Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4198

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
02-821168-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag op vijf personen. Hij is naar een jachthaven gegaan en heeft daar met een semiautomatisch vuurwapen diverse schoten afgevuurd. Hij heeft twee keer geschoten op een kajuit van een motorboot waar op dat moment vier personen aanwezig waren. Vervolgens is verdachte zijn eigen binnenvaartschip binnengegaan en heeft daar geschoten in de richting van de vijfde persoon. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar (met aftrek van voorarrest).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/821168-17

vonnis van de meervoudige kamer van 7 september 2020

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1990 te [Geboorteplaats]

wonende te [Adres]

raadsman: J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Weijers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd een aantal personen van het leven te beroven of hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een vuurwapen op die personen te schieten dan wel dat verdachte deze personen heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging doodslag op de in de tenlastelegging genoemde personen wettig en overtuigend bewezen, waarbij zij uitgaat van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld, dat verdachte op 8 oktober 2017 heeft geschoten met een vuurwapen in een ruimte op zijn eigen binnenvaartschip en naar de motorboot van [Naam 1] . Op zijn eigen binnenvaartschip heeft verdachte op ongeveer vijf meter afstand één keer geschoten in de richting van [Naam 1] , die zich lager dan verdachte bevond in een ruimte van het schip. Door op die wijze een schot te lossen in een kleine donkere ruimte bestaat de aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg, welke kans door verdachte is aanvaard. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was het handelen van verdachte gericht op het ombrengen van

[Naam 1] . Verdachte heeft verder twee keer geschoten op de ruit van de kajuit van de motorboot, terwijl hij wist of in ieder geval had moeten vermoeden dat er personen aanwezig waren op die motorboot. Hij heeft daarmee bewust het risico genomen dat hij personen zou raken die zich bevonden in de ruimte achter die ruit en dat die personen daardoor het leven zouden laten. De verklaring van verdachte over die bewuste nacht is ongeloofwaardig, nu hij wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard en zijn verklaring niet past bij de overige onderzoeksbevindingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde poging doodslag. Verdachte ontkent dat hij op de plaats delict was ten tijde van de schietpartij en daarvoor bestaat ook geen overtuigend bewijs. De verklaringen van de zeven leden van de vriendengroep van [Naam 1] kunnen namelijk niet als betrouwbaar worden aangemerkt. Wanneer de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte ter plaatse was, geldt dat op basis van het forensisch onderzoek niet met zekerheid kan worden vastgesteld, dat hij met scherp heeft geschoten. Ook kan niet kan worden uitgesloten dat het sporenbeeld is aangetast. Verder kan niet worden bewezen dat sprake was van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte, nu het dossier daarvoor contra-indicaties bevat. Ten slotte is het zeer wel mogelijk dat een onbekende derde heeft geschoten. Verschillende personen hebben schimmen gezien op de dijk en hoorden een oudere man, niet zijnde verdachte, roepen dat “ze” van de boot af moesten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging doodslag op alle in de tenlastelegging genoemde personen bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Betrouwbaarheid aangevers en getuigen

De verdediging heeft ter adstructie van haar betrouwbaarheidsverweer aangevoerd dat

[Naam 1] , [Naam 2] , [Naam 3] , [Naam 4] , [Naam 5] , [Naam 6] en [Naam 7] in de nacht van 7 op 8 oktober 2017 onder invloed waren van drugs en dat dit hun waarnemingsvermogen ernstig moet hebben vertroebeld. Daarnaast kan volgens de verdediging niet worden uitgesloten dat deze personen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, nu zij vóór het doen van aangifte contact met elkaar hebben gehad.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen van genoemde zeven personen wel betrouwbaar. Hun verklaringen zijn immers zó gedetailleerd en zowel op zichzelf als ten opzichte van elkaar dermate consistent, dat niet aannemelijk is dat dat deze personen dusdanig onder invloed waren dat zij geen betrouwbare waarnemingen meer konden doen.

Er bestaan voorts geen aanwijzingen dat sprake is geweest van afstemming. De rechtbank is zich ervan bewust dat de zeven vrienden na het schietincident contact met elkaar hebben gehad. Dit duidt echter niet zonder meer op afstemming, maar op normaal menselijk handelen. Het is immers niet opmerkelijk of vreemd dat vrienden met elkaar willen spreken als zij samen zoiets heftigs als een schietincident hebben meegemaakt.

