Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4152

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
20/17
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/17 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2020 in de zaak tussen

[nam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser

gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer,

en

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder.

Procesverloop

In de besluiten van 18 juli 2019 (intrekkingsbesluit) en 14 augustus 2019 (terugvorderingsbesluit) heeft Baanbrekers eisers recht op uitkering op grond van de Participatiewet respectievelijk ingetrokken en teruggevorderd.

In het besluit van 20 november 2019 (bestreden besluit) heeft Baanbrekers eisers bezwaar tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Baanbrekers heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 23 juli 2020. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, zijn broer, [naam broer] , die als tolk optrad, en [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] als gemachtigden van Baanbrekers.

Overwegingen

De feiten

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser en zijn echtgenote, [naam echtgenote] , hebben van 13 oktober 2016 tot en met 11 maart 2019 een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen naar de norm voor gehuwden. Zij werden geacht te wonen op het uitkeringsadres aan de [adres 1] in [naam woonplaats] .

Baanbrekers heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering. Uit bankafschriften bleek dat er veel kasstortingen plaatsvonden en dat er weinig uitgaven voor levensonderhoud werden gedaan. Boodschappen werden gedaan in Waalwijk en Kaatsheuvel, niet in [naam woonplaats] . Gebleken is van een laag waterverbruik. Er zijn verklaringen afgelegd door buurtbewoners. Op 15 mei 2019 is met eiser en zijn echtgenote een spreekkamergesprek gevoerd, en aansluitend is een huisbezoek afgelegd. Ook is navraag gedaan bij de verhuurder en bij de toezichthouder BRP van de gemeente Heusden.

Het onderzoek heeft tot de conclusie geleid dat de feitelijke woon- en leefsituatie van eisers gezin anders is dan hij heeft opgegeven, en dat er geen hoofdverblijf was op het uitkeringsadres. Daarop is het intrekkingsbesluit genomen, waarbij het recht op algemene en bijzondere bijstand met ingang van 13 oktober 2016 is ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Participatiewet.

In het terugvorderingsbesluit heeft Baanbrekers de kosten van de teveel verleende bijstand over de periode van 13 oktober 2016 tot en met 31 december 2018 teruggevorderd. De hoogte van de vordering bedraagt € 45.400,18.

In het bestreden besluit zijn de bezwaren tegen de primaire besluiten, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, ongegrond verklaard.

Het geschil

2. Partijen verschillen van mening over de vraag of de uitkering terecht is ingetrokken en teruggevorderd.

De beroepsgronden

3. Eiser betwist dat sprake is geweest van schending van de inlichtingenplicht. Zijn gezin had het hoofdverblijf wel degelijk aan het adres in [naam woonplaats] .

Hij meent voor de kasstortingen een sluitende verklaring te hebben gegeven.

Eiser heeft toegelicht waarom minder water is gebruikt dan het gemiddelde. Omdat het gezin

van de bijstandsnorm leeft wordt zo veel mogelijk bespaard op watergebruik. Ook zijn er problemen geweest met Brabant Water over de watermeter. Ter zitting is nog aangevoerd dat het kind veel bij eisers moeder is en dat de wasmachine kapot is geweest. Volgens eiser had Baanbrekers onderzoek moeten doen bij Brabant Water.

Eiser voert verder aan dat uit de bevindingen bij het huisbezoek niet kan worden afgeleid dat in de woning niet wordt geleefd. In de koelkast lagen wel verse producten, dat is volgens eiser ook te zien op de foto’s die zijn gemaakt. Op de zitting is aangevoerd dat het onderzoek plaatsvond tijdens Ramadan, en dat het gezin toen vaak bij familie at.

De meldingen die bij de verhuurder en de wijkagent zijn gedaan hebben, anders dan Baanbrekers stelt, niet tot onderzoek geleid.

Uit de verklaringen van omwonenden kan volgens eiser niet worden afgeleid dat eiser niet woonde op het uitkeringsadres. Eiser heeft twee verklaringen overgelegd van omwonenden die verklaren dat eiser en zijn echtgenote onafgebroken hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hebben gehad, omdat zij hen regelmatig zien bij het huis.

Over de pinmutaties buiten [naam woonplaats] heeft eiser aangevoerd dat hij gewerkt heeft in Kaatsheuvel en dat hij voornamelijk boodschappen doet in een Turkse winkel in Waalwijk.

De gegevens uit het systeem dat afvaldeponering registreert zijn volgens eiser onbetrouwbaar. Baanbrekers heeft geen bewijsstuk overgelegd waaruit de betrouwbaarheid van het systeem blijkt. Op basis van een gering aantal deponeringen van afval kan niet worden geconcludeerd dat het gezin niet op het uitkeringsadres heeft verbleven.

Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij afval meenam naar zijn ouders, of wegbracht naar openbare stortgelegenheden, omdat hij dacht daar kosten mee te besparen.

