Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4238

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
AWB- 20_180
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/180 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2020 in de zaak tussen

[Eiser] , te [Plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. L.A. Versteegh,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 16 september 2019 (primair besluit) heeft het college eisers aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

In het besluit van 5 december 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 24 juli 2020. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en namens het college mr. D. Claessen.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser heeft op 7 augustus 2019 een uitkering op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande dakloze aangevraagd bij het college.

Bij brief van 13 augustus 2019 heeft het college eiser verzocht uiterlijk 27 augustus 2019 de volgende gegevens te verstrekken:

  • -

    een inlichtingenformulier (volledig ingevuld en ondertekend);

  • -

    indien eiser langer dan drie maanden geen inkomsten heeft: controleerbare en objectieve bewijsstukken waaruit blijkt hoe hij in de periode sinds september 2016 zonder inkomsten in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien (bewijzen van schenkingen, spaargeld, ondertekende verklaringen van derden inclusief kopie legitimatiebewijs van de betreffende persoon etc.;

  • -

    afschriften vanaf september 2016 tot 13 augustus 2019 van al eisers bank- en/of spaarrekeningen, waarop zijn naam, bankrekeningnummer en saldo staan vermeld (van hemzelf, partner en minderjarige kinderen). Indien van toepassing bewijs van blokkering van de rekeningnummers;

  • -

    recente bewijzen van vermogen (waardepapieren, kostbare bezittingen);

  • -

    recente bewijzen van schulden (schuldeiser, hoogte schuld, aflossing per maand);

  • -

    de verklaring(en) omtrent verblijf, specifiek en volledig ingevuld en ondertekend (per nacht het volledige adres, contactgegevens van de hoofdbewoner en handtekening hoofdbewoner);

  • -

    een volledig ingevulde en ondertekende inkomstenverklaring over de maand augustus 2019.

Bij brief van 26 augustus 2019 heeft het college eiser verzocht uiterlijk 2 september 2019 de nog ontbrekende stukken te verstrekken. Dit betrof de in de brief van 13 augustus 2019 onder streepje 2 en 3 genoemde gegevens.

Bij het primaire besluit is eisers aanvraag om bijstand van 7 augustus 2019 afgewezen. Het college stelt dat eiser onvoldoende informatie over zijn woonsituatie, verblijf en het voorzien in zijn levensonderhoud in de periode zonder inkomsten heeft verstrekt om zijn recht op bijstand vast te kunnen stellen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 12 november 2019 (zaaknummer BRE 19/5081 PW ) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Geschil

In geschil is de vraag of het college terecht eisers aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet heeft afgewezen.

3. Beroepsgronden

Eiser stelt dat het college voor de zevende keer zijn bijstandsaanvraag heeft afgewezen. Eiser stelt verder dat hij alle verzochte gegevens en verifieerbare stukken waarover hij redelijkerwijs kon beschikken al heeft verstrekt, en dat zijn recht op bijstand op basis van die stukken kan worden vastgesteld. Eiser stelt dat hij bijstandsbehoeftig is omdat hij enkel schulden heeft, geen inkomsten heeft en dat hij afwisselend bij zijn twee broers verblijft omdat hij geen zich geen woning kan veroorloven. Ten slotte stelt eiser dat het bestreden besluit op onjuiste en onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

4. Wettelijk kader

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet, heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

5. Beoordeling

5.1

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1814) moet een aanvrager in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

De te beoordelen periode loopt van 7 augustus 2019, de datum waarop eiser zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 16 september 2019, de datum van het besluit op de aanvraag.

Woon- en verblijfssituatie

5.2.1

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, moet volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 21 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:596) worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn hoofdverblijf te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. In geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager om hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen.

5.2.2

Het college heeft eiser bij brief van 13 augustus 2019 onder meer verzocht

verklaringen omtrent verblijf te verstrekken. Hierbij heeft het college aangegeven dat de verklaringen specifiek en volledig ingevuld en ondertekend dienen te zijn, waarbij geldt dat per nacht het volledige adres, de contactgegevens van de hoofdbewoner en de handtekening van de hoofdbewoner dienen te zijn ingevuld. Eiser heeft hierop een verklaring omtrent verblijf van de maand augustus 2019, een verklaring van zijn broer [Naam broer 1] van
19 december 2018 en een verklaring van zijn broer [Naam broer 2] van 30 augustus 2019 verstrekt aan het college.

