Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4237

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
AWB- 20_363
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/363 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. A. Darrazi,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 25 september 2019 (primair besluit) heeft het college eisers recht op een bijstandsuitkering ingetrokken vanaf 20 september 2019.

In het besluit van 5 december 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 24 juli 2020. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, de heer [naam tolk] als tolk Engels en namens het college mr. D. Claessen.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser ontving sinds 28 september 2012 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Na een anonieme melding, inhoudende dat eiser niet op het [adres] te [plaatsnaam] woont, maar zijn kamer onderverhuurt en woont en werkt in Afrika, is het college een onderzoek gestart naar eisers recht op bijstand.

In het kader van het onderzoek is eiser bij brief van 5 september 2019 uitgenodigd voor een gesprek op 10 september 2019 en is hem gevraagd gegevens in te leveren, waaronder bankafschriften en een geldig identiteitsbewijs.

Op 10 september 2019 is het college uit telefonisch contact met eiser gebleken dat hij niet op het gesprek van die datum kon verschijnen, omdat hij aanwezig diende te zijn bij een zitting van de Rechtbank Limburg (locatie Roermond). De rapporteur heeft daarop met eiser afgesproken dat hij een nieuwe uitnodiging voor het gesprek zou ontvangen en dat hij bewijs zou aanleveren over de zitting in Roermond.

Bij brief van 12 september 2019 is eiser uitgenodigd voor een gesprek op 19 september 2019, waarbij hem werd gevraagd de bij brief van 5 september 2019 gevraagde gegevens te overleggen.

Op 17 september 2019 heeft eisers gemachtigde de gevraagde bankafschriften en het gevraagde bewijs van de zitting in Roermond aangeleverd.

Eiser is, zonder afmelding, niet verschenen op het gesprek van 19 september 2019.

Het college heeft daarop bij besluit van 19 september 2019 eisers recht op bijstand opgeschort per 20 september 2019. Tevens heeft eiser de gelegenheid gekregen zijn verzuim te herstellen door te verschijnen op het gesprek van 24 september 2019, onder medebrenging van zijn paspoort. In dit besluit is aan eiser meegedeeld dat, indien hij niet aanwezig is bij deze afspraak en/of de gevraagde gegevens niet uiterlijk 24 september 2019 inlevert, de uitkering kan worden beëindigd. Eiser is, zonder afmelding, niet verschenen op het gesprek van 24 september 2019.

In het primaire besluit heeft het college eisers recht op een bijstandsuitkering is ingetrokken vanaf 20 september 2019 op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet. Eiser heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit gehandhaafd.

Tegen het opschortingsbesluit van 19 september 2019 heeft eiser geen bezwaar gemaakt, waardoor dit besluit in rechte vaststaat.

2. Geschil

In geschil is de vraag of het college bevoegd was eisers recht op bijstand, na opschorting daarvan, in te trekken vanaf 20 september 2019.

3. Beroepsgronden

Eiser bestrijdt dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser stelt daartoe dat het niet noodzakelijk was voor de beoordeling van de voortzetting van het recht op uitkering om hem uit te nodigen voor een gesprek, waarbij hij zijn paspoort diende mee te nemen. Eiser stelt dat het overleggen van een paspoort niets te maken heeft met het recht op bijstand op
20 september 2019, omdat het college al over zijn rijbewijs beschikte. Eiser stelt dat uit overgelegde bankafschriften en zijn aanwezigheid bij Rechtbank Limburg (locatie Roermond) blijkt dat hij in Nederland verblijft en betalingen in [plaatsnaam] verricht. Eiser stelt dat het bestreden besluit hierdoor in strijd is met het motiveringsbeginsel.

Eiser stelt dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij redelijkerwijs op de hoogte was van hun verzoek. Eiser stelt de brieven van 12 en 19 september 2019 niet te hebben ontvangen, wat volgens hem niet is bestreden door het college in bezwaar. Eiser stelt dat uit de stukken van het college niet blijkt dat de brief op zijn woonadres is aangeboden en hij stelt dat hij geen afhaalbericht van PostNL heeft ontvangen. Eiser stelt verder dat, mocht de rechtbank oordelen dat er wel een afhaalbericht is achtergelaten, alle post van zijn woonadres in één brievenbus aankomt, waardoor niet ondenkbaar is dat het afhaalbericht bij de post van een huisgenoot zat. Eiser stelt dat hij hierdoor geen (eerste) kans heeft gehad om de gevraagde stukken in te leveren en op gesprek te komen.

4. Wettelijk kader

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet, heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Op grond van het tweede lid doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Op grond van het vierde lid kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

5. Beoordeling

5.1

Bij de beantwoording van de vraag of het college bevoegd is, na opschorting, het recht op bijstand van eiser in te trekken, moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld of de betrokkene heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken (zie de uitspraak van de CRvB van 14 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1017). Indien dat het geval is, moet vervolgens worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken wanneer het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken, die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens, waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

5.2

Vaststaat dat eiser niet is verschenen op de gesprekken van 19 en 24 september 2019, waarvoor hij door het college bij brief van 12 september 2019 en besluit van
19 september 2019 was uitgenodigd. Verder staat vast dat eiser de in deze brieven gevraagde stukken niet binnen de daartoe gestelde hersteltermijn heeft verstrekt. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of eiser ten aanzien van het niet verschijnen op deze gesprekken en het niet verstrekken van de stukken een verwijt kan worden gemaakt.

