzocht om met spoed een ambulance ter plaatse te laten komen.

Ik zag dat mijn collega mij een groot koksmes aanwees dat aan de rand van de weg lag, ongeveer 10 meter van het slachtoffer in de Irislaan. Ik hoorde een mij onbekend gebleven omstander zeggen dat dat het mes was waarmee zijn vriend was gestoken.

Het schriftelijk stuk, te weten een kleurenfoto, als bijlage gevoegd op pagina 128 van voornoemd eindproces-verbaal:

Op de kleurenfoto is te zien het mes dat op de plaats delict is aangetroffen.

Het proces-verbaal van bevindingen van 25 maart 2020 van voornoemd aanvullend dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ontving van forensisch arts dr. Sjef Frencken het volgende schrijven per email:

Geachte mevrouw [naam] .

Op basis van de informatie in de bijlage (afkomstig van ene dr.

de Vos van het ADRZ te Goes), heb ik op uw verzoek de volgende toelichting opgesteld over dhr. [slachtoffer] , geboren op 5 juli 1991 mbt de op 28 augustus 2019 door hem opgelopen letsels.

Het betrof een drietal steekverwondingen in de linker zij (flank). Hierbij was enig uitwendig bloedverlies opgetreden. Ook wordt inwendig bloedverlies genoemd. Dit bleek bij een uitgevoerde (spoed)buikoperatie, waarbij een tweetal doorboringen van de dikke darm gezien werden, die bij de operatie hersteld/gehecht werden.

Indien het herstel ongecompliceerd gaat verlopen, zal de genezingstermijn tot volledig herstel zo'n 4-6 weken bedragen. Dit zal aanzienlijk langer zijn geweest als

zich onverhoopt wel complicaties hebben voorgedaan.

Met vriendelijke groet,

Sjef Vrencken,

forensisch arts GGD Zeeland.

De schriftelijke stukken, te weten twee kleurenfoto’s, als bijlage gevoegd bij de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] :

Op deze foto’s zijn drie ronde littekens te zien in de linker flank van [slachtoffer] en een verticaal langwerpig litteken in het midden van de buik van [slachtoffer] .

De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 27 augustus 2020, inhoudende, zakelijk weergegeven:

In de avond van 29 augustus 2019 kwam ik bij de woning van [getuige 1] . Daar waren aangever en getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Het was een beetje vijandig. Ik pakte een mes uit mijn tasje om ze op afstand te houden. Toen kwamen ze op me af. [slachtoffer] kwam ook. Hij sloeg me en we vielen op de grond. Ik had het mes de hele tijd in mijn hand. Ik voelde druk op het mes. Toen [slachtoffer] van me af werd getrokken zei iemand ‘je bent gestoken’.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 125 en 126 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

[getuige 3] [de rechtbank begrijpt uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting: [getuige 3] ] trok toen aan mijn hand met het mes. Ik wou deze niet loslaten omdat ik bang was met het mes zelf gestoken zou worden door een van die jongens.

Vlak daarvoor had ik het mes in mijn handen toen [getuige 1] mij beet en toen wou ik niet loslaten.

[wanneer verdachte de foto genoemd onder 10.3 wordt getoond] Ja dat is het mes die ik bij mij had.