5.2.3

De verklaring omtrent verblijf van 28 augustus 2019, die ziet op de maand augustus 2019, geeft de adressen en voornamen van de personen weer bij wie eiser verbleef van
13 augustus 2019 tot en met 28 augustus 2019. Deze verklaring omtrent verblijf voldoet niet aan de eisen die het college bij brief van 13 augustus 2019 aan de verklaring heeft gesteld. Een deel van de maand augustus 2019 ontbreekt immers. Daarnaast is de verklaring niet volledig ingevuld en bevat deze geen contactgegevens en geen handtekeningen van de hoofdbewoners.

5.2.4

In bezwaar heeft eiser verklaringen omtrent verblijf over de maanden september, oktober en november 2019 verstrekt aan het college. Deze verklaringen voldoen wel aan alle door het college in de brief van 13 augustus 2019 gestelde eisen. De verklaringen zien echter grotendeels niet op de te beoordelen periode.

5.2.5

Eiser heeft tevens verklaringen van zijn broers aan het college verstrekt. In de verklaring van eisers broer [Naam broer 1] van 19 december 2018 geeft deze aan dat hij eiser heeft voorzien in zijn levensonderhoud in de periode van 1 september 2018 tot
19 december 2018. In de verklaring van eisers broer [Naam broer 2] van 30 augustus 2019 geeft deze aan dat hij eiser heeft voorzien in zijn levensonderhoud in de periode vóór
1 september 2018. Hij geeft aan dat hij eiser een tijdelijke slaapplaats, eten en kleding heeft geboden.

5.2.6

In bezwaar heeft eiser aanvullende verklaringen van [Naam broer 1] en [Naam broer 2]
van 7 november 2019 aan het college verstrekt. [Naam broer 2] verklaart hierin dat hij eiser van 1 september 2016 tot 7 november 2019 heeft voorzien van:

  • -

    primaire levensbehoefte eten en drinken (ontbijt, lunch en diner);

  • -

    onderdak om te slapen (+/- 4 dagen in de week);

  • -

    zakgeld om te reizen met het openbaar vervoer (variabele bedragen van € 5,- tot € 10,-);

  • -

    gebruik van toilet, douche en toiletartikelen.

[Naam broer 1] verklaart in zijn aanvullende verklaring dat hij eiser van
1 september 2018 tot 31 december 2018 heeft voorzien van:

  • -

    eten en drinken (meestal ontbijt en diner);

  • -

    kleding (oude kleding);

  • -

    slaapplek (+/- 4 dagen in de week);

  • -

    2 à 3 wekelijkse zakgeld (€ 20,-);

  • -

    medicijnen (paracetamol en naproxennatrium);

  • -

    gebruik van wasruimte (lichamelijk en kleding).

5.2.7

Het college stelt dat de verklaring omtrent verblijf van 28 augustus 2019 niet was voorzien van gegevens van de hoofdbewoners, waardoor het college niet heeft kunnen controleren en verifiëren of de door eiser ingevulde informatie juist was. Tevens stelt het college dat eiser een onjuist adres van zijn broer heeft opgegeven en dat op de verklaring niet voldoende duidelijk en concreet is aangegeven waar eiser in september 2019 zou gaan verblijven.

5.2.8

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onder 5.2.2 tot en met 5.2.7 opgenomen verklaringen omtrent de woon- en verblijfssituatie van eiser in de te beoordelen periode geen juiste en volledige informatie over eisers woon- en verblijfssituatie in de maand augustus 2019. Eiser heeft slechts voor een gedeelte van de maand augustus 2019 de verklaring omtrent verblijf ingevuld en het adres van [Naam broer 2] bleek onjuist te zijn. Bovendien bevatten de verklaringen van [Naam broer 2] van 30 augustus 2019 en
7 november 2019 tegenstrijdigheden wat betreft de maand augustus 2019. Het college heeft zich hierom terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en verblijfssituatie in de maand augustus 2019.

