Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4194

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_4779
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond - schuilschuur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4779 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde-partij] , te [woonplaats] ,

gemachtigde: [naam gemachtigde derde-partij] .

Procesverloop

Bij het besluit van 10 mei 2019 (primair besluit) heeft het college een aan [naam derde-partij] opgelegde last onder bestuursdwang ingetrokken.

In het besluit van 2 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 26 juni 2020.

Hierbij waren aanwezig [naam vertegenwoordiger] namens het college en gemachtigde namens de derde-partij. Eiser zelf is met bericht van verhindering niet verschenen. Eisers gemachtigde is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van een uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Eiser woont op het adres [adres 1] . Op het naastgelegen perceel [adres 2] staat een schuilschuur, die sinds de oprichting daarvan in 1988 gebruikt wordt als recreatiewoning. Het perceel is thans eigendom van [naam derde-partij] .

Naar aanleiding van een verzoek van eiser om handhavend op te treden, heeft het college [naam derde-partij] bij besluit van 10 oktober 2018 een last opgelegd, inhoudende dat hetgeen in afwijking van de vergunning van 12 april 1988 is gebouwd dient te wordt verwijderd en verwijderd dient te blijven, op straffe van toepassing van bestuursdwang wanneer [naam derde-partij] niet zelf tijdig uitvoering geeft aan de last. De begunstigingstermijn is in dit besluit niet geconcretiseerd.

Bij besluit van 19 maart 2019 heeft het college aan [naam derde-partij] met toepassing van artikel 2.12, lid 1, aanhef en onder a, sub 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 4, onderdeel 11 van het Besluit omgevingsrecht een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de schuilschuur.

Bij het primaire besluit heeft het college vervolgens de aan [naam derde-partij] opgelegde last onder bestuursdwang ingetrokken.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser erop gewezen dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de omgevingsvergunning van

19 maart 2019.

Eiser heeft het bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting van de Vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van 9 juli 2019.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de commissie ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft aangevoerd dat het college vanwege de onderlinge samenhang niet op eisers bezwaar tegen de intrekking van de last onder bestuursdwang heeft kunnen besluiten vóórdat een besluit op eisers bezwaar tegen de tijdelijke omgevingsvergunning genomen was. Het getuigt van onzorgvuldigheid dat het college dat wel heeft gedaan. Volgens eiser is de tijdelijke omgevingsvergunning in rechte niet houdbaar, omdat recreatief gebruik ter plaatse in het geheel niet is toegestaan.

3. Naar het oordeel van de rechtbank staat het zorgvuldigheidsbeginsel er niet aan in de weg dat het college in dit geval heeft beslist op het bezwaar van eiser tegen het intrekken van de last onder bestuursdwang, voordat het college heeft beslist op het bezwaar van eiser tegen de verleende omgevingsvergunning.

Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (en het primaire besluit) beschikte [naam derde-partij] over een tijdelijke omgevingsvergunning voor de schuilschuur. Eisers stelling dat de tijdelijke omgevingsvergunning in rechte geen stand zou kunnen houden, doet daar niets aan af. Nu er ten aanzien van de schuilschuur geen sprake meer was van een overtreding heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten tot het intrekken van de last onder bestuursdwang.

4. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 4 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.