Daar komt bij dat hun verklaringen steun vinden in objectieve onderzoeksbevindingen, zoals de 112-melding. Zo wordt door de centralist van de meldkamer gehoord dat een man zegt “wie zit je te bellen” waarop een andere man zegt “wij bellen de politie natuurlijk”, wat volledig overeenkomt met de verklaringen van [Naam 1] , [Naam 2] , [Naam 6] en [Naam 4] die allen verklaren dat [Naam 2] aan het bellen was, dat verdachte haar vroeg wie zij aan het bellen was en dat [Naam 1] daarop zei dat ze de politie aan het bellen waren. Ook passen de verklaringen bij de bevindingen van de politie die diezelfde nacht kort na de melding zijn gedaan. Zo heeft de politie op het dek van de motorboot van [Naam 1] twee hulzen aangetroffen en ook op het dek van een ponton naast het binnenvaartschip van verdachte een huls. Daarnaast nam de politie vermoedelijke kogelgaten in de voorruit van de motorboot waar. Gezien het voorgaande hecht de rechtbank geloof aan de verklaringen van de zeven aangevers/getuigen en worden deze voor het bewijs gebruikt.

Betrokkenheid verdachte

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [Naam 1] , [Naam 2] , [Naam 4] en [Naam 6] op 7 oktober 2017 omstreeks 22:00 uur zijn gaan varen met de motorboot van

[Naam 1] en dat zij kort daarna hebben aangemeerd bij [Naam 8] in Werkendam. Omstreeks 23:00 uur voegt [Naam 3] zich bij het gezelschap en niet veel later, ná 0:00 uur, kwamen ook [Naam 5] en [Naam 7] naar de jachthaven. Een aantal van deze in totaal zeven personen bezocht, in wisselende samenstellingen, niet alleen de boot van [Naam 1] maar ook het binnenvaartschip van verdachte.

Tussen 23:00 uur en 0:00 uur is ook verdachte even in de jachthaven geweest, waar hij kort heeft gesproken met [Naam 1] . [Naam 1] bevond zich tijdens dit gesprek op zijn eigen boot. Ook sprak verdachte met [Naam 2] , [Naam 4] en met [Naam 3] die op het binnenvaartschip van verdachte waren. Verdachte en [Naam 2] zijn samen van het binnenvaartschip af gelopen, waarna verdachte is weggegaan.

Op 8 oktober 2017 omstreeks 01:30 uur waren [Naam 2] [Naam 3] , [Naam 5] en [Naam 6] aan het kaarten in de kajuit van de motorboot. Er brandde op dat moment licht op deze boot. Omstreeks datzelfde tijdstip bevonden [Naam 1] , [Naam 4] en [Naam 7] zich op het binnenvaartschip van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen met zekerheid kan worden vastgesteld, dat verdachte op dat moment voor de tweede keer naar de jachthaven is gekomen, vergezeld door twee personen, en dat hij ditmaal een vuurwapen bij zich droeg waarmee hij diverse schoten heeft gelost. Verdachte heeft eerst twee keer geschoten op de ruit van de kajuit van de motorboot van [Naam 1] . Vervolgens is hij zijn eigen binnenvaartschip binnengegaan. Daar heeft verdachte met zijn vuurwapen geschoten in de richting van [Naam 1] op een afstand van ongeveer vijf tot zeven meter. [Naam 1] bevond zich op dat moment in een bijna donkere ruimte waar een aggregaat stond, welke via een gang te bereiken was.

Forensische bevindingen

Wanneer de hiervoor omschreven gang van zaken in het licht wordt bezien van de resultaten van het verrichte (forensisch) sporenonderzoek, staat voor de rechtbank voldoende vast dat de beschadigingen in de ruit van de kajuit zijn veroorzaakt door kogelprojectielen en dat de drie gevonden hulzen verband houden met het schietincident. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte met scherp heeft geschoten en dat hij heeft geschoten met een semiautomatisch vuurwapen. Het ter zake door de verdediging gevoerde verweer dat het forensisch onderzoek geen 100% zekerheid geeft, doet daar niet aan af. Dat het sporenbeeld – met name het ter zake relevante sporenbeeld van hulzen en projectielinslagen – mogelijk is aangetast, is niet met redengevende feiten en omstandigheden onderbouwd door de verdediging. Het dossier bevat daar ook geen aanwijzingen voor. Gelet hierop en op de deskundigheid van de forensisch onderzoekers gaat de rechtbank uit van de juistheid van het door hen op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal.

