Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4260

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_5750
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5750 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

[Eiseres] te [Plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: mr. M. Raaijmakers,

en

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2019 (het primaire besluit I) heeft Baanbrekers het recht van eiseres op bijstand herzien over de periode van 1 mei 2018 tot 4 juni 2018. Ook heeft Baanbrekers

de kosten van de te veel verleende bijstand over de periode van 16 juni 2015 tot 4 juni 2018 van eiseres teruggevorderd, tot het bedrag van € 7.760,48.

Bij besluit van 2 september 2019 (het primaire besluit II) heeft Baanbrekers , onder intrekking van het primaire besluit I, het recht van eiseres op bijstand herzien over de periode van 1 mei 2018 tot 4 juni 2018 en de kosten van de te veel verleende bijstand over de periode van 16 juni 2015 tot 4 juni 2018 van eiseres teruggevorderd tot het bedrag van € 8.003,08.

Bij besluit van 9 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

De feiten

1. De rechtbank gaat op basis van het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres ontvangt sinds 16 juni 2015 een bijstandstuitkering.

Bij besluit van 5 april 2018 heeft Baanbrekers het recht op bijstand over de periode van juni 2015 tot 1 maart 2018 ingetrokken dan wel herzien. Eiseres is hiertegen in bezwaar en later in beroep gegaan. Het door eiseres ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2018 ongegrond verklaard. Hiermee staat vast dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat Baanbrekers de bijstandsuitkering van eiseres terecht heeft:

- ingetrokken over de maand juni 2015 en herzien over juli 2015, omdat eiseres op 23 juni 2015 het bedrag van € 725,- en op 1 juli 2015 het bedrag van € 568,72 heeft ontvangen van de heer [Naam partner] ;

- herzien over de periode van 16 juni 2015 tot 1 maart 2018, omdat eiseres in deze periode schoonmaakwerkzaamheden bij [Naam partner] verrichtte en dit niet heeft gemeld, waarbij Baanbrekers heeft mogen aannemen dat eiseres hier gemiddeld € 100,- per maand mee heeft verdiend;

- ingetrokken over december 2016, omdat er in deze maand € 1.220,- aan contant geld is gestort op de bankrekening van haar toen nog minderjarige dochter, waarover eiseres kon beschikken.

Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, waardoor de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Baanbrekers heeft verder bij besluit van 9 juli 2018, welk besluit is gewijzigd bij besluit van 12 november 2018, het recht op bijstand herzien over de periode van 16 juni 2015 tot 30 augustus 2017. Eiseres zou in deze periode kinderalimentatie hebben ontvangen. Zij is tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Baanbrekers heeft op 21 december 2018 een beslissing op dit bezwaar genomen en bepaald dat de bijstandsuitkering terecht is herzien, maar dat er geen sprake was van schending van de inlichtingenplicht, omdat de bijschrijvingen te zien waren op de bankrekeningafschriften die eiseres bij haar bijstandsaanvraag heeft ingediend. Eiseres is niet in beroep gegaan tegen dit besluit.

Verder heeft Baanbrekers bij besluit van 8 november 2018 het recht op bijstand herzien over de periode van 1 maart 2018 tot 1 mei 2018, omdat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door er geen melding van te maken dat zij ook in deze periode nog schoonmaakwerkzaamheden verrichtte bij [Naam partner] . Over de periode van 1 mei 2018 tot 4 juni 2018 werd aangekondigd dat de inkomsten uit het schoonmaakwerk zouden worden verrekend met de uitkering. Ook het bezwaar gericht tegen dit besluit van 8 november 2018 is bij onherroepelijk besluit op bezwaar van 21 december 2018 ongegrond verklaard.

Bij het primaire besluit I heeft Baanbrekers het recht op uitkering over de periode van 1 mei 2018 tot 4 juni alsnog herzien, omdat verrekening niet mogelijk bleek en de kosten van de te veel verleende bijstand over de periode van 16 juni 2015 tot 4 juni 2018 van in totaal
€ 7.760,48 teruggevorderd.

Eiseres is in bezwaar gegaan tegen het primaire besluit I, dat hangende het bezwaar is vervangen door het primaire besluit II, zodat Baanbrekers het bezwaar op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede heeft geacht te zijn gericht tegen het primaire besluit II.

Bij het primaire besluit II heeft Baanbrekers besloten het recht op uitkering over de periode van 1 mei 2018 tot 4 juni alsnog te herzien omdat verrekening niet mogelijk bleek, en de kosten van de te veel verleende bijstand over de periode van 16 juni 2015 tot 4 juni 2018 terug, tot een totaal bedrag van € 8.003,08 teruggevorderd.