Volgens eiser is het onderzoek onzorgvuldig geweest en kunnen de bevindingen de conclusie over het hoofdverblijf niet dragen.

Wettelijk kader

5. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

De beoordeling door de rechtbank

6. Het geschil heeft betrekking op het recht op bijstand in de periode die begint op de datum met ingang waarvan het recht is ingetrokken, 13 oktober 2016, en die eindigt op de datum van het intrekkingsbesluit, 18 juli 2019.

7. Voor een juiste toepassing van de Participatiewet is van essentieel belang dat duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende.

Besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand zijn belastende besluiten. Het is daarom aan het bestuursorgaan om de nodige kennis over de concrete feiten en omstandigheden te verzamelen.

Waterverbruik

8. De motivering van het bestreden besluit is ontleend aan de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de betekenis van een extreem laag waterverbruik, zoals de uitspraken van 31 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2322) en van 5 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3514). Volgens die rechtspraak kunnen gegevens over het waterverbruik een indicatie geven of een belanghebbende woont op het opgegeven adres. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen, enerzijds, extreem laag en, anderzijds, (zeer) laag waterverbruik. Waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden wordt gezien als extreem laag. Dit ongeacht het aantal personen van het huishouden. Een laag waterverbruik, maar meer dan 7 m³ per jaar per huishouden wordt gezien als (zeer) laag.

Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt, volgens die rechtspraak, de vooronderstelling dat een belanghebbende niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is dan aan de belanghebbende om het tegendeel aannemelijk te maken. Bij zeer laag waterverbruik geldt dit niet. In dat geval moet het college aanvullend bewijs vergaren om aannemelijk te maken dat belanghebbende niet woont op het uitkeringsadres.

9 . Volgens Baanbrekers is een gemiddeld waterverbruik voor drie personen volgens NIBUD-normen ongeveer 135 kubieke meter per jaar, en is het gemiddeld verbruik voor een huishouden van één persoon 46 kubieke meter per jaar. Eiser heeft dat niet betwist. Wel heeft hij naar voren gebracht dat hij zuinig is met water omdat hij moet rondkomen van een bijstandsuitkering. Daarom zijn, volgens hem, de door de CRvB gehanteerde normen niet onverkort op zijn situatie van toepassing.

Naar het oordeel van de rechtbank miskent eiser hiermee dat de door de CRvB gehanteerde normen betrekking hebben op huishoudens die, zoals dat van eiser, van een bijstandsuitkering moeten rondkomen.

10. Het gemiddeld waterverbruik van eisers gezin in de te beoordelen periode is op basis van gegevens van Brabant Water berekend op 17 kubieke meter per jaar. Volgens eiser was er een probleem met Brabant Water, waar Brabant Water niets mee heeft gedaan, en kan het werkelijk waterverbruik hoger zijn geweest.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat meer water verbruikt is dan Brabant Water heeft geregistreerd. Dat hij bij Brabant Water een probleem heeft aangekaart heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt. Er was daarom geen aanleiding voor Baanbrekers om inlichtingen in te winnen bij Brabant Water. Van het door eiser gestelde onderzoeksgebrek is geen sprake.

11. In de bezwaarprocedure heeft eiser een verklaring afgelegd over de frequentie van het douchegebruik die afwijkt van de verklaring die hij in het kader van het onderzoek aflegde. Op de zitting van de rechtbank heeft hij voor het eerst verklaard dat de wasmachine kapot is geweest. Dit heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank kent daarom geen betekenis toe aan deze achteraf afgelegde verklaringen.

De beroepsgronden over de omvang van het waterverbruik slagen dan ook niet en Baanbrekers mocht uitgaan van een gemiddeld verbruik van 17 kubieke meter per jaar.

12. In het licht van de in overweging 8 beschreven rechtspraak is geen sprake van een extreem laag waterverbruik, maar van een (zeer) laag waterverbruik. Het is dan aan het college om met aanvullend bewijs aannemelijk te maken dat eisers gezin niet woonde op het uitkeringsadres. De rechtbank zal hierna de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit beoordelen.

Huisbezoek

13. Bij het huisbezoek zijn volgens de onderzoekers in de koelkast niet de producten aangetroffen die daar, volgens eisers verklaring in het voorafgaande gesprek, zouden liggen. Er zouden alleen houdbare producten in de koelkast liggen en geen versproducten. Verder zou de woning weliswaar volledig ingericht zijn, maar een onbewoonde indruk maken.

Eiser heeft de conclusies die de onderzoekers aan de bevindingen hebben verbonden betwist. Er lagen volgens hem wel versproducten in de koelkast. De bedden worden iedere ochtend netjes opgemaakt, maar waren wel beslapen. Tijdens het huisbezoek heeft eiser verklaard waar de administratie lag, maar de onderzoekers hebben daar niet naar gekeken.

