Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4210

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
02-053232-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot doodslag/zware mishandeling. Openlijke geweldpleging en mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Taakstraf van 200 uur en 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/053232-19

vonnis van de meervoudige kamer van 8 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Nicolaes, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 4 maart 2019 te Tilburg primair schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag/poging tot zware mishandeling dan wel subsidiair aan openlijke geweldpleging dan wel meer subsidiair aan mishandeling.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De officier van justitie stelt op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] , de getuigenverklaring van [naam 1] , het letsel in het gezicht van [slachtoffer 1] en de camerabeelden vast dat verdachte met kracht meermalen tegen het gezicht, hoofd en lichaam van [slachtoffer 1] heeft geslagen en geschopt. Verdachte heeft door [slachtoffer 1] te slaan en schoppen tegen het hoofd willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood aanvaard. Ook acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 2] . Zij baseert zich hierbij op de aangifte van [slachtoffer 2] , de bekennende verklaring van verdachte en de camerabeelden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte tegen het gezicht/hoofd van [slachtoffer 1] heeft geschopt, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. De verdediging is van mening dat de camerabeelden hierover duidelijkheid scheppen, nu op de camerabeelden niet is te zien dat verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer 1] trapt. Het door verdachte meermalen trappen en slaan tegen het (boven)lichaam van [slachtoffer 1] is onvoldoende om te kwalificeren als een poging tot doodslag/poging tot zware mishandeling. De verdediging verzoekt daarom verdachte vrij te spreken voor het onder 1 primair tenlastegelegde feit. Voor wat betreft de subsidiair tenlastegelegde openlijke geweldpleging acht de verdediging de geweldshandelingen voor zover die inhouden het trappen tegen het hoofd en het meermalen slaan tegen het hoofd niet bewezen en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. De verdediging refereert zich voor feit 2 aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 1

Feit 1:

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting vast dat verdachte samen met zijn zusje en een vriend geweld heeft gebruikt tegenover [slachtoffer 1] .

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 1] de eerste klap(pen) heeft gegeven. Hoewel verdachte bij de politie ontkent dat hij [slachtoffer 1] daarbij in het gezicht heeft geraakt, verklaart verdachte op de zitting dat dit wel mogelijk is geweest. Ook heeft verdachte bekend dat hij, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, meermalen tegen het (boven)lichaam van [slachtoffer 1] heeft geslagen en geschopt. Verdachte ontkent echter stellig dat hij [slachtoffer 1] , terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, in het gezicht of tegen het hoofd heeft geslagen en geschopt.

De rechtbank heeft de camerabeelden van de geweldpleging ter zitting meermalen bekeken. Uit de camerabeelden kan worden afgeleid dat [slachtoffer 1] op zijn linkerkant op de grond tegen de pui van de [naam 2] valt en blijft liggen. Vervolgens slaat en schopt verdachte meermalen en met veel kracht tegen het (boven)lichaam van [slachtoffer 1] , waarbij [slachtoffer 1] op enig moment na een trap zijn handen richting zijn hoofd brengt om zijn hoofd te beschermen. Uit de aangifte en de foto’s in het dossier is duidelijk geworden dat [slachtoffer 1] een blauw oog en een snee naast zijn rechteroog heeft opgelopen, die met drie hechtingen moest worden gehecht. Door de verdediging is aangevoerd dat dit letsel kan zijn ontstaan door de val van [slachtoffer 1] op de grond tegen de pui. De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat voornoemd letsel niet alleen kan zijn ontstaan door de val. Zij wijst daarbij op het letsel aan de rechterkant van het gezicht van [slachtoffer 1] , terwijl [slachtoffer 1] met zijn linkerkant op de grond is gevallen. De rechtbank is echter van oordeel dat op basis van de camerabeelden niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte ook tegen het hoofd van [slachtoffer 1] schopt. Bovendien ontbreekt een medische verklaring betreffende [slachtoffer 1] , waardoor onduidelijk is gebleven welk letsel dit geweld bij hem heeft veroorzaakt.