Bij besluit van 9 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft Baanbrekers het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften.

Gronden van beroep

2. Eiseres voert aan dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Zij heeft immers altijd alles overgelegd wat van haar gevraagd werd en van begin af aan gemeld dat zij poetswerkzaamheden verrichtte. Hier kreeg zij niet voor betaald. Het door [Naam partner] in juni en juli 2015 gestorte geld betrof een lening, terwijl het bedrag van € 1.220,- dat is gestort op de rekening van haar dochter een gift van haar oma betrof en wat spaargeld. Op grond van artikel 58, tweede lid, onder e van de Participatiewet (Pw) moet terugvordering achterwege blijven, nu eiseres dacht juist te handelen en voldoende openheid heeft gegeven over haar financiële activiteiten. Met toepassing van artikel 58, achtste lid, van de Pw moet van terugvordering worden afgezien nu hier dringende redenen voor zijn. Eiseres verkeert namelijk in een penibele financiële situatie. Zij leeft nu al onder minimum en draagt daar door deze terugvordering nog verder onder te geraken. Ook de brutering is onterecht. Het kan eiseres niet worden verweten dat zij niet binnen hetzelfde jaar alles kan terugbetalen. Zij leeft immers op bijstandsniveau. Zij wist ook niet dat ze in strijd met het recht op bijstandsuitkering handelde, zodat de terugvordering buiten haar toedoen is ontstaan. Het te beschermen rechtsbelang staat niet in een evenredige verhouding tot de gevolgen voor eiseres, waardoor sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. Het besluit is onzorgvuldig genomen en lijdt aan een motiveringsgebrek.

3. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Wat ligt niet ter beoordeling van de rechtbank voor?

4. Dat eiseres te veel bijstand heeft ontvangen staat, met de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2018 en de beslissing op bezwaar van Baanbrekers van 21 december 2018, vast. Eiseres kan hier nu niet meer tegen opkomen. Als eiseres het hier niet mee eens was, dan had zij in hoger beroep kunnen gaan tegen de uitspraak van de rechtbank en in beroep tegen de beslissing op bezwaar van Baanbrekers van 21 december 2018. Dit heeft zij echter niet gedaan. Dit komt voor haar risico. Ook staat hiermee vast dat eiseres, behalve ten aanzien van de ontvangen kinderalimentatie, de inlichtingenplicht heeft geschonden.

De herziening over de periode van 1 mei 2018 tot 4 juni 2018

5.1.

Baanbrekers meent dat eiseres te veel bijstand heeft ontvangen, omdat zij op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht door te poetsen bij haar partner [Naam partner] . Baanbrekers heeft het recht op bijstand daarom herzien over de periode van 1 mei 2018 tot 4 juni 2018 op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de Pw. Eiseres betwist ook niet bij [Naam partner] te hebben schoongemaakt, maar voert aan hier niet voor betaald te hebben gekregen.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak kan worden gesproken van op geld waardeerbare arbeid, wanneer de aard, de omvang, de duur en het structurele karakter van bepaalde activiteiten daartoe aanleiding geven.1 Eiseres maakte iedere week – dus structureel – schoon bij [Naam partner] . Zij heeft (oorspronkelijk) ook met [Naam partner] afgesproken dat zij hier € 25,- per keer voor zou krijgen, welk bedrag zou worden verrekend met een schuld die zij bij hem had. Dit duidt erop dat sprake is van op geld waardeerbare arbeid. Dat later is besloten de betalingen achterwege te laten, doet er niet toe.

5.3.

Omdat eiseres in mei 2018 heeft gemeld dat zij nog schoonmaakte bij [Naam partner] , heeft Baanbrekers aangenomen dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Baanbrekers is daarom bevoegd, maar niet verplicht het recht op bijstand te herzien. Baanbrekers heeft beleidsruimte op dit punt. Deze beleidsruimte is ingevuld met het Verzamelbesluit Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz (hierna: de Beleidsregels). Uit artikel 7:1:1 onder a en artikel 7:1:2 onder b van de Beleidsregels blijkt dat Baanbrekers in beginsel gebruik maakt van de bevoegdheid tot herziening.2 Dat dit beleid onredelijk zou zijn is de rechtbank niet gebleken. Dit betekent dat Baanbrekers kon en mocht overgaan tot herziening.

De terugvordering

6. Dat eiseres te veel bijstand heeft ontvangen, staat dus vast. Baanbrekers heeft besloten de te veel ontvangen bijstand ook van eiseres terug te vorderen. Eiseres is het hier niet mee eens. De berekening van de terugvordering zoals deze door Baanbrekers is gemaakt, is daarbij niet door eiseres betwist. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om die berekening voor onjuist te houden.

De terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw

6.1.

Nu vast staat dat eiseres over de periode van 16 juni 2015 tot 1 mei 2018 de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat zij daardoor te veel bijstand heeft ontvangen, moest Baanbrekers in beginsel overgaan tot terugvordering van de te veel ontvangen bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw.

6.2.

Baanbrekers heeft over de periode van 1 januari 2018 tot 1 mei 2018 het netto bedrag teruggevorderd van € 417,86 en afgezien van brutering. Over de daarvoor gelegen periode van 16 juni 2015 tot en met 31 december 2017 vordert Baanbrekers het bruto bedrag terug
€ 7.108,85. Eiseres meent dat dit laatste bedrag onterecht is gebruteerd.

6.3.

De hoogte van een bijstandsuitkering wordt netto vastgesteld en ook netto uitbetaald. Baanbrekers moet over de uitgekeerde bijstand echter nog wel loonbelasting en premies volksverzekeringen afdragen.3 In artikel 58, vijfde lid, van de Pw is daarom bepaald dat deze loonbelasting en de premies volksverzekeringen kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze niet verrekend kunnen worden met de af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen. Dat noemen we de brutering. Verrekening met de af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen is alleen mogelijk binnen het lopende kalenderjaar. Voor de terugvordering over de periode van voor 2018 was verrekening dus niet meer mogelijk.

6.4.

De rechtbank moet toetsen of Baanbrekers in redelijkheid van haar bevoegdheid tot brutering gebruik heeft kunnen maken. De wetgever heeft Baanbrekers namelijk beleidsruimte gelaten, zodat Baanbrekers niet verplicht is tot brutering over te gaan, maar hierbij een belangenafweging moet maken. In artikel 7:2:1 van de Beleidsregels staat dat het dagelijks bestuur gebruik maakt haar bevoegdheid tot het terugvorderen van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de Participatiewet. Het uitgangspunt is dus dat gebruteerd wordt. Dit is op zichzelf niet onredelijk.

6.5.

Volgens vaste rechtspraak moet in ieder geval worden afgezien van brutering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van eiseres en haar niet kan worden verweten dat zij de schuld niet reeds heeft voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.4 Eiseres heeft echter de inlichtingenplicht geschonden. Zij heeft geen melding gemaakt van feiten en omstandigheden die van belang konden zijn voor haar recht op bijstand, terwijl zij dit wel moest doen. De vordering is daarom door haar toedoen ontstaan, zodat zij niet voldoet aan deze voorwaarden.

6.6.

Dat eiseres financieel nadeel heeft van de brutering spreekt voor zich. Dat de financiële gevolgen echter dusdanig onredelijk of onaanvaardbaar voor eiseres zijn dat – in afwijking van de Beleidsregels – alsnog van brutering moet worden afgezien, is niet aannemelijk geworden. De beroepsgrond slaagt niet.

De terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, onder a, van de Pw

7.1.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen mocht Baanbrekers de bijstandsuitkering herzien over de periode van 1 mei tot 4 juni 2018, vanwege de verrichte schoonmaakwerkzaamheden. Nu over deze periode geen sprake was van schending van de inlichtingenplicht, vordert Baanbrekers het netto bedrag terug van € 121,43 op grond van artikel 58, tweede lid, onder a van de Pw. Met het onherroepelijke besluit van 21 december 2018 is daarbij vast komen te staan dat eiseres te veel bijstand heeft ontvangen, omdat de voor haar dochter ontvangen alimentatie niet op de bijstand in mindering is gebracht. Baanbrekers vordert daarom over de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 november 2015 het nettobedrag terug van € 354,94.

7.2.

Eisers voert aan dat terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de Pw achterwege moet blijven. Deze bepaling is echter niet van toepassing op haar situatie, maar uitsluitend geschreven voor de gevallen waarin geen sprake is van herziening of intrekking van een toekenningsbesluit, maar er toch (te veel) bijstand is verleend als gevolg van een administratieve vergissing aan de zijde van het bestuursorgaan die bij de toekenning of bij de uitbetaling van de bijstand is begaan.5 Deze bepaling geldt dus – anders gezegd - alleen voor de gevallen waarin de betaling van de bijstand als gevolg van een administratieve vergissing van het bestuursorgaan heeft plaatsgevonden.6 Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW gaat over de gevallen waarin het besluit tot verlening van de bijstand wordt herzien of ingetrokken, omdat blijkt dat dit besluit onjuist was.7 Daar is hier sprake van.

