Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4169

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
02-010428-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

preliminair verweer, OM niet-ontvankelijk, optelsom van vormverzuimen en eerlijk proces

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/010428-17

vonnis van de meervoudige kamer van 25 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Nieuwenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1: op 19 juni 2016 te Raamsdonksveer samen met anderen [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Dit is tenlastegelegd als medeplegen van zware mishandeling dan wel medeplegen van mishandeling waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan dan wel openlijk geweld;

2: op 19 juni 2016 te Raamsdonksveer [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem
met de vuist op de neus te slaan of te stompen;

3: op 19 juni 2016 te Raamsdonksveer [slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar tegen
het gezicht te slaan of te stompen en of tegen het lichaam te schoppen of trappen,
waardoor zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft als preliminair verweer aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte gelet op een combinatie van schendingen van de beginselen van een goede procesorde waardoor er geen sprake meer is van een eerlijk proces. Hierbij heeft de verdediging gewezen op de forse overschrijding van de redelijke termijn, een schending van de verbaliseerplicht en handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bevestigd dat het inderdaad lang heeft geduurd voordat de zaak inhoudelijk behandeld kon worden. Een deel van deze tijd is echter gebruikt voor het horen van getuigen bij de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging. Naar de mening van de officier van justitie is er geen sprake van een schending van de verbaliseerplicht. De schending van het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel kan hersteld worden doordat de officier van justitie vrijspraak zal vorderen voor het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Er is geen opzet geweest op het schenden van de belangen van de verdachte. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij daarom wel ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

Beoordeling

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij valt op dat verdachte pas 7 maanden na de verweten feiten in zijn woning is aangehouden, terwijl zijn naam en die van de medeverdachten al bij het doen van de aangiften in juni 2016 bekend waren. Hoewel voor de keuze voor gelijktijdige aanhouding van alle verdachten in plaats van ontbieding redenen denkbaar zijn, heeft de inzet van dit dwangmiddel zonder meer erg lang op zich laten wachten. De officier van justitie heeft hier ter zitting geen verklaring voor gegeven.

Aan de aanhouding op 16 januari 2017 heeft verdachte in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat het Openbaar Ministerie vervolging tegen hem zou instellen. Anders dan de verdediging stelt, geldt die datum dan ook als startdatum bij de bepaling van de redelijke termijn. Ook wanneer van deze aanvangsdatum wordt uitgegaan, is echter sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn en wel van bijna 1 jaar en 8 maanden. Hoewel een deel van deze termijnoverschrijding te wijten is aan de maatregelen ter voorkoming van de verdere verspreiding van het Coronavirus, wordt de overschrijding voor het overgrote deel veroorzaakt door het feit dat het concrete onderzoek tegen de verdachten laat is gestart en lang heeft geduurd.

De verdediging heeft met betrekking tot de verbaliseerplicht aangevoerd dat tijdens het onderzoek enkele verklaringen van getuigen niet volledig zijn uitgewerkt in de daarvan opgemaakte processen-verbaal. Hierbij wordt door de verdediging feitelijk alleen verwezen naar de verklaring van getuige [getuige] . De rechtbank is van oordeel dat de verbaliseerplicht geen verplichting inhoudt tot het verbaliseren van een woordelijke weergave van een getuigenverklaring. Op dit punt is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een schending van de verbaliseerplicht.

