Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4276

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5772
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5772 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

[Eiseres] , te [Plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: mr. D. Pool,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 3 september 2019 (primaire besluit) heeft het college geweigerd aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanleggen van een uitrit.

In het besluit van 19 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft hierop nog een schriftelijke reactie gegeven.

De zaak is behandeld op de zitting van de rechtbank op 11 augustus 2020. Hierbij waren aanwezig de heer [Naam partner eiseres] , zoon van eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. M. Roels namens het college.

Overwegingen

Feiten

1. De woning van eiseres is gelegen aan de [Adres] in [Plaatsnaam] . Eiseres wil aan het voorerf van haar woning een uitrit naar de openbare weg aanleggen, spiegelbeeldig aan de uitrit van de naastgelegen woning met huisnummer [Huisnummer] . Voor de woning ligt een openbare parkeerplaats (parkeerplaats), die parkeren langs de stoep mogelijk maakt. De parkeerplaats ligt aan het einde van een parkeerstrook en is voorzien van een bochtstraal ten behoeve van het in- en uitparkeren.

2. In de vergunningaanvraag heeft eiseres onder meer omschreven dat de uitrit aan de zijkant zal aansluiten aan de uitrit van de buren en dat 1,3 meter nodig is van de parkeerplaats. Deze parkeerplaats gaat volgens de omschrijving niet verloren omdat er ruimte overblijft voor een ruime gezinswagen. Eiseres heeft ook een situatieschets bij de vergunningaanvraag gevoegd.

Bezwaarfase

3. In het primaire besluit heeft het college overwogen dat de parkeerplaats bij het aanleggen van de uitrit komt te vervallen omdat er onvoldoende ruimte overblijft. Op grond van het belang van de bruikbaarheid en het veilige en doelmatig gebruik van de weg, genoemd in artikel 2.12, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Oosterhout (APV) heeft het college de omgevingsvergunning geweigerd.

4. Eiseres heeft in bezwaar onder andere aangevoerd dat het college zijn standpunt dat onvoldoende ruimte overblijft niet inzichtelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft gesteld dat het overblijvende deel van de parkeerplaats voldoende groot is. Een parkeerplaats van 5,5 meter voldoet namelijk aan de normen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) voor langsparkeren (langs de straat parkeren).

5. In het bestreden besluit heeft het college verwezen naar detail 6.8.8 bij de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) van de gemeente Oosterhout en daarbij overwogen dat er geen ruimte is om de situatie in te richten volgens dat detail. Het college heeft daarbij gesteld dat zelfs bij afwijken van de LIOR onvoldoende ruimte overblijft voor het behouden van een parkeerplaats. Ook heeft het college verwezen naar de Aanbevelingen voor Stedelijke Verkeer Voorzieningen (ASVV) en naar het advies van een verkeersdeskundige van de gemeente Oosterhout, [Naam verkeersdeskundige] . In dat advies is opgemerkt dat een maatgevende personenauto 4,88 meter bedraagt, terwijl uit de aanvraag volgt dat 4,7 meter van de parkeerplaats zou resteren na aanleg van de uitrit.

Beroepsgronden en verweren

6. Eiseres handhaaft het standpunt dat de parkeerplaats niet verloren gaat. Zij wijst erop dat na aanleg van de uitrit ruim vijf meter van de parkeerplaats overblijft. Dat is meer dan de 4,88 meter die volgens het college benodigd is. Daarnaast wijst eiseres op de uitrit bij de naastgelegen woning. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd dat geen beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt gedaan, maar dat die uitrit een voorbeeld vormt voor hoe de uitrit ook bij eiseres zou moeten worden.

7. Het college wijst in reactie op het beroep erop dat eiseres afmetingen hanteert voor haaks parkeren in plaats van voor langsparkeren. Het college wijst er ook op dat bij aanleg van de uitrit de bochtstraal verdwijnt, zodat het inparkeren en wegrijden niet mogelijk is of teveel bemoeilijkt wordt. In geval van een langsparkeervak aan het einde van een parkeerstrook, zoals voor de woning van eiseres, dient conform detail 6.9.2 van de LIOR de parkeerplaats minimaal 5,5 meter lang te zijn.

8. Eiseres stelt vervolgens dat met de 5,5 meter-eis het college in zijn verweerschrift een ander verweer voert dan dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. In het bestreden besluit is uitgegaan van detail 6.8.8 van de LIOR en niet van detail 6.9.2. Hierom moet dit verweer buiten beschouwing blijven. Voor wat betreft de bochtstraal merkt eiseres op dat deze bij aanleg van de uitrit in zijn geheel verdwijnt, maar dat het juist makkelijker wordt om de parkeerplaats te gebruiken.