7.3.

Baanbrekers is op grond van artikel 58, tweede lid, onder a, van de Pw niet verplicht om tot terugvordering over te gaan. Uit paragraaf 7.2 van de Beleidsregels blijkt echter dat Baanbrekers als uitgangspunt tot terugvordering overgaat. Dit beleid is niet onredelijk.

7.4.

Baanbrekers heeft daarbij zorgvuldig gehandeld, door de terugvordering van de alimentatie te beperken tot de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 november 2015. Eiseres heeft, doordat de ontvangen alimentatie niet in mindering is gebracht op haar bijstandsuitkering, over een periode van iets meer dan twee jaren te veel bijstand ontvangen (juni 2015 tot en met augustus 2017). Baanbrekers heeft de terugvordering echter beperkt tot een periode van zes maanden. Dit is in lijn met vaste rechtspraak, waaruit volgt dat de bevoegdheid om onverschuldigd betaalde bijstand terug te vorderen beperkt is tot een periode van zes maanden, indien vanuit het bestuursorgaan niet adequaat wordt gereageerd op signalen waaruit het kon afleiden dat te veel of ten onrechte bijstand is verstrekt.8

Waren er dringende redenen van terugvordering af te zien?

8.1.

Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw kan alsnog van terugvordering worden afgezien indien daar “dringende redenen” voor zijn. Dringende redenen kunnen volgens vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en de terugvordering zou leiden tot een onaanvaardbare sociale en/of financiële situatie voor eiseres. Het is daarbij aan eiseres, als degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, om het bestaan van de gestelde dringende redenen aannemelijk te maken.9

8.2.

In het bezwaarschrift – waarnaar in beroep wordt verwezen - staat dat eiseres psychische klachten heeft. Eiseres heeft echter niets overgelegd waaruit blijkt dat zij (onaanvaardbare) psychische klachten ondervindt als gevolg van de terugvordering. Ook het feit dat eiseres zich in een penibele financiële situatie zou bevinden levert geen dringende reden op. De rechtbank ziet ook niet in waarom eiseres door de terugvordering ‘ver onder minimum’ zou geraken. Baanbrekers kan immers niet onbeperkt beslag leggen maar is, net als iedere andere schuldeiser, gebonden aan de regels van de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.10 Eiseres wordt hierdoor beschermd.

8.3.

Nu er geen dringende redenen zijn van terugvordering af te zien houdt de terugvordering stand.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.H.J. Vermariën, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 8 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet luidt:

Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend

Artikel 58, eerste lid, tweede lid onder a en e, vierde, vijfde en achtste lid, van de Participatiewet luiden:

1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

2. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:

a. anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; (…)

e. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of

4. Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand.

5. Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.

8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Paragraaf 7.2 van het Verzamelbesluit Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz luidt:

§ 7.2 Terugvordering

ARTIKEL 7:2:1 HET GEBRUIKMAKEN VAN DE WETTELIJKE BEVOEGDHEID

Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid tot:

a. het terugvorderen van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de Participatiewet;

b. het terugvorderen van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende IOAW, zoals neergelegd in artikel 25 van de IOAW;

c. het terugvorderen van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende IOAZ, zoals neergelegd in artikel 25 IOAZ.

ARTIKEL 7:2:2 TERUGVORDERING

Bijstand wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze artikelen.

ARTIKEL 7:2:3 TEN ONRECHTE VERLEENDE BIJSTAND

Het dagelijks bestuur vordert bijstand terug van de belanghebbende voor zover deze bijstand:

a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; (…)

ARTIKEL 7:2:6 AFZIEN VAN HET NEMEN VAN EEN BESLUIT TOT TERUGVORDERING

a. Het dagelijks bestuur neemt om pragmatische reden bij niet-fraudevorderingen lager dan € 50,00 op netto basis geen terugvorderingsbesluit.

b. Het dagelijks bestuur besluit geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor een dringende reden aanwezig is.

c. Indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid, treedt de wettelijke verplichting tot terugvordering in werking.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2056.

2 Dit blijkt uit artikel 7:1:1: onder a en artikel 7:1:2 onder b van de Beleidsregels Participatiewet, OAW, IOAZ en Bbz.

3 Dit volgt uit artikel 19, vierde lid, van de Pw.

4 Zie de uitspraak van de CRvB van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2461.

5 Zie de uitspraak van de CRvB van 26 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1165.

6 Zie Kamerstukken II, 1991/92, 22 545, nr. 3, blz. 171.

7 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5772).

8 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:599.

9 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1385 en van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2461.

10 Zie de uitspraak van de CRvB van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1385.