Voorwaardelijk opzet

Op het moment dat verdachte de twee schoten loste op de ruit van de kajuit van de motorboot, brandde er licht op die boot. Gelet hierop en op het gegeven dat verdachte nog geen twee uur eerder met eigen ogen had waargenomen dat [Naam 1] en zijn vrienden aanwezig waren op de motorboot en het binnenvaartschip, had verdachte moeten vermoeden dat er wellicht nog steeds personen in de kajuit aanwezig waren.

Verdachte heeft vervolgens op zijn binnenvaartschip geschoten op [Naam 1] op een afstand van maximaal zeven meter, terwijl [Naam 1] in een donkere en smalle ruimte stond. Volgens [Naam 1] passeerde de kogel hem op zo’n 30 centimeter. Naar het oordeel van de rechtbank had dit schietincident – ongeacht de intenties van verdachte – door, bijvoorbeeld, een afketsende kogel of een onhandige handeling met het wapen, heel anders af kunnen lopen. [Naam 1] had geraakt kunnen worden met mogelijk fatale gevolgen.

Ten aanzien van beide schietincidenten is de rechtbank van oordeel dat, door onder genoemde omstandigheden met een semiautomatisch wapen te schieten, verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de hiervoor genoemde personen zouden komen te overlijden. Verdachte heeft, blijkens de wijze van handelen, deze kans ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen. Dat maakt dat sprake was van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte.

Het voorgaande in ogenschouw genomen, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 08 oktober 2017 te Werkendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Naam 1] en [Naam 3] en [Naam 2] en [Naam 5] en [Naam 6] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet (meermalen) met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die [Naam 1] en [Naam 3] en [Naam 2] en [Naam 5] en [Naam 6] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM is geschonden, dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat hij op zakelijk gebied al veel is kwijtgeraakt door de verdenking.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 8 oktober 2017 schuldig gemaakt aan een poging doodslag op vijf personen. Hij is naar een jachthaven gegaan en heeft daar met een semiautomatisch vuurwapen diverse schoten afgevuurd. Hij heeft twee keer geschoten op een kajuit van een motorboot waar op dat moment [Naam 2] , [Naam 3] , [Naam 5] en [Naam 6] aan het kaarten waren. Vervolgens is hij zijn eigen binnenvaartschip binnengegaan en heeft daar geschoten in de richting van [Naam 1] , die maar enkele meters bij hem vandaan stond. Verdachte was een bekende voor een paar van de slachtoffers. Het spreekt voor zich dat de daden van verdachte veel vragen bij hen hebben opgeroepen en dat het schietincident een traumatische ervaring voor hen is geweest.

Misdrijven tegen het leven gericht behoren tot de ernstigste misdrijven die het wetboek van strafrecht kent. Aan een poging doodslag wordt derhalve zwaar gewicht toegekend.

Bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank rekening houden met de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ook zal zij in de beoordeling meenemen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat er weliswaar sprake was van twee schietincidenten die hebben geresulteerd in een poging doodslag op vijf personen, maar ook dat het eerste schietincident twee schoten betrof op een ruit waarachter zich vier personen bevonden. Dat is - hoe ernstig ook - een andere situatie dan die waarbij onderscheidenlijke schietincidenten op vier afzonderlijke personen plaatsvinden.

Verdachte heeft tot de dag van de zitting - bijna drie jaar later - geen openheid van zaken of uitleg willen geven. Hij heeft lang de tijd gehad om zijn daden te overdenken, maar kiest ervoor om geen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden. De rechtbank vindt dit bijzonder kwalijk en zal dit bij de strafbepaling in het nadeel van verdachte meewegen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere straf dan één die vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 40 maanden passend.

Als uitgangspunt heeft echter te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar, nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in deze is overschreden, terwijl geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden. Deze overschrijding moet naar het oordeel van de rechtbank leiden tot matiging van de duur van de op te leggen gevangenisstraf.