5.2.9

Wat in 5.2.8 is opgenomen geldt echter niet voor de maand september 2019. Eisers verklaring omtrent verblijf die ziet op de maand september 2019 voldoet aan alle door het college in de brief van 13 augustus 2019 gestelde eisen. Bovendien zijn de verklaringen van [Naam broer 2] van 30 augustus 2019 en 7 november 2019 niet tegenstrijdig wat betreft de maand september 2019. De verklaring van 30 augustus 2019 was immers vóór de maand september 2019 opgesteld. De verklaring van 7 november 2019 geeft duidelijk weer in welke periode [Naam broer 2] eiser in zijn levensonderhoud heeft voorzien en welke aspecten dat onderhoud kende. Verder zijn in de verklaringen de contactgegevens, de handtekening en een kopie van het rijbewijs van [Naam broer 2] opgenomen, waardoor de verklaring voldeed aan de door het college aan verklaringen van derden gestelde eisen. Bovendien had het college met de gegevens in de verklaring de mogelijkheid om de juistheid en volledigheid van de inlichtingen te controleren. Dit heeft het college niet gedaan. Met de verklaring omtrent verblijf die ziet op de maand september 2019 en de verklaring van [Naam broer 2] van 7 november 2019 heeft eiser voldoende duidelijkheid verschaft over zijn woon- en verblijfssituatie in de maand september 2019.

Financiële situatie

5.3.1

Op grond van vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 7 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2162) is een bijstandsverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. In het kader van dat onderzoek kan het bijstandsverlenend orgaan van de betrokkene, indien daarvoor een concrete aanleiding is, inzage verlangen in de giro- en bankafschriften uit een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden en om overlegging van andere financiële gegevens over een dergelijke periode.

5.3.2

Het college heeft eiser bij brieven van 13 en 26 augustus 2019 verzocht gegevens te verstrekken die aantonen hoe eiser vanaf september 2016 zonder inkomsten in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Eiser heeft in dit kader bankafschriften over de periode september 2016 tot en met 5 juli 2019 verstrekt, een inkomstenverklaring van augustus 2019, bewijzen van zijn schulden en inkomen en tevens de in 5.2.5 en 5.2.6 opgenomen verklaringen. Eiser stelt dat hij hierdoor alle verzochte gegevens en verifieerbare stukken waarover hij redelijkerwijs kon beschikken heeft verstrekt en dat zijn recht op bijstand op basis van die stukken kan worden vastgesteld.

5.3.3

Het college acht de verklaringen van eisers broers onvoldoende specifiek om vast te kunnen stellen hoe eiser in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Tevens acht het college het niet aannemelijk dat derden bijna twee jaar in eisers levensonderhoud hebben voorzien. Verder stelt het college dat de verklaringen van eisers broers niet met objectieve bewijsstukken zijn onderbouwd en dat [Naam broer 2] in zijn verklaring van 7 november 2019 in strijd met zijn verklaring van 30 augustus 2019 verklaart met betrekking tot de periode waarin hij eiser zou hebben voorzien in zijn levensonderhoud.

5.3.4

Zoals reeds volgt uit 5.2.8 en 5.2.9, oordeelt de rechtbank dat onvoldoende inzicht is gegeven in de wijze waarop eiser in de maand augustus 2019 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Met betrekking tot de maand september 2019 is dat wel het geval. Eisers recht op bijstand kan daarom vanaf 1 september 2019 worden vastgesteld.

5.4

Uit het voorgaande volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de periode van 7 augustus 2019 tot en met 31 augustus 2019. Het college heeft zich echter onterecht op het standpunt gesteld dat eisers recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de periode van 1 september 2019 tot en met 16 september 2019.

6. Conclusie

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de periode van 1 september 2019 tot en met 16 september 2019 en herroept het primaire besluit in zoverre.

De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door vast te stellen dat eiser vanaf 1 september 2019 recht heeft op een bijstandsuitkering.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de periode van 1 september 2019 tot en met 16 september 2019;

  • -

    herroept het primaire besluit in zoverre;

  • -

    bepaalt dat eiser recht heeft op een bijstandsuitkering vanaf 1 september 2019;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.575,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 7 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

de griffier is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.