De rechtbank concludeert dat op basis van de camerabeelden in samenhang met de aard van het letsel in voldoende mate vast staat dat verdachte tegen het gezicht en het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geslagen, maar dat in onvoldoende mate kan worden vastgesteld dat verdachte ook tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geschopt, terwijl deze op de grond lag.

De rechtbank is verder van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de door verdachte en zijn medeverdachten gepleegde geweldshandelingen de dood althans zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] tot gevolg zouden kunnen hebben. Verdachte heeft weliswaar tegen het hoofd geslagen en vervolgens terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag met veel kracht tegen het lichaam van [slachtoffer 1] geslagen en geschopt, maar door het ontbreken van een medische verklaring is onduidelijk of deze geweldshandelingen de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zouden kunnen hebben gehad. Deze slagen en trappen zijn met name tegen het bovenlichaam van [slachtoffer 1] terechtgekomen. Van enig, dan wel ernstig, letsel op het bovenlichaam van [slachtoffer 1] is echter niet gebleken. De rechtbank is daarmee van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich door zo te handelen willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag althans poging tot zware mishandeling in vereniging.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 subsidiair tenlastegelegde openlijke geweldpleging in vereniging.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 subsidiair
op 4 maart 2019 te Tilburg met anderen, op de openbare weg, Pieter Vreedeplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het meermalen met kracht
- slaan en stompen tegen het gezicht en het hoofd en het lichaam en terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag
- schoppen/trappen tegen het lichaam.

Feit 2
op 4 maart 2019 te Tilburg [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] voornoemd met kracht tegen het gezicht te slaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 240 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 231 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 150 uur.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om bij de bepaling van de straf rekening te houden met het relatief beperkte letsel bij [slachtoffer 1] en het gegeven dat er geen sprake is van zichtbaar letsel bij [slachtoffer 2] . Ook verzoekt de verdediging om rekening te houden met de specifieke situatie die heeft geleid tot het delict, de jonge leeftijd van verdachte en de inhoud van het reclasseringsadvies waaruit onder meer blijkt dat verdachte zich uitstekend aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. De schorsing met huisarrest heeft veel indruk gemaakt en heeft verdachte ook als een vorm van straf ervaren. De verdediging verzoekt om verdachte in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging. Verdachte heeft met zijn mededaders op de openbare weg fysiek geweld gebruikt tegen met name het slachtoffer [slachtoffer 1] . Het slachtoffer is tijdens de geweldsplegingen tegen het hoofd geslagen en, terwijl hij weerloos op de grond lag, tegen het lichaam geslagen en geschopt. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door met een krachtige slag slachtoffer [slachtoffer 2] knock-out te slaan. Hoewel de rechtbank goed kan begrijpen dat de mishandeling van zijn opa door [slachtoffer 1] een paar maanden voorafgaand aan deze feiten emoties bij verdachte heeft opgeroepen, had verdachte nooit op deze wijze de confrontatie aan moeten gaan. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij dusdanig fors geweld heeft gebruik.

Verdachte heeft door zijn gewelddadige handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit ernstig aangetast. Dat het lichamelijk letsel bij de slachtoffers relatief beperkt is gebleven, is niet aan het handelen van verdachte te danken geweest. De slachtoffers hebben op dit punt simpelweg geluk gehad.

Verder rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij samen met zijn medeverdachten door hun gewelddadige handelingen heeft bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid en angst bij het uitgaanspubliek en de samenleving. Uit de beelden blijkt dat veel voorbijgangers het geweld hebben gezien en daarna [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bewusteloos hebben zien liggen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het feit dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van de reclassering van 20 februari 2020. Uit het advies volgt dat verdachte zijn leven op orde heeft. Verdachte volgt een HBO-studie, heeft een bijbaan en er zijn geen schulden. Verder is het contact met zijn familie en zijn sociaal netwerk goed en ondersteunend. Er is sprake van een hechte familie waarbij verdachte het welzijn van zijn familieleden erg belangrijk vindt en zich hier verantwoordelijk voor voelt, hetgeen tevens van invloed is geweest op het tenlastegelegde. Verdachte heeft geen pro-criminele houding en hij streeft een conventioneel leven na. Ook heeft verdachte zich gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. De reclassering is van mening dat reclasseringstoezicht of interventies niet nodig zijn, maar geeft aan dat een voorwaardelijk strafdeel verdachte er mogelijk van zal weerhouden zich te begeven in risicovolle situaties. De reclassering is van mening dat het van belang is dat de studie van betrokkene doorgang blijft vinden. De reclassering geeft de rechtbank daarom in overweging om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten voor openlijke geweldpleging. De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de strafoplegging een taakstraf van 150 uur.