Het voorgaande afwegend, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van voorarrest.

7 De benadeelde partij

Benadeelde partij [Naam 1]

De benadeelde partij [Naam 1] vordert een schadevergoeding van € 2.023,50, waarvan

€ 473,50 voor materiële schade en € 1.550,00 voor immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat het bedrag van € 1.550,00 zal worden toegewezen.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 473,50 voor de materiële schade onvoldoende aannemelijk gemaakt, terwijl een nadere onderbouwing tot een onevenredige belasting voor het strafproces zou leiden. De benadeelde partij zal daarom in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

De benadeelde partij [Naam 2]

De benadeelde partij [Naam 2] vordert een schadevergoeding van € 1.550,00 voor immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat het bedrag van € 1.550,00 zal worden toegewezen

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

De twee in beslag genomen hulzen (G1790995 en G1786550) zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van deze voorwerpen.

8.2

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen mobiele telefoon (G1786630).

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36c, 45 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging doodslag, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij [Naam 1]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 1] van
    € 1.550,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 8 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 1] € 1.550,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 8 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [Naam 2]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 2] van
    € 1.550,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 8 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 2] € 1.550,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 8 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de twee in beslag genomen hulzen (G1790995 en G1786550);

- gelast de teruggave aan verdachte van onder hem in beslag genomen telefoon (G1786630).

Dit vonnis is gewezen door mr. Diepenhorst, voorzitter, mr. Beudeker en mr. Los, in tegenwoordigheid van mr. Hoezen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

7 september 2020.

De oudste en jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

11 Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 08 oktober 2017 te Werkendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Naam 1] en/of [Naam 3] en/of [Naam 2] en/of [Naam 5] en/of [Naam 6] en/of een (of meer) andere perso(o)n(en) opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen) met een vuurwapen heeft geschoten op en/of in de richting van die [Naam 1] en/of [Naam 3] en/of [Naam 2] en/of [Naam 5] en/of [Naam 6] en/of een (of meer) andere perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 oktober 2017 te Werkendam [Naam 1] en/of [Naam 3] en/of [Naam 2] en/of [Naam 5] en/of [Naam 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (meerdere malen) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op deze [Naam 1] en/of [Naam 3] en/of [Naam 2] en/of [Naam 5] en/of [Naam 6] te richten en/of daarbij te roepen "Er uit!" en/of "Er af!" en/of "Wegwezen!", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

12 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB3R017097 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 387.

12.1

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 313 en 314 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Door een verbalisant is de geluidsopname van een 112-melding uitgeluisterd, welke melding is gedaan op 8 oktober 2017 te 01:45:16 uur. De verbalisant hoorde samengevat het volgende. Meldster noemt zich [Naam 2] Meldster geeft aan dat er op hun boot wordt geschoten in Werkendam nabij het [Naam 8] . Meldster geeft aan dat er met een geweer wordt geschoten en dat er kogelgaten in de ramen zitten. Meldster geeft aan dat er wordt geschoten door een man waar het schip van is waar ze naast liggen. Meldster geeft aan dat er gericht is geschoten door deze man en dat die man nog steeds met dat wapen rondloopt. Dat de man net aan kwam lopen en dat hij aangaf dat hij wil dat ze weg gaan. Er zijn mannenstemmen hoorbaar op de achtergrond die deels te verstaan zijn:

Man l: staat hier op de boot ja.

man2: wie zit je te bellen?

man3: wij bellen de politie natuurlijk.

Meldster geeft vervolgens aan dat de man op dat moment weg gaat. Centraliste vraagt wie die man is. Meldster zegt: " [Naam 4] , hoe heet hij?". Op de achtergrond is een mannenstem hoorbaar die zegt " [Verdachte] ". Vervolgens zegt meldster “ [Verdachte] ”. Er is een geluid van vermoedelijk een schot hoorbaar. Meldster zegt: "hij schiet!" Meldster zegt "bukken [Naam 1] , hij schiet hier doorheen, bukken [Naam 1] alsjeblieft". Meldster zegt dat genoemde [Verdachte] met een paar vrienden was. Meldster zegt dat ze er met drie jongens waren. Meldster geeft de telefoon over aan haar vriend. Vriend van meldster komt aan de lijn. Vriend geeft aan dat ze als idioten die boot in kwamen en riepen: "er uit, er uit!". Vriend legt uit dat ze eerder aan genoemde [Verdachte] hadden gevraagd of ze op zijn boot mochten komen en dat [Verdachte] dat toen geen probleem vond en dat [Verdachte] zojuist in één keer binnen kwam rennen en riep dat ze de zaak aan het plunderen waren.

