Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4206

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
02/064623-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een 27-jarige man wegens het op 10 maart 2020 in Breda voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie, alsmede een grote hoeveelheid verdovende middelen. Aan verdachte is een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld, waaronder het meewerken aan controle op het gebruik van alcohol en drugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/064623-20

vonnis van de meervoudige kamer van 10 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats]

gedetineerd in P.I. Grave, Muntlaan 1, 5361 ME te Grave,

bijgestaan door raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 10 maart 2020 in Breda een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad, alsmede een grote hoeveelheid verdovende middelen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie en een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs voorhanden heeft gehad in zijn woning en auto.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat er voldoende bewijs is voor de tenlastegelegde feiten zodat deze bewezen kunnen worden verklaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.
op 10 maart 2020 te Breda een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk Zastava, type Mod.70, kaliber 7.65 mm) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 8 kogelpatronen (kaliber 7.65 mm) voorhanden heeft gehad;

2.
op 10 maart 2020 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
- 53 paarse pillen bevattende MDMA en
- 1739 witte pillen bevattende MDMA en
- 3243 paarse pillen bevattende MDMA en
- 1250 oranje pillen bevattende MDMA en
- 959 goudkleurige pillen bevattende MDMA en
- 2017 groene pillen bevattende MDMA en
- 108 gram bevattende MDMA en
- 48 gram bevattende cocaïne en
- 51 gram bevattende amfetamine en
- 12 zegels bevattende LSD,
zijnde MDMA en/of cocaïne en/of amfetamine en/of LSD telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert ten aanzien van feit 1 en feit 2 aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren met als bijzondere voorwaarde een reclasseringstoezicht, inhoudende dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, een ambulante behandeling door Fivoor en/of Novadic-Kentron en een verplichte medewerking aan controles op middelengebruik.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de eis van de officier van justitie is gebaseerd op het dealen in verdovende middelen en geen recht doet aan de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij hij met name wijst op de recente bevalling van zijn vriendin van hun zoontje wat een ‘kantelmoment’ voor verdachte is geweest Volgens de raadsman kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een maximale werkstraf, met daarbij een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf waaraan de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht wordt gekoppeld, ook als dit inhoudt dat verdachte een ambulante behandeling dient te ondergaan en abstinent dient te blijven van alcohol waarop de reclassering kan controleren.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in zijn woning opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden verdovende middelen, waaronder 9261 pillen bevattende MDMA, cocaïne, amfetamine en LSD, en het voorhanden hebben van een geladen pistool. Verdachte heeft hierover verklaard dat de verdovende middelen door een persoon bij hem in huis zijn gezet en dat daarbij een vuurwapen, munitie en een telefoon werden gegeven. Het was de bedoeling van verdachte dat hij geld zou verdienen met de verkoop van verdovende middelen. In het vuurwapen zaten acht patronen en op het moment dat de politie het vuurwapen in de babykamer aantrof, was het half doorgeladen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich bezig heeft gehouden met drugs. Het is algemeen bekend dat de handel in drugs allerlei andere criminaliteit in de hand werkt en vaak gepaard gaat met het gebruik van vuurwapens. Dit heeft een ontwrichtende werking op de maatschappij. Daarnaast is verdachte mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van verdovende middelen verslavend werkt en schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Verdachte heeft zich om deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit eigen gewin, omdat hij naar eigen zeggen op deze manier geld wilde verdienen voor zijn gezin. Dat verdachte ervoor heeft gekozen om dat op een strafbare wijze te doen, rekent de rechtbank hem zeer aan.

Bij de bepaling van de duur van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de grote hoeveelheid aangetroffen drugs en de verscheidenheid aan verdovende middelen die verdachte voorhanden had, hetgeen er mogelijk op duidt dat verdachte ook al op het moment van aantreffen drugs zou dealen. Ter terechtzitting heeft verdachte hierover verklaard dat hij “in de opstartende fase” was, maar in het dossier zijn ook aanwijzingen dat verdachte zich hier al enkele maanden mee bezighield. De combinatie van de grote hoeveelheid drugs met een geladen pistool baart de rechtbank grote zorgen.

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld danwel een strafbeschikking heeft gekregen voor Opiumwetdelicten. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de over verdachte opgestelde rapportage van Reclassering Nederland d.d. 17 juni 2020. Uit het rapport komt naar voren dat verdachte sinds 2007 in beeld is (geweest) bij de hulpverlening. Een laatste diagnostisch onderzoek dateert uit 2016, toen betrokkene binnen een reclasseringstoezicht werd behandeld door Fivoor. Door hen zou zijn vastgesteld dat er sprake was van ADHD, een Autisme Spectrum Stoornis en een depressieve stoornis. De behandeling werd gevolgd door een behandeling bij Novadic Kentron in verband met middelenmisbruik. Na afsluiting van het reclasseringstoezicht, was verdachte een jaar abstinent, maar voorafgaand aan zijn huidige detentie was er sprake van wekelijks cocaïne en wietgebruik. Volgens de reclassering blijkt primair het alcoholgebruik het probleem te zijn, wat wordt gevolgd door druggebruik. Dit gebruik is weer van invloed op de door betrokkene genoemde agressieproblemen c.q. stemmingswisselingen. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat alcoholgebruik dusdanig ontremmend werkt dat grenzen voor hem vervagen en hij overgaat tot drugsgebruik.