5.3

Eiser heeft aangevoerd dat het verschijnen op een gesprek en het inzage geven in zijn paspoort niet noodzakelijk was voor de beoordeling van de voortzetting van het recht op uitkering. Het college heeft in verweer aangevoerd dat het verlangen van verschijnen op een afspraak en inzage in het paspoort in het licht van de over eiser binnengekomen melding niet onredelijk bezwarend voor eiser waren en dat eiser deze afspraken na diende te komen in het kader van de inlichtingenplicht. Tevens heeft het college aangevoerd dat het geen inzage in het paspoort heeft verlangd om de identiteit van eiser vast te stellen, aangezien die al bekend was, maar om te controleren of er reisstempels aanwezig waren.

Volgens vaste rechtspraak is het vragen om inzage in een paspoort van belang voor de verlening van de bijstand, omdat het college aan de hand van de in- en uitreisstempels kan controleren of, en zo ja hoe lang, eiser in het buitenland heeft verbleven (zie de uitspraak van de CRvB van 19 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1826). In het licht van de melding dat eiser in Afrika zou wonen en werken, geldt dit des te meer. Deze beroepsgrond van eiser slaagt hierom niet.

5.4

Verder heeft eiser aangevoerd dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet verschijnen op de gesprekken, omdat hij de brief van 12 september 2019 en het besluit van 19 september 2019 niet heeft ontvangen. Het staat vast dat het college de brief van
12 september niet aangetekend heeft verstuurd. Eveneens staat vast dat eiser het wel aangetekend verzonden besluit van 19 september 2019 niet heeft opgehaald op het ophaalpunt van PostNL.

De rechtbank overweegt dat de hoogste bestuursrechters als uitgangspunt hanteren dat, in geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnde document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie (zie de uitspraak van de CRvB van 19 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:175).

De brief van 12 september 2019 is gericht aan het juiste adres. Ter zitting is desgevraagd echter door het college erkend dat niet aan de hand van een deugdelijke verzendadministratie aannemelijk kan worden gemaakt dat de brief van 12 september 2019 op die datum daadwerkelijk naar het adres van eiser is verzonden. Dat eiser stelt de brief niet te hebben ontvangen komt aldus voor rekening en risico van het college.

Eiser heeft bovendien aangegeven dat hij, nu dat was afgesproken met de rapporteur in het telefonische contact op 10 september 2019, in afwachting was van een nieuwe uitnodiging voor een gesprek. Gezien het ongebruikelijk korte tijdsverloop tussen het telefonische contact op 10 september 2019 en de brief van 12 september 2019 kon niet van eiser worden verwacht dat hij uit eigen beweging al contact had opgenomen met het college om te vragen waar de nieuwe uitnodiging voor een gesprek bleef. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet verschijnen op het gesprek van 19 september 2019 eiser dan ook niet te verwijten.

Het besluit van 19 september 2019 is wel aangetekend verzonden door het college. Indien een besluit aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten (zie de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2762).

Uit de Track&Trace-gegevens van PostNL, die zijn opgenomen in het dossier, blijkt dat het besluit op 20 en 21 september 2019 op het adres van eiser is aangeboden en vervolgens naar afhaalpunt COOP [plaatsnaam] aan het [adres 2] te [plaatsnaam] is gebracht om door eiser te worden opgehaald. Eiser stelt het afhaalbericht niet te hebben ontvangen, maar heeft geen feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het afhaalbericht door PostNL is achtergelaten. Het niet ophalen van het besluit van
19 september 2019 bij het afhaalpunt komt daarom voor rekening en risico van eiser. De stelling van eiser dat op zijn adres mogelijk post wordt achtergehouden door huisgenoten leidt niet tot een ander oordeel. De wijze waarop de post, na correcte bezorging aan het opgegeven adres, intern verder wordt behandeld, komt voor risico van de geadresseerde (zie de uitspraak van de CRvB van 23 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2532). Het niet verschijnen op het gesprek van 24 september 2019 kan eiser hierom wel worden verweten.

5.5

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het college de verzending van de brief van
12 september 2019 niet aannemelijk heeft gemaakt en eiser het niet verschijnen op het gesprek van 19 september 2019 niet te verwijten valt, dient het besluit van 19 september 2019 te worden aangemerkt als de eerste uitnodiging van het college waarvan eiser op de hoogte had dienen te zijn. Eiser kan dus worden verweten dat hij niet op het gesprek van
24 september 2019 is verschenen en dat hij toen niet de gevraagde gegevens heeft ingeleverd. Dit betekent dat eiser vanaf 24 september 2019 in verzuim was en het college hem (alsnog) een termijn had moeten geven om dit verzuim te herstellen. Dit is – door de feitelijke gang van zaken – nu niet gebeurd. Hierdoor heeft het college in strijd gehandeld met artikel 54, tweede lid, van de Participatiewet.

5.6

Uit het voorgaande volgt dat het college niet bevoegd was eisers recht op bijstand in te trekken vanaf 20 september 2019 en dat het beroep voor gegrondverklaring gereed ligt.

6. Conclusie

Het beroep zal gegrond worden verklaard. Tevens zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 4 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.