12.2

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 270 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 8 oktober 2017 omstreeks 01.45 zijn verbalisanten naar het [Naam 8] in Werkendam gegaan. Ter plaatse troffen zij een binnenvaartschip aan en rechts daarnaast een motorboot.

Op het dek van de motorboot werd op het midden van het dek een lege huls aangetroffen.

Er werd een soortgelijke huls gevonden in een krat op het dek van de motorboot. Een verbalisant zag dat in de voorruit van de motorboot gaten zaten, vermoedelijk kogelgaten.

12.3

De kennisgeving van inbeslagneming, pagina 17 en 18 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 8 oktober 2017 zijn omstreeks 02:35 uur twee hulzen in beslag genomen aan het [Naam 8] in Werkendam. Deze hulzen zijn gewaarmerkt met de SIN-nummers AAIE4959NL en AAIQ2627NL.

12.4

Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 18 oktober 2017, pagina 314 tot en met 317 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 11 oktober 2017 is een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met het schietincident op 8 oktober 2047 aan het [Naam 8] te Werkendam. Dit onderzoek is verricht op een jacht genaamd [Naam 9] (plaats delict 1) en op een binnenvaartschip (plaats delict 2).

Onderzoek plaats delict 1:

De kajuit van het jacht was aan de voorzijde voorzien van drie ramen. Het middelste raam bestond uit twee delen, waarvan het onderste raam kapot was. Aan de rand van het gat zaten twee ronde beschadigingen. Het glas rondom deze beschadiging voelde aan de buitenzijde glas aan en ruw aan de binnenkant. Achter dit raam lagen glasscherven in de kajuit. Dit beeld past bij een (kogel)projectiel dat het glas vanaf de buitenzijde geraakt heeft, waarbij het door het glas de kajuit is binnen gekomen. Vermoedelijk hebben de twee aangetroffen hulzen op het dek te maken met voornoemde beschadigingen. Indien de twee beschadigingen door kogelprojectielen veroorzaakt zijn, is het aannemelijk dat deze hulzen hierbij betrokken waren.

Onderzoek plaats delict 2:

Over vier pontons kon het binnenvaartschip bereikt worden. Op één van de pontons werd

Een huls aangetroffen en veiliggesteld onder het SINS-nummer AAIZ1256NL. Voorin het schip bevond zich een kamer die te bereiken was via een gang. Tegenover de ingang van die kamer bevond zich, tegen de achterwand, een metalen kast. Achter deze kast bevond zich een ruimte met daarin een aggregaat. In de metalen kast werden twee beschadigingen aangetroffen. In de achterwand van de aggregaatruimte werd ook een beschadiging aangetroffen wat een inschotbeschadiging zou kunnen zijn. Waarschijnlijk zijn deze drie beschadigingen veroorzaakt door 1 projectiel.

12.5

Het geschrift van het Nederlands Forensisch Instituut, getiteld Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Werkendam op 8 oktober 2017 d.d. 10 januari 2018, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het Nederlands Instituut heeft nader onderzoek verricht aan drie hulzen die zijn veiliggesteld onder de SIN-nummers AAIE4959NL, AAIQ2627NL en AAIZ1256NL.

Hypothese 1: de hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen.

Hypothese 2: De hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en

Hulzen AAIQ2627NL en AAIZ1256NL

De bevindingen van het vergelijkend huisonderzoek zijn minimaal zeer veel

waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Hulzen [AAIQ2627NL en AAIZ1256NL] enerzijds en huls [AAIE4959NL] anderzijds

De bevindingen van het vergelijkend huisonderzoek zijn minimaal veel

waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

De hulzen AAIE4959NL, AAIQ2627NL en AAIZ1256NL zijn vermoedelijk verschoten

met een (semi-)automatisch werkend aanvalsgeweer van het kaliber 7,62x39mm,

type Kalasjnikov, model AK-47 of een afgeleide hiervan.