9. Ter zitting is namens het college toegelicht dat het niet bedoeling is om via het (al dan niet verlaagde) trottoir t en trottoirband in en uit te parkeren. Ook is ter zitting aangevoerd dat het college een onveilige situatie voorziet wanneer eiseres van haar uitrit gebruik wil maken, terwijl een (grote) auto op de parkeerplaats staat. Er is in die situaties onvoldoende manoeuvreerruimte en ook onvoldoende zicht op de weg, aldus het college.

Wettelijk kader

9. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage en zijn onderdeel van deze uitspraak.

Beoordeling

Omvang geschil

10. Artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de APV betreft een zogeheten ‘kan-bepaling’. Dit betekent dat aan het college beleidsruimte toekomt. De rechtbank dient het besluit van het college terughoudend te toetsen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college eiseres in redelijkheid de omgevingsvergunning voor de uitrit heeft kunnen weigeren.

11. De rechtbank stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat de uitrit een gedeelte van de parkeerplaats inclusief de bochtstraal zal overlappen. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het college daarom in redelijkheid heeft concluderen dat dit het vervallen van de parkeerplaats tot gevolg heeft. Niet (meer) is in geschil dat het vervallen van de parkeerplaats een negatief effect heeft op de bruikbaarheid van de weg en het veilige en doelmatig gebruik van de weg.

LIOR

12. De rechtbank overweegt dat zowel detail 6.8.8 als detail 6.9.2 van de LIOR 5,5 meter geven als lengte van een parkeerplaats aan het einde van een parkeerstrook. Beide details geven ook een bochtstraal aan, in het verlengde van het parkeervak tot het trottoir. Voor de boordeling van het geschil, maakt het daarom geen verschil naar welk detail wordt gekeken.

Is de weigering redelijk?

13. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat de parkeerplaats bij aanleg van de uitrit niet ongewijzigd in stand kan blijven. Vast staat dat de bochtstraal vervalt bij de uitweg, terwijl die conform de LIOR wel benodigd is voor het kunnen in- en uitdraaien van de parkeerplaats. Op basis hiervan heeft het college kunnen concluderen dat de parkeerplaats bij aanleg van de uitrit komt te vervallen, wat niet in het belang is van de bruikbaarheid en het veilig en doelmatige gebruik van de weg. Reeds hierom kan de ter zitting gevoerde discussie over de vereiste breedte van de uitrit in het midden blijven.

Is de weigering deugdelijk gemotiveerd?

14. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een besluit deugdelijk te zijn gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de weigering in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Het college heeft enkel in algemene zin naar detail 6.8.8 van de LIOR verwezen en gesteld dat er (ook bij afwijking) geen ruimte is om de situatie conform dit detail in te richten. Het college heeft daarbij de suggestie gewekt dat de 4,88 meter, de lengte van een maatgevende auto, voldoende is om een parkeervak te kunnen behouden. Het college heeft daarbij niet toegelicht dat in de situatie van eiseres 5,5 meter benodigd is en dat daarbij ook de bochtstraal behouden moet blijven omdat anders over het trottoir en de trottoirband moet worden gemanoeuvreerd. Pas in beroep is deze motivering voldoende deugdelijk naar voren gekomen. Het voorgaande betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. Anders dan eiseres heeft betoogd, heeft het college in beroep niet de grondslag van het bestreden besluit veranderd.

15. Het onder 14 geconstateerde motiveringsgebrek kan naar het oordeel van de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat niet aannemelijk is dat eiseres door dat gebrek is benadeeld.

16. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning voor de uitrit heeft kunnen weigeren.

Conclusie

17. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

18. De rechtbank ziet in het met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerde motiveringsgebrek wel aanleiding om het college te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.050,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van
€ 525,00 en een wegingsfactor 1). Ook moet het griffierecht aan eiseres worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.050,00;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 8 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:46 bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 6:22 bepaalt dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, door het orgaan, dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.2, eerste lid, sub e, bepaalt dat voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

APV

Artikel 2:12, eerste lid, bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van het college ingevolge de WABO (a) een uitweg te maken naar de weg, (b) van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg, (c) verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Artikel 2:12, derde lid, bepaalt dat de vergunning kan worden geweigerd in het belang van (a) de bruikbaarheid van de weg en (b) het veilige en doelmatig gebruik van de weg.