De rechtbank ziet in de mate en intensiteit van het geweld en de omstandigheden waaronder het geweld is gepleegd reden om in strafverzwarende zin af te wijken van het oriëntatiepunt. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte een geoefend vechtsporter is, die moet weten welke impact de toepassing van geweld kan hebben, wat hem er niet van heft weerhouden dit in te zetten. De rechtbank acht een taakstraf van 200 uur met aftrek van het voorarrest passend.

Gelet op de ernst van het feit en als signaal aan de samenleving dat het onderhavige geweld onder geen beding kan worden getolereerd, is de rechtbank van oordeel dat naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 2: Mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uur;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Prenger, voorzitter, mr. Collombon en mr. Fontein, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Koster, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 september 2020.

Mrs. Collombon en mr. Fontein zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

9 Bijlage I

De tenlastelegging

Feit 1 primair
Hij op of omstreeks 4 maart 2019 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] voornoemd meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 1 subsidiair
hij op of omstreeks 4 maart 2019 te Tilburg met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, in elk geval op of aan een openbare weg, Pieter Vreedeplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het meermalen (met kracht)
- slaan en/of stompen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam en/of (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag)
- schoppen/trappen op/tegen het hoofd en/of het lichaam;

Feit 1 meer subsidiair
hij op of omstreeks 4 maart 2019 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] voornoemd meermalen (met kracht)
- te slaan en/of te stompen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam en/of (terwijl die [slachtoffer 1] voornoemd op de grond lag)
- te schoppen/trappen op/tegen het hoofd en/of het lichaam, waardoor die [slachtoffer 1] pijn en/of letsel heeft bekomen;

Feit 2
hij op of omstreeks 4 maart 2019 te Tilburg [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] voornoemd met kracht in/tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan en/of stompen.

10 Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Feit 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2019052679 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 183.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 4 maart 2019, pagina 104 van het eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik liep op het Pieter Vreedeplein te Tilburg ter hoogte van de [naam 2] toen ik belaagd werd.

Ik weet dat ik ineens op de grond lag. Ik heb veel pijn aan mijn hoofd.

De eigen waarneming van de rechtbank van de fotobijlage I en II bij het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 4 maart 2019, pagina’s 106 en 107 van het eindproces-verbaal, inhoudende:

Op de foto’s is te zien dat het gelaat en de kleding van [slachtoffer 1] onder het bloed zitten. De rechterkant van het gelaat van [slachtoffer 1] is opgezwollen.

Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 5 maart 2019, pagina 108 van het eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik zag dat de groep op ons af kwamen rennen. Ter hoogte van de [naam 2] voelde ik klappen tegen mijn hoofd. Ik kreeg de eerste klappen van iemand die een rode overall aan had. Door de klappen viel ik op de grond. Ik probeerde mijn hoofd met mijn armen te beschermen maar ik bleef klappen en trappen tegen mijn hoofd en lichaam aan krijgen. Ik had veel pijn aan mijn hoofd en lichaam. Ik ben door de ambulance meegenomen naar het Elisabethziekenhuis. Ze hebben drie hechtingen naast mijn oog moeten zetten.

De eigen waarneming van de rechtbank van de fotobijlage I en II bij het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 5 maart 2019, pagina’s 110 en 111 van het eindproces-verbaal, inhoudende:

Op de foto’s is te zien dat [slachtoffer 1] een snee naast zijn rechteroog heeft, die is gehecht. Ook is op de foto’s te zien dat [slachtoffer 1] een gezwollen en blauw rechteroog heeft.