12.6

Het proces-verbaal aangifte, pagina 175 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

[Naam 1] verklaarde het navolgende over het incident dat plaatsvond in Werkendam op 8 oktober 2017 omstreeks 01:44 uur:

Er is op mij en mijn vrienden gericht geschoten. Ik was samen met [Naam 6] , [Naam 4] en [Naam 2] samen op pad met een boot. We zijn naar een haven aan het [Naam 8] gegaan waar ook het schip van [Verdachte] ligt. Vanavond is hij bij ons aan boord gekomen en hebben wij hem nog gesproken. Daarna is hij weg gegaan. Ongeveer drie kwartier tot een uur later kwam hij terug. Ik hoorde [Verdachte] roepen "D’r uit". Ik was op dat moment aan boord van de boot van [Verdachte] . Hij was op dat moment in de zelfde ruimte als waar ik stond van het grote schip. Ik hoorde een schot en ik zag aan het vuur uit de loop van het geweer dat hij had geschoten.

12.7

Het proces-verbaal van verhoor aangever [Naam 1] , pagina 179 en verder van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

181-184

Rond 22:00 uur die avond waren mijn vriendin en ik bij mijn boot. Die boot heet [Naam 9] . [Naam 4] is rond dat tijdstip ook naar de boot gekomen. Ook [Naam 6] is naar de boot gekomen. We zijn met z’n vieren aan boord gegaan. Rond 22:15 uur kwamen we met de boot aan bij die insteekhaven. Terwijl ik daar bezig was zag ik [Verdachte] aan komen lopen. Ik zei dat [Naam 4] zijn boot aan het bekijken was. Ongeveer 10 minuten later vertrok [Verdachte] weer. Omstreeks 01:30 uur ben ik naar het schip van [Verdachte] gegaan. Ik ben de stuurhut binnengegaan. In die boot was het donker. Ik heb geprobeerd om de generator aan te krijgen. Om 01:02 uur ben ik gebeld door [Naam 7] . Hij is samen met [Naam 5] naar ons toegekomen. Ook [Naam 3] was even op het woonschip. Op een gegeven moment hoorde ik een bonk. De ruimte waar ik was had ik verlicht met twee lampjes. De rest van de ruimte was donker. Toen ik omkeek zag ik drie personen in die ruimte staan. Ik herkende één van hen als [Verdachte] . Ik zag dat [Verdachte] voor mij stond en dat hij een geweer in zijn handen had. Ik zag en hoorde dat [Verdachte] bleef roepen dat ik er uit moest. Op een gegeven moment zag en hoorde ik dat [Verdachte] een schot loste met dat geweer wat hij vast had. Ik zag dat het geweer ongeveer in mijn richting wees toen ik dat schot hoorde, ik zag ook het vuur uit de loop komen. [Verdachte] stond toen een meter of 5-7 bij mij vandaan. Naar mijn idee moet dat maar een centimeter of 30 naast mij zijn geweest.

Ik ben door [Verdachte] en die andere twee via die deur de stuurhut uitgewerkt. Ik hoorde mijn vriendin vanuit mijn boot roepen. Ik ben toen mijn boot ingegaan. Ik hoorde [Verdachte] weer roepen "en nou opdonderen!" Op dat moment stond mijn vriendin in de stuurhut. Zij was daar aan het bellen. Ik hoorde [Verdachte] roepen: " [Naam 2] met wie ben je aan het bellen" en hierbij zag ik dat hij zijn geweer in de richting van [Naam 2] richtte. Ik riep toen naar [Verdachte] : "wie denk je godverdomme dat ze aan het bellen is". Ik zag dat [Verdachte] en die andere twee vlug wegliepen. Ik zag en hoorde nog dat [Verdachte] toen hij bijna op de dijk was in de lucht schoot.

