Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4269

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_6650
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6650 WVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

[Eiser] , te [Plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, (CBR) verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 27 juni 2019 (het primaire besluit) heeft het CBR de geldigheid van eisers rijbewijs geschorst en bepaald dat hij mee moet werken aan een onderzoek naar de rijgeschiktheid.

In het besluit van 13 november 2019 (het bestreden besluit) heeft het CBR het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 8 juli 2020.

Eiser heeft zich hierbij laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het CBR heeft zich laten vertegenwoordigen door [Naam vertegenwoordiger] .

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft het dossier gelezen en er is een zitting geweest. Op basis daarvan gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Op 22 mei 2019 heeft eiser als bestuurder van een auto een eenzijdig ongeval veroorzaakt, waarbij hij op de A16 tegen een vangrail is gereden. De korpschef van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant heeft het CBR naar aanleiding van dit voorval medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een auto. Bij de mededeling heeft de korpschef een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2019 gevoegd (hierna: het proces-verbaal).

Op basis van deze mededeling heeft het CBR aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd. Het CBR heeft daarbij de geldigheid van het rijbewijs van eiser in elk geval tot aan de uitslag van het onderzoek geschorst (het primaire besluit).

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

In afwachting van de beslissing op bezwaar heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht het primaire besluit te schorsen. De voorzieningenrechter heeft op 17 oktober 2019 geoordeeld dat eiser geen spoedeisend belang had bij een uitspraak.

Het CBR heeft het bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit) en daaraan ten grondslag gelegd dat er een gerechtvaardigd vermoeden van ongeschiktheid is gerezen en dat is voldaan aan het vorderingscriterium ‘wegraking/black-out’. Uit de mededeling en het bijgevoegde proces-verbaal blijkt dat eiser een ongeval heeft veroorzaakt, totaal in paniek was en angstig reageerde op aanspreken van de politie en het ambulancepersoneel. Eiser sloeg wild om zich heen, hij was erg aan het zweten, leek volledig de weg kwijt en had een erg rode huidskleur. In het proces-verbaal staat verder dat eiser een witte dan wel doorzichtige slijmerige substantie op zijn bovenlip had en dat het erop leek dat hij op zijn tong had gebeten. Toen de politie eiser later die avond belde, vertelde eiser dat hij niet meer wist was er was gebeurd. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat eiser vaker dergelijke aanvallen heeft gehad en dat er in het ziekenhuis geen oorzaak kon worden gevonden hiervoor. Gelet op het feit dat eiser een verkeersongeval heeft veroorzaakt in combinatie met het vertoonde gedrag en het gegeven dat eiser op een later moment niet meer kon vertellen wat er was gebeurd, is er terecht een vermoeden van ongeschiktheid ontstaan, aldus het CBR.

2. Eiser voert aan dat niet is vastgesteld dat sprake was van een wegraking of een black out. Uit het feit dat hij de weg kwijt leek te zijn na het ongeval blijkt dit niet, net zomin als uit het feit dat hij een substantie op zijn bovenlip had of dat het leek dat hij op zijn tong gebeten had. De impact van het ongeluk kan dat heel eenvoudig veroorzaakt hebben. Het proces-verbaal is onvoldoende om de lichamelijke, dan wel psychische aandoening medisch, dan wel objectief vast te stellen. Een enkel proces-verbaal dat niet ondersteund wordt door enige medische verklaring is onvoldoende grond voor het onderzoek. Gebleken is dat er geen sprake is van een medisch defect, dat maakt dat eiser niet geschikt is om te rijden. Het vermoeden dat hij ongeschikt was om een auto te besturen was dan ook niet gerechtvaardigd.

3. De relevante wettelijke bepalingen zijn ten behoeve van de leesbaarheid opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het CBR omdat hij zijn rijbewijs terug wilde. Enkele weken voor de zitting heeft het CBR echter besloten tot teruggave van het rijbewijs, zodat dit doel niet langer kan worden bereikt met een uitspraak in deze procedure. De rechtbank moet daarom, voordat het toe kan komen aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak, beoordelen of eiser (nog) belang heeft bij de uitkomst van deze beroepsprocedure.

4.2.

Eiser heeft de kosten van de verrichte (medische) onderzoeken zelf moeten betalen. Via deze procedure kan vast komen te staan dat het onderzoek ten onrechte is opgelegd en het rijbewijs onterecht is geschorst. In dat geval kan eiser vorderen dat het CBR de door hem gemaakte kosten vergoedt. Zijn gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat eiser dit ook wil doen. Nu eiser tevens een verzoek tot schadevergoeding doet in het kader van deze procedure – eiser vordert namelijk veroordeling van verweerder in de wettelijke rente - is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser nog procesbelang heeft bij een uitspraak in deze procedure.

5.1.

Tussen partijen is in geschil of het CBR op goede gronden een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd en de geldigheid van eisers rijbewijs heeft geschorst.

5.2.

Wanneer de politie het vermoeden heeft dat iemand niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die nodig is voor het besturen van een auto, doet het daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR.1 De korpschef heeft dit in het geval van eiser gedaan naar aanleiding van het ongeval van 22 mei 2019 en de omstandigheden zoals die blijken uit het proces-verbaal van 23 mei 2019.

