Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4163

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_5561
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2021:1587, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5561 WABO

uitspraak van 1 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. R. Zwamborn

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kapelle, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] , te [naam woonplaats] , vergunninghouder,

gemachtigde: mr. drs. C.G. Huijsmans.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 september 2019 (bestreden besluit) inzake het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de bestaande woning en het bouwen van een schuur op het perceel aan de [adres 1] in [naam woonplaats] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 21 juli 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. R. Zwamborn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger 1] , [naam vertegenwoordiger 2] en [naam vertegenwoordiger 3] .

Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. drs. C.G. Huijsmans.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Vergunninghouder heeft op 11 januari 2018 bij verweerder een aanvraag omgevings-vergunning ingediend voor het uitbreiden van de bestaande woning en het bouwen van een schuur op het perceel aan de [adres 1] in [naam woonplaats] . Voor dit perceel geldt het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’.

Bij besluit van 29 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het afwijken van het bestemmingsplan’.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij is woonachtig op het aangrenzende perceel [adres 2] in [naam woonplaats] .

Bij besluit van 27 september 2018 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij uitspraak van 3 juli 2019 (met zaaksnummer BRE 18/7604 WABOA) heeft de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard en het besluit van 27 september 2018 vernietigd op grond van het oordeel dat het bouwplan in strijd is met artikel 21.2.1, aanhef en onder j, van de planregels omdat de schuur en de woning van eiseres niet aaneen zijn gebouwd en de afstand tussen die twee gebouwen evenmin ten minste 1 meter bedraagt. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van de uitspraak.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, opnieuw voorziend in de zaak, het bezwaar van eiseres met betrekking tot de geringe afstand van de schuur tot haar woning gegrond verklaard en het besluit van 27 september 2018 op dit punt herroepen. Voorts heeft verweerder in heroverweging wederom omgevingsvergunning verleend op basis van een door vergunninghouder ingediende nieuwe aanvraag met gewijzigde tekeningen.

2.1

De rechtbank stelt vast dat het feitelijk niet meer mogelijk was het besluit van 27 september 2018 gedeeltelijk te herroepen, aangezien de rechtbank dit besluit al had vernietigd. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat met het gedeeltelijk herroepen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 27 september 2018 niet meer en niet minder is beoogd dan te voldoen aan de opdracht om een nieuw besluit op de bezwaren te nemen. Omdat met deze uitleg het bestreden besluit op dit punt niet tot misverstanden kan leiden, zal de rechtbank hier aan voorbijgaan.

2.2

De rechtbank kan echter niet voorbijgaan aan het gegeven dat verweerder bij het bestreden besluit een nieuwe omgevingsvergunning heeft verleend voor een gewijzigd bouwplan en verzuimd heeft om de bij het primaire besluit van 29 mei 2018 verleende omgevingsvergunning te herroepen. Hierdoor bestaan twee omgevingsvergunningen naast elkaar, tenzij kan worden gezegd dat het thans bestreden besluit strekt ter vervanging van het primaire besluit van 29 mei 2018, zoals bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) 29 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3199 en 4 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4648) is, indien hangende een bezwaar- of beroepsprocedure met betrekking tot een bouwvergunning, bij nader besluit naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag vergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan waarvoor de eerdere bouwvergunning is verleend, op dat nadere besluit artikel 6:19 van de Awb van toepassing, mits die wijziging van ondergeschikte aard is. Van belang is daarbij dat voor een dergelijke wijziging geen nieuwe bouwaanvraag nodig zou zijn geweest, indien nog niet zou zijn beslist op de oorspronkelijk aanvraag.

2.3

De rechtbank is van oordeel dat het wijzigen van een niet-aaneen gebouwd bijgebouw in een aaneen gebouwd bijgebouw niet kan worden aangemerkt als een wijziging van ondergeschikte aard. Er is dus geen sprake van een wijziging van ondergeschikte aard als verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het vergunninghouder met de nieuwe omgevingsvergunning is toegestaan om zijn schuur en de woning van eiseres aaneen te bouwen. De rechtbank zal dan ook allereerst beoordelen of dit standpunt van verweerder juist is.