12.8

Het proces-verbaal van verhoor aangever [Naam 3] pagina 189 en verder van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

190-191

Omstreeks 23:00 uur ben ik gaan kijken bij de kleine boot van [Naam 1] . Ik ben met [Naam 4] op de boot ernaast gaan kijken. Ik zag [Verdachte] aankomen en we hebben een praatje met hem gehouden. Ik zag dat [Verdachte] kort daarna de boot af ging. Ik ben naar de kleine boot gegaan. Ik was met [Naam 2] en [Naam 6] op de boot van [Naam 1] . [Naam 5] en [Naam 7] kwamen er ook bij. Die zaten eigenlijk net en toen hoorden we glas springen. We hoorden ook een schot. Het eerste schot kwam vanaf de boot van [Verdachte] . Ik zag dat drie personen onze richting op kwamen lopen. We zagen kogelgaten in de ramen. Ik zag [Verdachte] staan op zijn boot. Ik zag dat hij een vuurwapen doorlaadde en in de lucht schoot. Het was een soort jachtgeweer. Wij zagen [Verdachte] daar naar binnen stormen. Het duurde niet lang voordat [Naam 1] en [Verdachte] naar buiten kwamen. [Naam 1] stapte de kleine boot op. [Naam 5] , [Naam 7] en ik zijn toen weg gegaan.

12.9

Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [Naam 2] , pagina 196 en verder van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

197-201

Op 7 oktober omstreeks 21:45 uur hebben we aangemeerd in een aanmeerhaventje in Werkendam. In dat haventje lag de ark van [Verdachte] . Ik ben met [Naam 3] en [Naam 4] op de ark gaan rondkijken. We zijn een ruimte ingelopen. Toen we daar stonden kwam [Verdachte] die ruimte binnen komen lopen. We hebben met elkaar gepraat en ik ben met [Verdachte] van de ark afgelopen. Ik zag dat hij weg ging. Op een bepaald moment zat ik te kaarten met [Naam 6] , [Naam 3] en [Naam 5] op de boot van [Naam 1] . We hadden een lampje en kaarsen aan. [Naam 1] was naar de ark gegaan. Ineens hoorde ik een geluid van glas dat stuk ging. Al snel zag ik dat er gaten in de ruiten zaten en besefte ik dat het kogels waren. Ik heb 112 gebeld om 01:43 uur. [Naam 3] en [Naam 5] waren weg. [Naam 6] zat nog steeds op de bank. Er werd ineens geschoten en ik zie 3 mensen in het gangboord lopen. Ik heb gehoord dat [Verdachte] aan het roepen was "der uit, jullie hebben hier niks te zoeken". Ik ben blijven staan bij het trapje van de woning naar de stuurhut. Ik zag toen dat de 3 personen er niet waren. Ik ben toen via het trapje naar buiten gegaan. Toen ik op de derde tree stond, zag ik dat [Naam 1] uit de ark kwam en ik zag dat hij soort van geduwd werd door [Verdachte] en die andere personen. Ik ben op dat moment een meter van ze vandaan. Ik hoorde [Verdachte] alleen maar zeggen: "Opzouten en wegwezen en der uit". Volgens mij zag [Verdachte] dat het lampje van mijn telefoon brandde en kreeg hij in de gaten dat ik aan het bellen was. Ineens zag ik dat hij omdraaide en een wapen op me richtte. Ik hoorde hem zeggen: " [Naam 2] wie ben je aan het bellen". Ik hoorde [Naam 1] zeggen: "Wat denk je met wie ze aan het bellen is". Ik zag toen dat ze weg gingen. U vraagt mij elke personen hebben het schietincident meegemaakt? [Naam 6] , [Naam 5] en [Naam 3] zaten bij mij.

12.10

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 6] , pagina 212 en verder van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

213

Ik was samen met [Naam 2] , [Naam 5] , [Naam 3] , [Naam 7] aan het puzzelen in de boot. Op een gegeven moment hoorde in een harde knal. Ik stond op en keek of ik iets zag en toen zag ik drie mannen aan komen lopen. Die waren aan het schelden en schreeuwen dat we “dr van af moesten, van die boot” Ik zag die drie gasten een meter of vier van mij vandaan en toen zag ik dat een van die gasten schietende beweging richting ons maakte. Ik hoorde schoten en ik dook weg. Toen hoorde ik glas wat kapot ging. Het waren korte salvo’s, daar maak ik uit op dat het om een semi automatisch wapen ging. [Naam 1] is uit de boot gekomen en wilde naar zijn eigen boot lopen. Op dat moment was [Naam 2] de politie aan het bellen en hoorde ik die gast zeggen: “ [Naam 2] , met wie ben je aan het bellen?” Ik hoorde [Naam 1] toen zeggen “ja, godverdomme met wie denk je dat ze aan het bellen is” Toen liepen die gasten daarna van de boot af en zijn ze er snel van tussen gegaan.