5.3.

Het CBR besluit vervolgens tot een onderzoek naar de rijgeschiktheid in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen.2 De ministeriële regeling waar het om gaat is de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling). Hierin staat dat het CBR besluit dat iemand zich dient te onderwerpen aan dit onderzoek in geval van wegraking/ black-out.3

5.4.

Anders dan eiser bepleit, hoeft voor het opleggen van het onderzoek niet vast te staan dat hij een black-out heeft gehad. Volgens vaste rechtspraak hoeft voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.4 Dat eiser nadat alle onderzoeken zijn verricht geschikt is bevonden om te rijden, betekent dan ook nog niet dat het vermoeden van ongeschiktheid toen het bestreden besluit werd genomen niet gerechtvaardigd was.

5.5.

Het is dus de vraag of er sprake was van een gerechtvaardigd vermoeden van ongeschiktheid ten tijde van het bestreden besluit. Het CBR heeft zich gebaseerd op de melding van de korpschef en het bijgevoegde proces-verbaal. Volgens vaste rechtspraak mag het CBR in beginsel ook uitgaan van de juistheid hiervan.5 De rechtbank is van oordeel dat dit vermoeden, gelet op de verwarde staat waarin eiser blijkens het proces-verbaal is aangetroffen, het feit dat hij niet meer wist wat er was gebeurd en het feit dat zijn vriendin tegen de politie heeft verklaard dat eiser vaker aanvallen heeft gehad waarvan de oorzaak niet kon worden gevonden, gerechtvaardigd was.

5.6.

Eiser kan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het CBR het besluit onzorgvuldig zou hebben voorbereid. Het CBR heeft ter zitting nader verklaard dat een interne (basis)arts de feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit het proces-verbaal heeft bestudeerd en op basis hiervan als medisch adviseur heeft geconcludeerd dat het vermoeden van wegraking/ black-out bestond. Juist het feit dat het CBR zich heeft laten adviseren door een medicus getuigt van een zorgvuldige voorbereiding. Het enkele feit dat deze medisch adviseur in dienst is van het CBR doet hier niet aan af. Dat eiser niet weet wie de medisch adviseur is en het intern advies geen deel uitmaakt van het dossier, maakt het bestreden besluit niet onzorgvuldig. Ook het feit dat de adviseur eiser niet zelf heeft onderzocht maakt het besluit in de gegeven omstandigheden niet onzorgvuldig.

5.7.

Nu het gerechtvaardigde vermoeden bestond dat eiser ongeschikt was tot het besturen van een auto, was het CBR verplicht om tot een onderzoek naar de rijgeschiktheid te besluiten. Voor het maken van een belangenafweging biedt de wet geen ruimte.

6.1.

Ook de geldigheid van eisers rijbewijs is geschorst. De geldigheid van het rijbewijs wordt op grond van de wet geschorst wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat iemand lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige.6 De wet laat ook hier geen ruimte voor een belangenafweging. Bij duidelijke aanwijzingen moet de geldigheid van het rijbewijs worden geschorst.

6.2.

Het CBR mocht zich naar het oordeel van de rechtbank ten tijde in geding op het standpunt stellen dat hetgeen in het proces-verbaal is opgeschreven een duidelijke aanwijzing vormt dat eiser leed aan een lichamelijke aandoening waardoor hij niet goed functioneerde. Het CBR heeft hierbij een medisch deskundige geraadpleegd. Nog verder onderzoek, bestaande uit het opvragen van eisers medisch dossier of verder medisch onderzoek van eiser door een onafhankelijk arts, was voor het nemen van het besluit tot schorsing van de geldigheid niet nodig. De rechtbank volgt eiser hier niet in. Dat het onderzoek inmiddels is afgerond en dat daaruit is gebleken dat eiser geschikt is om te rijden, maakt deze conclusie niet anders. Het gaat immers om de vraag of er duidelijke aanwijzingen waren dat eiser niet goed zou functioneren, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

7. De rechtbank concludeert dat het CBR gehouden was tot het opleggen van het onderzoek naar de rijgeschiktheid. Het CBR was ook gehouden de geldigheid van het rijbewijs te schorsen. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.H.J. Vermariën, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 8 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Artikel 130, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 luidt:

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.

Artikel 131, eerste lid en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 luidt:

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Artikel 131, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 luidt:

2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:

a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;

Artikel 5, onder c, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 luidt: Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige.

Artikel 6 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 luidt:

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.

Artikel 23, derde lid, onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 luidt:

3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

b. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder B, onderdelen I en II, (…)

Bijlage B, onderdeel I, onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 luidt:

B. Geschiktheid

I. Lichamelijke geschiktheid

b. wegraking / black-out;

1 Dit volgt uit artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerwet 1994 (WVW 1994).

2 Op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994.

3 Dit volgt uit artikel 23, derde lid, onder b, van de Regeling, in samenhang met onderdeel I van bijlage B.

4 Zie onder meer de uitspraken van de ABRvS van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:337, onder 4.1 en van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:657.

5 Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1549.

6 Dit volgt uit artikel 131, tweede lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994, gelezen in verbinding met de artikelen 5, aanhef en onder c, en 6 van de Regeling.