2.4.1

Op de gewijzigde tekeningen is, in de bewoordingen van het bestreden besluit, te zien dat de schuur tegen de woning van eiseres gesitueerd is en dus aaneen gebouwd is. Volgens verweerder is dit in overeenstemming met artikel 21.2.1, aanhef en onder j, van de planregels en kan er geen hinder door vuil in de tussenruimte meer ontstaan.

2.4.2

De rechtbank kan verweerder hier in volgen, te meer omdat op de detailtekeningen kitvoegen zijn ingetekend. Maar dat betekent dat de schuur aan de woning van eiseres is bevestigd, terwijl eiseres te kennen heeft gegeven dat zij hier geen toestemming voor verleent. Ter zitting is namens verweerder betoogd dat de schuur in bouwkundige zin niet tegen de woning van eiseres wordt aangebouwd en in juridische zin niet aan die woning wordt vastgemaakt omdat een kitvoeg moet worden beschouwd als een afdichting en niet als een bevestiging. De rechtbank kan dit betoog niet volgen omdat de kitvoeg, zowel bouwkundig als juridisch, de verbinding vormt tussen de schuur en de woning van eiseres.

2.5

Sinds de inmeting door het Kadaster op 26 juli 2019 staat vast dat de woning van eiseres geheel op eigen grond is gelegen. Dat betekent dat eiseres niet hoeft te gedogen dat vergunninghouder de schuur op enigerlei wijze tegen haar woning bevestigt.

Naar het oordeel van de rechtbank is de bevestiging van de schuur aan de woning van eiseres – ook door middel van een kitvoeg – een privaatrechtelijke belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

Van belang is daarbij dat verweerder de omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van de kruimelgevallenregeling, waardoor verweerder gehouden is om alle betrokken belangen af te wegen. Daarbij komt aan de door eiseres opgeworpen privaatrechtelijke belemmering doorslaggevend gewicht toe. Anders dan vergunninghouder heeft betoogd, betreft het een evidente privaatrechtelijke belemmering. Zoals hiervoor is vastgesteld, staat de woning van eiseres niet op de erfgrens maar geheel op eigen grond en is het evident dat zij in een procedure als deze geen inbreuk op haar eigendom hoeft te dulden. Het bestemmingsplan biedt vergunninghouder de mogelijkheid om een schuur te realiseren op een afstand van 1 meter van de woning van eiseres.

3.1

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de gewijzigde aanvraag had moeten weigeren. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

3.2

Daarnaast zal de bij het primaire besluit van 29 mei 2018 verleende omgevingsvergunning door de rechtbank worden herroepen. Sinds de uitspraak van de rechtbank van 3 juli 2019 staat vast dat ingevolge artikel 21.2.1, aanhef en onder j, van de planregels, de afstand van de beide gebouwen onderling, niet aaneen gebouwd, ten minste 1 meter dient te bedragen (indien de gebouwen niet aaneen zijn gebouwd). De omgevingsvergunning van 29 mei 2018 is verleend voor een bouwplan waarbij de schuur is voorzien op een afstand van 16 centimeter (begane grond) en een afstand van 4 centimeter (eerste verdieping) van de woning van eiseres. De schuur en de woning van eiseres zijn dus niet aaneen gebouwd terwijl de afstand tussen de gebouwen niet ten minste 1 meter bedraagt. Verweerder heeft deze vergunning dus niet in stand kunnen laten.

3.3

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat op de 11 januari 2018 bij verweerder aangevraagde omgevingsvergunning zal worden geweigerd. De overige beroepsgronden van eiseres kunnen reeds hierom buiten beschouwing gelaten worden.

4. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Voorts zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat op de 11 januari 2018 aangevraagde omgevingsvergunning wordt geweigerd;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,-- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier op 1 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

P.H.M. Verdonschot, griffier G.M.J. Kok, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.