12.11

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 4] , pagina 245 en verder van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

246-250

U vraagt mij wat er is gebeurd in de nacht van 7 op 8 oktober 2017. Op 7 oktober 2017 omstreeks 22:30 uur zijn we aan boord gegaan van de boot van [Naam 1] . We zijn naar de haven gevaren waar ook de boot van [Verdachte] ligt. Ik ben op de boot van [Verdachte] gestapt en heb daar rondgekeken. Ongeveer 15 tot 20 minuten later kwam [Verdachte] op de boot. Ik heb toen met hem gesproken. Zo snel als dat hij gekomen was, was hij ook weer weg. Ongeveer een uur later kwam [Verdachte] weer terug op zijn boot. Hij kwam schietend aan boord. Ik hoorde gewoon ineens twee knallen. Ik kreeg het pas door toen [Naam 2] riep: "er word geschoten met scherp”. [Naam 2] was nog op de boot van [Naam 1] . Daar was zij samen met [Naam 6] , [Naam 5] en [Naam 3] . Ik besloot naar de boot van [Naam 1] te gaan om me te verstoppen en heb dat ook gedaan. Ik hoorde [Naam 2] toen de politie bellen. Ineens zag ik [Verdachte] bovendeks verschijnen. Ik hoorde [Verdachte] toen schreeuwen: [Naam 2] wie ben jij aan het bellen ?!” Ik hoorde [Naam 1] roepen: "wat denk jij dan ? Politie natuurlijk !” Hierna is [Verdachte] met die andere van de boot verdwenen. Het leek mij een aanvalswapen, een geweer. Ik denk een halve meter lang.

12.12

Het proces-verbaal van verhoor aangever [Naam 5] , pagina 206 en verder van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

207-208

U vraagt mij wat er is gebeurd in de nacht van 7 op 8 oktober 2017. Ik ben omstreeks 00.30/00:45 naar het [Naam 8] gegaan en aan boord gegaan van de boot van [Naam 1] . We waren op dat moment met [Naam 4] , [Naam 1] , [Naam 2] , [Naam 7] , [Naam 3] en [Naam 6] . [Naam 1] was aan boord van het schip dat er direct naast lag. Hij was bezig met een aggregaat. [Naam 4] en [Naam 7] zijn hem gaan helpen. Opeens hoorde ik geschreeuw en glasgerinkel. Ik hoorde hogels afketsen op een versterker. We zagen twee gaten in de voorruit zitten. Ik heb mezelf in veiligheid gebracht door de slaapkamer in te lopen. Op een gegeven moment ben ik uit het jacht gelopen en zag daar die jongen staan met dat wapen. Die jongen zei toen: “Opdonderen. Wegwezen hier.” Ik zag hem staan op dat schip ernaast. Hij stond daar met een wapen in zijn hand. Het was een groot wapen met een groot magazijn aan de onderkant. Het was een groot ding. Ik denk ongeveer 60 of 70 cm lang.

12.13

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 7] , pagina 242 en verder van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

243-244

Op 7 oktober 2017 was ik thuis. Na 24:00 uur heb ik gebeld met [Naam 5] Samen met hem ben ik naar de boot van [Naam 1] gegaan. Via een groot schip konden we bij de boot van [Naam 1] komen. Ik zag dat [Naam 1] binnen in het schip was. We zijn vervolgens naar de boot van [Naam 1] gelopen. [Naam 2] , [Naam 6] en [Naam 3] zaten in de boot. Er brandde zeker licht in die boot. Op een gegeven moment kwam [Naam 5] naar de boot van [Naam 1] gelopen en ben ik met hem naar het vrachtschip gelopen. We zijn daar naar binnen gegaan. Toen hoorde ik twee hele harde knallen. Toen dat gebeurde ben ik gelijk naar buiten gelopen en zag ik drie gasten in het donker staan, waarvan er 1 een vuurwapen vasthad. [Naam 5] en ik wilde toen weglopen en gingen richting de punt van de boot. Toen ik op de punt van de boot stond, hoorde ik nog een schot vallen. Ik heb in totaal vier schoten gehoord. Hij had een groot wapen bij zich, een soort mitrailleur.