De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 25 augustus 2020,

- zakelijk weergegeven -:

Ik wilde [slachtoffer 1] aanspreken op wat hij twee maanden geleden bij mijn opa heeft gedaan en hoeveel impact dit heeft gehad op mijn familie. Ik sprak hem aan en hij antwoordde met “boeie ik ken die gast niet”. Ik werd boos en ben vanuit mijn boosheid de controle verloren. Ik heb hem de eerste klap gegeven. Ik heb niet gezien waar ik hem toen heb geraakt. Het zou kunnen dat ik [slachtoffer 1] daarbij in het gezicht heb geraakt. [slachtoffer 1] is toen gaan rennen en is vervolgens gestruikeld waardoor hij op de grond is gevallen tegen de pui van de [naam 2] . Hij lag met zijn rug naar mij toe en hij beschermde zijn hoofd met zijn handen. Ik heb hem vervolgens toen hij op de grond lag meermalen tegen zijn arm, schouders en rug geslagen en geschopt.

Het proces-verbaal van bevindingen (uitkijken camerabeelden Stadstoezicht Tilburg), pagina 131 van het eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Naar aanleiding van het gepleegde geweld op 4 maart 2019 heb ik, verbalisant [verbalisant] , de camerabeelden van cameratoezicht van de gemeente Tilburg uitgekeken.

De handelingen zijn per verdachte uitgeschreven.

Verdachte 1: [verdachte] .

Signalement:

- Man

- Blank/ licht getint

- Rond de 20 jaar oud

- Smal postuur

- 1.85/ 1.90 meter lang

- Donker/ zwart haar

- Rode overall, onder de overal komt een wit/ zwarte capuchon uit

- Witte schoenen

Op 8 minuten en 5 seconden kwam verdachte 1 links het beeld in gerend samen met een

man met een geel/ groene jas aan en blonde rasta haren. Deze persoon zal verder genoemd zijn als slachtoffer 1. Al rennend sloeg verdachte 1 slachtoffer 1 en deze kwam struikelend ten val. Slachtoffer 1 stond op en verdachte 1 rende er achteraan en probeerde hem daarna meermalen te slaan. Vervolgens schopte verdachte 1 met een gestrekt been richting slachtoffer 1. Slachtoffer 1 kwam vervolgens ten val omdat hij ergens over uitgleed. Slachtoffer 1 viel vervolgens tegen de pui aan van de [naam 2] Verdachte 1 schopte daarna met zijn rechtervoet tegen slachtoffer 1. Dit leek met kracht gepaard te gaan. Verdachte 1 liep vervolgens terug richting het hoofd van slachtoffer 1. Verdachte 1 werd door een jongen met gele broek tegengehouden en hij begon hem ook te slaan. Verdachte 1 liep vervolgens weer richting slachtoffer 1 en sloeg hem twee keer, met zijn rechtervuist, tegen het hoofd aan. Daarna schopte hij hem twee keer met zijn rechtervoet. Ik zag dat dit met kracht gebeurde.

Het proces-verbaal van bevindingen (uitkijken camerabeelden [naam 2] Tilburg), pagina 141 van het eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op maandag 4 maart 2019, omstreeks 23:20 uur, kwam er een melding binnen van cameratoezicht met betrekking tot een vechtpartij gaande op het Pieter Vreedeplein in

Tilburg, ter hoogte van het warenhuis [naam 2] . Naar aanleiding van dit incident, werd door het onderzoeksteam een cameraproject opgestart. Tijdens dit onderzoek werden onder andere de volgende camerabeelden veiliggesteld:

  • -

    Camerabeelden gefilmd met de buitencamera (1) van de [naam 2] De camera is bevestigd aan de muur van het warenhuis en gericht op het Pieter Vreedeplein in Tilburg uit de hoek van de IJzerstraat en de Pieter Vreedestraat in Tilburg.

  • -

    Camerabeelden gefilmd met de binnencamera (2) van de [naam 2] . De camera is bevestigd in het warenhuis en gericht op de entree / uitgang naar het Pieter Vreedeplein in Tilburg.