Met betrekking tot de gestelde schending van de verbaliseerplicht overweegt de rechtbank voorts dat niet alle getuigen van de vermeende vechtpartij direct na het incident door de politie zijn gehoord. Het is niet ongebruikelijk dat er in een onderzoek naar uitgaansgeweld veel getuigen zijn die niet allemaal - kunnen - worden gehoord. Als uitgangspunt geldt dat het Openbaar Ministerie de verantwoordelijkheid draagt voor het opsporingsonderzoek en in dat kader de bevoegdheid heeft om keuzes te maken welke opsporinghandelingen wel en welke niet worden uitgevoerd. Dat gegeven rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat de verbaliseerplicht is geschonden. De rechtbank stelt in het onderhavige geval echter vast dat het procesdossier na het eerste politieonderzoek, dat lange tijd in beslag heeft genomen, erg beperkt was qua inhoud, waardoor het noodzakelijk was om geruime tijd na het incident aanvullend getuigen te horen. Wanneer getuigen pas zo lang na het incident worden gehoord, is het risico groot dat zij niet meer precies weten wat er is gebeurd, waardoor er grote verschillen tussen verklaringen kunnen ontstaan, hetgeen in het onderhavige geval ook is gebeurd. Het wordt voor de verdediging dan moeilijk om getuigen alsnog adequaat te ondervragen en mede daardoor een eerlijk proces te waarborgen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat er sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel. Immers, door de officier van justitie is tijdens een regiebijeenkomst bij de rechter-commissaris toegezegd dat er alleen vervolgd zou worden voor openlijk geweldpleging en niet voor feiten met een hoger strafmaximum. De officier van justitie heeft ter zitting bevestigd dat deze toezegging is gedaan. Na deze toezegging - en mede op basis daarvan - zijn de getuigen gehoord en door de verdediging ondervraagd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel nu de officier van justitie ondanks zijn eerdere toezegging verdachte primair en subsidiair heeft gedagvaard voor andere feiten dan openlijk geweldpleging, namelijk voor zware mishandeling en subsidiair voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat dit het gevolg is geweest van een intern communicatieprobleem. De officier van justitie heeft echter nagelaten om deze fout bij het uitbrengen van de dagvaarding voor de zitting te herstellen en heeft ook ter zitting nagelaten de situatie te corrigeren. De officier van justitie heeft immers niet een wijziging van de tenlastelegging aangekondigd, maar volstaan met de mededeling dat hij geen veroordeling voor het primair en subsidiair tenlastegelegde zal vorderen. Daardoor liggen de verdenkingen onder primair en subsidiair nog wel ter beoordeling aan de rechtbank voor, die op basis daarvan tot een ander oordeel zou kunnen komen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het vooroverwogene de belangen van de verdediging in het vooronderzoek op een aantal wezenlijke punten zijn geschaad. Ieder van deze punten afzonderlijk leidt niet tot het oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Het beperkte onderzoek, de erg late aanhouding van verdachte, de noodzaak om in een laat stadium aanvullend getuigen te moeten horen, de forse overschrijding van de redelijke termijn en de schending van het vertrouwensbeginsel leiden gezamenlijk echter tot een ander oordeel. Er is sprake van een dusdanige combinatie van onherstelbare onrechtmatigheden en ongelukkige keuzes, dat het recht van verdachte op een eerlijk proces in vergaande mate onder druk is komen te staan. De rechtbank is van oordeel dat onder die omstandigheden enkel een niet-ontvankelijk-verklaring van het Openbaar Ministerie passend is.

4 Benadeelde partijen

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 8.968,20 voor feit 1.

De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering met betrekking tot het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 2.197,00 voor feit 2.

De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering met betrekking tot het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 459,00 voor feit 3.

De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering met betrekking tot het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

5 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Benadeelde partijen

- verklaart benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- verklaart benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- verklaart benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. Collombon, voorzitter, mr. Prenger en mr. Fontein, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 augustus 2020.

Mrs. Collombon, Fontein en Van Eekelen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

6 Bijlage I

De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 19 juni 2016 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de bijholte onder het oog en/of subcutaan emfyseem, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of de schouder en/of (in elk geval) tegen het lichaam te slaan/stompen en/of die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (terwijl hij op de grond lag) tegen het hoofd en/of (in elk geval) tegen het lichaam te schoppen/trappen;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2016 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of de schouder en/of (in elk geval) tegen het lichaam te slaan/stompen en/of die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (terwijl hij op de grond lag) tegen het hoofd en/of (in elk geval) tegen het lichaam te schoppen/trappen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de bijholte onder het oog en/of subcutaan emfyseem ten gevolge heeft gehad;

( art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2016 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de Keizersdijk, in elk geval op of aan een openbare weg

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit:

- het meermalen, althans eenmaal, slaan/stompen tegen het hoofd en/of de schouder en/of (in elk geval) tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het meermalen, althans eenmaal, schoppen/trappen tegen het hoofd en/of (in elk geval) tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag;

( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 19 juni 2016 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met de vuist (met kracht) tegen de neus, althans tegen het gezicht, te slaan/stompen;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 19 juni 2016 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met de vuist (met kracht) tegen het gezicht te slaan/stompen en/of die [slachtoffer 3] in de zij, althans tegen het lichaam, te schoppen/trappen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten letsel aan de kaak en/of een afgebroken kies ten gevolge heeft gehad;

( art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )