Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4191

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_4055
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4055 ZW

uitspraak van 4 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , wonende te [naam woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 31 januari 2019 (primair besluit) heeft het UWV bepaald dat eiseres geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 19 december 2018, omdat zij op die datum geschikt is voor haar eigen werk.

In het besluit van 21 juni 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Middelburg op 5 augustus 2020. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde en het UWV werd vertegen-woordigd door drs. S. Barto.


Overwegingen
1.Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is een 46-jarige vrouw, die werkzaam is geweest als verpleegkundige voor 24 uur per week. Zij is uitgevallen op 8 augustus 2016 wegens klachten aan het houdings- en bewegingsapparaat met verschillende oorsprong. Bij besluit van 14 juli 2017 heeft het UWV na een zogeheten eerstejaars ziektewetbeoordeling (EZWB) de aan eiseres toegekende ZW-uitkering beëindigd met ingang van 8 september 2017. De bezwaren van eiseres tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard bij besluit van 5 januari 2018. Het door eiseres hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank ongegrond verklaard bij uitspraak van 28 januari 2019, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer BRE 18/677 ZW. Het tegen deze uitspraak ingediende hoger beroep loopt nog.

Eiseres heeft zich op 19 december 2018 ziekgemeld vanuit een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), met toegenomen klachten op basis van fibromyalgie en whiplash. Het UWV heeft eiseres naar aanleiding van deze melding opnieuw onderzocht.

In het primaire besluit heeft het UWV bepaald dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering met ingang van 19 december 2018, omdat zij op die datum geschikt was voor de in het kader van de EZWB geduide functies: baliemedewerker (Sbc-code 315150), secretarieel medewerker (Sbc-code 315030) en productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180).

In het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. De maatstaf die geldt bij een ziekmelding na een EZWB, als betrokkene niet in enig werk heeft hervat, is gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWB. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies (zie de vaste rechtspraak van de hoogste rechter in ZW-zaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld recent nog de uitspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1918).

3. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van het UWV.

Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 1] heeft eiseres gezien op het spreekuur van 30 januari 2019, waar lichamelijk en oriënterend psychisch onderzoek is verricht. Er werd geen informatie van derden opgevraagd. De verzekeringsarts rapporteert dat uit onderzoek niet is gebleken dat sprake is van duidelijke nieuwe medische feiten op grond waarvan de belastbaarheid wezenlijk is gewijzigd. Volgens de verzekeringsarts is de eerder opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 6 december 2017 onverminderd van toepassing. Er is per datum ziekmelding daarom geen sprake van ongeschiktheid voor alle eerder geduide functies, en daarmee ook niet van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ZW.

Verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts 2] heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd en eiseres gezien op het spreekuur van 29 maart 2019, waarbij medisch onderzoek plaatsvond. Ook werd informatie uit de behandelend sector opgevraagd en betrokken in de heroverweging. Het gaat daarbij om informatie van de huisarts van eiseres van 22 mei 2019, reumatoloog [naam reumatoloog] van 26 februari 2019, en GZ-psycholoog [naam GZ-psycholoog] van 14 februari 2019. De verzekeringsarts b&b ziet geen reden om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Als de rapporten van de voorgaande gesprekken naast het huidige gespreksverslag worden gelegd, blijken deze vrijwel identiek te zijn en is er geen sprake van toegenomen klachten. Dat de klachten overwegend hetzelfde blijven, blijkt ook uit het feit dat de behandelplannen van eiseres nooit fors zijn gewijzigd. Volgens de verzekeringsarts b&b kan uit het feit dat eiseres een inactief dagpatroon heeft met veel rustpauzes niet worden afgeleid dat zij per definitie niets zou kunnen. Het lukt haar wel om haar eigen huishouden op orde te houden, een huisdier te verzorgen, boodschappen te doen, behandelingen te volgen en auto te rijden.

4. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling door de verzekeringsartsen in hun rapportages waarin zij hun bevindingen inzichtelijk en overtuigend hebben beargumenteerd.
De rechtbank begrijpt dat eiseres veel klachten en beperkingen ervaart. Maar volgens vaste rechtspraak van de CRvB is bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling de subjectieve beleving en ervaring van iemands klachten niet beslissend. Alleen de medisch te objectiveren beperkingen zijn daarbij van belang. Niet gebleken is dat de verzekeringsartsen die beperkingen van eiseres onjuist hebben ingeschat.

Eiseres heeft haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat onderbouwd met een aantal stukken. Daarmee heeft zij naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende twijfel gezaaid over de beoordeling van de verzekeringsartsen van het UWV, nu deze stukken geen objectieve en concrete informatie bevatten over haar gesteldheid. In het verslag van het dienstverleningsgesprek dat eiseres had bij Orionis Walcheren is weliswaar opgenomen dat de medewerker van Orionis geen directe mogelijkheden tot werk ziet, maar dit wordt enkel geconcludeerd op basis van wat eiseres zelf heeft verklaard tegenover deze medewerker. De aanvulling van eiseres op het gesprek dat zij had met de verzekeringsarts b&b bevat ook alleen subjectieve informatie van eiseres zelf, en vormt daarom geen objectivering van de door haar ervaren klachten. In de brief van bedrijfsarts [naam bedrijfsarts] van 28 augustus 2019 is geen concrete medische informatie opgenomen en ook onduidelijk is welke onderzoekshandelingen zijn verricht.

5. Het standpunt van eiseres dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte heeft aangegeven dat de gespreksverslagen en de behandelplannen identiek zijn gebleven ten opzichte van de EZWB, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank schetsen de rapporten van het UWV en de behandelplannen geen wezenlijk ander beeld van eiseres dan zoals aan de orde ten tijde van de EZWB en wordt er gesproken over dezelfde klachten. Ter zitting heeft eiseres gewezen op een brief van basispsycholoog [naam basispsycholoog] (werkzaam bij Indigo) van 11 juni 2019, waarin de diagnoses somatische symptoomstoornis en ongespecificeerde depressieve stemmingsstoornis worden gesteld. Deze brief geeft de rechtbank evenmin aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling door het UWV, nu onduidelijk is waarop genoemde diagnoses zijn gebaseerd en diagnoses volgens vaste rechtspraak van de CRvB bovendien (zie onder meer de uitspraak van 11 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2961) op zichzelf niet doorslaggevend zijn voor een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. In een individuele situatie moet steeds worden beoordeeld in hoeverre sprake is van objectieve beperkingen tot het verrichten van arbeid. Zoals hierboven in onderdeel 4. al is vermeld, is niet gebleken dat de verzekeringsartsen die beperkingen van eiseres onjuist hebben ingeschat.

6. Eiseres wordt ook niet gevolgd in haar stelling dat haar niet mag worden tegengeworpen dat het haar wel lukt om haar eigen huishouden op orde te houden, een huisdier te verzorgen, boodschappen te doen, behandelingen te volgen en auto te rijden, nu deze omstandigheden een beeld geven van haar functionele mogelijkheden. Wat eiseres verder aanvoert over haar aangezichtspijnen, concentratieproblemen, pijn in haar rechterbovenbeen en het medisch onderzoek op 29 maart 2019, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel bij gebrek aan een medische objectivering.

7. Het voorgaande brengt met zich mee dat het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering per 19 december 2018. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard en voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 4 september 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

*griffier rechter

*De griffier is verhinderd deze uitspraak mee te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.