De camerabeelden zijn door mij, verbalisant [Naam 3] , uitgekeken op donderdag 7 maart 2019.

Slachtoffer 1: [slachtoffer 1] ( [geboortedag slachtoffer 1] -1996):

Slachtoffer 2: [slachtoffer 2] ( [geboortedag slachtoffer 2] -1990)

Verdachte 1: [verdachte] ( [geboortedag] -2000)

Verdachte 2: [medeverdachte 1] ( [geboortedag medeverdachte 1] -2002)

Verdachte 3: [medeverdachte 2] ( [geboortedag medeverdachte 2] -1999)

Vanaf de eerste seconden van de camerabeelden van camera 1 zag ik dat slachtoffer 1 vanuit de linkerzijde in beeld komt. Hij rende linksom de twee bomen, waarbij hij op de voet werd gevolgd door verdachte 1, die slachtoffer 1 ter hoogte van de tweede boom inhaalde. Enkele meters daarachter rende verdachte 2 in dezelfde richting als slachtoffer 1 en verdachte 1. Verdachte 1 haalde een slaande beweging uit naar slachtoffer 1, die miste of schampte, waarop slachtoffer 1 struikelend viel en gelijk weer opstond. Verdachte 1 en 2 naderde slachtoffer 1 en probeerde hem beiden te slaan. Ik zag dat op dit moment ook verdachte 3 en een man met een gele broek en grijs vest met een capuchon op slachtoffer 1 naderden. De man in de gele broek wordt hierna betrokkene 1 genoemd. Slachtoffer 1 rende weg en verdachte 1 maakte een hoge trap gericht naar slachtoffer 1 in de lucht. De trap raakte slachtoffer 1 niet. Ik zag dat slachtoffer 1 uitgleed en ten val kwam, tegen de etalage van de [naam 2] met zijn gezicht richting de pui en zijn rug gericht naar het Pieter Vreedeplein. Ik zag vanuit de binnencamera dat slachtoffer 1 bij deze val met de linkerkant van zijn hoofd tegen de grond kwam. Vervolgens ging verdachte 3 direct na de val van slachtoffer 1 naar slachtoffer 1 en schopte slachtoffer 1 met zijn rechtervoet tegen zijn rug, terwijl deze op de grond lag. Verdachte 1 ging ook naar slachtoffer 1 en schopte hem ook met zijn rechterbeen tegen zijn rug. Verdachte 1 schopte vervolgens slachtoffer 1 ter hoogte van de schouder en leek deze te schampen. Ik zag dat verdachte 1 gelijk weer slachtoffer 1 schopte. Ik zag hoe slachtoffer 1 zijn handen vervolgens achter zijn hoofd legde. Vervolgens stapte verdachte 1 uit richting de pui en ging verdachte 2 voor verdachte 1 langs en schopte slachtoffer 1 vijfmaal raak tegen de schouder / bovenrug.

Nadat verdachte 1 de trap tegen slachtoffer 2 miste, zag ik dat hij werd beetgepakt door betrokkene 1. Ik zag hoe betrokkene 1 verdachte 1 probeerde mee te trekken aan zijn rode overall en zijn rechterarm. Ik zag hoe verdachte 1 zich probeerde los te trekken. Verdachte 2 hielp verdachte 1 los te komen door hem uit de greep van betrokkene 1 te halen. Verdachte 1 wist los te komen en richtte zich weer op de slachtoffers. Ik zag dat verdachte 1 flink uithaalde en slachtoffer 1 sloeg, ter hoogte van zijn schouder. Vervolgens verloor verdachte 1 zijn evenwicht en kwam met zijn knie op slachtoffer 1 terecht. Ik zag hoe verdachte 1 slachtoffer 1 meteen weer sloeg, ditmaal tegen het hoofd. Ik zag hoe verdachte 1 hierna opstond en tweemaal met zijn rechterbeen tegen de bovenrug van slachtoffer 1 schopte.

Feit 2

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 25 augustus 2020;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina 99 van het eind-proces-verbaal met dossiernummer 2019052679 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 183.