Volgens de reclassering dient onderzocht te worden in hoeverre de eerder ingezette behandeling afdoende is geweest en er zal opnieuw gekeken moeten worden naar (de functie van) verdachtes drugsgebruik. Daarnaast wordt het ontbreken van dagbesteding gezien als risicofactor. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en meewerken aan middelencontrole.

Gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen teneinde de ernst van de feiten te benadrukken, verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen en een verplichte begeleiding door Novadic-Kentron mogelijk te maken. De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen dat hij mee dient te werken aan controles op middelengebruik. Verdachte heeft ter zitting aangegeven daaraan mee te zullen werken, zodat de rechtbank er aldus vanuit gaat dat de reclassering voldoende controle kan uitoefenen op eventueel middelengebruik door verdachte en verdachte hierin kan begeleiden om hier op een goede manier mee om te gaan. De rechtbank acht het niet noodzakelijk om tevens aan verdachte de verplichting op te leggen dat hij abstinent dient te blijven van alcohol, zoals door de raadsman geopperd, omdat uit het reclasseringsrapport de noodzaak hiervan - ten aanzien van het beperken van recidive - niet blijkt.

In hetgeen de raadsman voorts heeft aangevoerd ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden en de persoon van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding tot strafverlaging. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, in samenhang met het strafblad van verdachte, niet kan worden volstaan met een taakstraf.

De rechtbank heeft zich bij de strafoplegging gebaseerd op de straftoemetingsrichtlijnen zoals deze zijn geformuleerd in de lokale oriëntatiepunten voor straftoemeting van de rechtbank. De eis van de officier van justitie is in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd alleszins te begrijpen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van deze eis.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank zal alles overwegende aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld, met een proeftijd voor de duur van twee jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft ter zitting de onttrekking aan het verkeer gevorderd van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst (bijlage III) vermelde voorwerpen onder goednummer 6 t/m 27 die onder verdachte in beslag zijn genomen.

Ter zitting heeft zij voorts aangegeven dat ten aanzien van de op de beslaglijst vermelde geldbedragen (de rechtbank begrijpt: goednummer 1 t/m 5) reeds is beslist dat zij worden teruggegeven aan verdachte. De rechtbank zal zich daarom ten aanzien van deze voorwerpen van een beslissing onthouden.

7.1

De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de op de beslaglijst vermelde in beslag genomen voorwerpen 6 t/m 27 vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat de feiten zijn begaan met betrekking tot deze voorwerpen, danwel tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart de ten laste gelegde feiten 1 en 2 bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen 48 uur na onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Novadic-Kentron Breda via telefoonnummer 076-5236300. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Novadic-Kentron te Breda;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

* dat verdachte zich laat behandelen door Fivoor en/of Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling en het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

- geeft opdracht aan de reclassering/Novadic-Kentron tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 6 t/m 27.

Dit vonnis is gewezen door mr. Felix, voorzitter, mr. Veldhuizen en mw. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Balemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 september 2020.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

1.
hij op of omstreeks 10 maart 2020 te Breda een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk Zastava, type Mod.70, kalbier 7.65 mm) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 8 kogelpatronen (kaliber 7.65 mm) voorhanden heeft gehad;
(art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

2.
hij op of omstreeks 10 maart 2020 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
- 53 paarse pillen, in elk geval een hoeveelheid bevattende MDMA en/of
- 1739 witte pillen, in elk geval een hoeveelheid bevattende MDMA en/of
- 3243 paarse pillen, in elk geval een hoeveelheid bevattende MDMA en/of
- 1250 oranje pillen, in elk geval een hoeveelheid bevattende MDMA en/of
- 959 goudkleurige pillen, in elk geval een hoeveelheid bevattende MDMA en/of
- 2017 groene pillen, in elk geval een hoeveelheid bevattende MDMA en/of
- (totaal) 108 gram, in elk geval een hoeveelheid bevattende MDMA en/of
- (totaal) 48 gram, in elk geval een hoeveelheid bevattende cocaïne en/of
- (totaal) 51 gram, in elk geval een hoeveelheid bevattende amfetamine en/of
- 12 zegels, in elk geval een hoeveelheid bevattende LSD,
zijnde MDMA en/of cocaïne en/of amfetamine en/of LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art. 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet).

11 Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en door de verdediging is geen vrijspraak bepleit. Daarom kan op grond van de wet worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2020062132, onderzoek Cochrane van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 109.

Gebezigde bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 27 augustus 2020, in onderling verband en samenhang bezien met de bij de politie afgelegde verklaring op 23 maart 2020;

- het proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming, pagina 63 t/m 70;

- het proces-verbaal van bevindingen, pagina 73 en 74;

- het proces-verbaal van bevindingen op pagina 78 en 79;

- het proces-verbaal van bevindingen op pagina 82 t/m 84;

- een proces-verbaal van bevindingen van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Specialistische Ondersteuning, Team Forensische opsporing, opgemaakt, gesloten en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 15 mei 2020, inclusief alle daarbij behorende bijlagen.

- een proces-verbaal van bevindingen van Districtsrecherche De Baronie met proces-verbaalnummer 30, opgemaakt, gesloten en ondertekend door verbalisant [verbalisant 3] d.d. 5 augustus 2020, met alle daarbij behorende bijlagen.

12 Bijlage III

De Beslaglijst