Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4232

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
BRE-19_2705GHK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Geheimhoudingsbeslissing
Inhoudsindicatie

geheimhoudingskamer; Partijen zijn overeengekomen dat het door de inspecteur ingediende stuk zowel geschoond als ongeschoond, niet is aan te merken als een op de zaak betrekking hebben stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2020
V-N Vandaag 2020/2140
FutD 2020-2583
V-N 2020/60.29.13
NTFR 2020/2765
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, geheimhoudingskamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/2705

beslissing van 10 september 2020

Beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [Plaats], Verenigde Staten,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij brieven van 17 augustus 2020 zijn partijen uitgenodigd voor de behandeling van de zaak door de meervoudige kamer ter zitting op 24 september 2020.

1.2.

Bij brief van 7 augustus 2020 heeft de inspecteur een aanvulling op zijn verweerschrift ingediend en daarbij een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan van Bijlage 109. Het betreft een door de inspecteur gemaakte notitie van een op 28 februari 2020 met de competente autoriteit in de Verenigde Staten gevoerd telefoongesprek. De ongeschoonde versie van dit stuk heeft de inspecteur in een afzonderlijke envelop aan de rechtbank overgelegd.

1.3.

Bij brief van 18 augustus 2020 is van de zijde van belanghebbende op het in 1.2 genoemde verzoek gereageerd.

1.4.

Bij brief van 28 augustus 2020 heeft de inspecteur een geschoonde versie van het stuk overgelegd.

1.5.

Bij brief van 31 augustus 2020 is van de zijde van belanghebbende op de in 1.4 genoemde brief gereageerd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2020 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, van de zijde van belanghebbende, [A], en namens de inspecteur [verweerder]. Een afschrift van het proces-verbaal van de zitting wordt tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen gezonden.

2 Overwegingen

2.1.

Ter zitting heeft de inspecteur zich bij nader inzien op het standpunt gesteld dat Bijlage 109 geen op de zaak betrekking hebbend stuk is. [A] heeft hierop verklaard dezelfde mening te zijn toegedaan.

2.2.

De geheimhoudingskamer ziet geen aanleiding om af te wijken van de eensluidende opvatting van partijen dat Bijlage 109 geen op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb is. Hierdoor komt de geheimhoudingskamer niet toe aan een beoordeling van de vraag of met betrekking tot Bijlage 109 met vrucht een beroep op artikel 8:29 van de Awb kan worden gedaan.

2.3.

Wel is in dit verband nog het volgende van belang. Ter zitting is ingegaan op de situatie die ontstaat indien de kamer die de hoofdzaak behandelt (hierna: de hoofdkamer) van oordeel is dat de vraag of Bijlage 109 een op de zaak betrekking hebbend stuk in vorenbedoelde zin is, moet worden beantwoord door de hoofdkamer, ongeacht of partijen daarover een geschil aan hem hebben voorgelegd. [A] heeft verklaard dat hij, voor het geval de hoofdkamer zich gehouden acht ambtshalve de naleving van artikel 8:42 van de Awb te toetsen, ter zake van de beperkte kennisneming van Bijlage 109 de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid van de Awb verleent.

2.4.

Zoals ter zitting partijen is voorgehouden wordt de beslissing over een eventuele proceskostenveroordeling aangehouden, omdat hierover in de einduitspraak moet worden geoordeeld. Evenzeer ter beantwoording door de hoofdkamer is de ontvankelijkheidsvraag die de inspecteur in het verweerschrift heeft opgenomen. Met het hanteren van onderstaande alternatieve wijze voor het doen van openbare uitspraak hebben partijen ter zitting ingestemd.

3 Beslissing

De rechtbank bepaalt dat het stuk dat de inspecteur heeft aangeduid als Bijlage 109, zowel geschoond als ongeschoond, niet is aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb.

Deze beslissing is gegeven op 10 september 2020 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze beslissing openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.