Op de zitting heeft de rechtbank met partijen besproken wat er te zien is op de foto’s die tijdens het huisbezoek zijn gemaakt. Uit die foto’s blijkt dat de koelkast goed gevuld was, onder meer met versproducten, dat tijdschriften en andere spullen in de woonkamer rondslingerden, dat kledingkasten goed gevuld waren, dat er was aan een droogrek hing en dat er verzorgingsproducten in de badkamer lagen. Namens Baanbrekers is ter zitting verklaard dat aangenomen is dat er administratie in de woning ligt.

Naar het oordeel van de rechtbank berust de opvatting van Baanbrekers dat de woning een onbewoonde indruk maakte op een ontoereikende feitelijke grondslag. De bevindingen bij het huisbezoek vormen geen aanvullend bewijs dat eisers gezin niet woonde op het uitkeringsadres.

Afval

14. In het kader van de bezwaarprocedure heeft Baanbrekers inlichtingen ingewonnen bij de afvalstoffendienst die de lediging van de afvalcontainers verzorgt. Volgens die inlichtingen is door eiser in de te beoordelen periode twee keer GFT-afval aangeboden, namelijk in september 2017 en in april 2018, en is in totaal negen keer restafval door eiser aangeboden. In de periode tussen februari 2018 en februari 2019 is geen enkele keer restafval aangeboden. Op grond van die gegevens kan volgens Baanbrekers redelijkerwijs niet worden aangenomen dat eisers gezin hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres.

Eiser heeft daartegen aangevoerd dat het bestand van de afvalstoffendienst waarop Baanbrekers zich baseert onbetrouwbaar is omdat iedereen daar aanpassingen in kan invoeren. Onduidelijk is of de genoemde pas- en chipnummers daadwerkelijk gelinkt staan aan het uitkeringsadres.

Mede met het oog op uitspraken van de CRvB van 1 mei 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1387) en van 29 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:335) is de rechtbank van oordeel dat het aanbieden van een geringe hoeveelheid afval een aanwijzing kan zijn dat de betrokkene niet woont op het opgegeven adres.

Dat het gebruikte bestand onbetrouwbaar is omdat iedereen er aanpassingen kan invoeren heeft eiser niet gemotiveerd of aannemelijk gemaakt. Dat de gegevens over het afvalaanbod betrekking hebben op het uitkeringsadres blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de mailwisseling van de afvalstoffendienst met de onderzoeker van Baanbrekers, met name uit de samenhang tussen het bericht van 29 oktober 2019 van de onderzoeker van Baanbrekers, waarin het uitkeringsadres wordt genoemd, met de reactie van 30 oktober 2019 van de afvalstoffendienst, waarin de gevraagde gegevens worden verstrekt.

Eiser heeft op de zitting van de rechtbank ook niet betwist dat hij weinig afval aanbiedt in de afvalcontainers. Hij meende kosten te besparen door afval mee te nemen naar zijn moeder en door afval elders achter te laten. Ook dit heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt.

Het geringe aanbod van afval op het uitkeringsadres vormt dan ook aanvullend bewijs dat eisers gezin niet woonde op het uitkeringsadres.

Verklaringen van omwonenden

15. In het kader van het onderzoek is gesproken met twee bewoners van de [adres 2] in [naam woonplaats] , waarvan één anoniem wilde blijven. De bewoner die anoniem wilde blijven verklaarde eisers gezin vanaf het begin dat zij de woning toegewezen hebben gekregen niet of nauwelijks te hebben gezien in de woning. De bewoner van de [adres 3] verklaarde dat eisers gezin na de ramadan 2018, op enkele nachten na, niet meer op het adres is geweest. Ook voor de ramadan 2018 had deze bewoner al bedenkingen hoe het zat met de woon- en leefsituatie op huisnummer [nummer] . Via een BOA/Toezichthouder BRP van de gemeente Heusden is een melding verkregen die de heer [naam] , (destijds) wonende aan de [adres 2] op 30 juli 2018 heeft gedaan. [naam] verklaarde zich af te vragen waar het gezin verblijft en dat er al langere tijd niemand aanwezig was. Volgens die drie verklaringen, die onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd en waarin concrete gegevens zijn opgenomen, is het gezin van eiser, nadat de woning hen is toegewezen, daar al lange tijd niet aanwezig.

Eiser heeft in de bezwaarprocedure verklaringen overgelegd van de bewoners van de [adres 4] en de [adres 2] in [naam woonplaats] , waaruit volgens eiser blijkt dat hij wel op het uitkeringsadres woont. Het zijn voorgedrukte, gelijkluidende verklaringen waarin met de hand summiere gegevens zijn ingevuld. Ze zijn niet gedateerd en concrete gegevens ontbreken. Legitimatiebewijzen van de ondertekenaars ontbreken eveneens. Uit die verklaringen blijkt niet sinds wanneer de verklarende bewoners op de opgegeven adressen wonen en op welke waarnemingen zij hun verklaringen baseren.

Ten aanzien van de verklaring die is afgelegd door de bewoner die zegt aan de [adres 2] te wonen – [naam bewoner] - is opmerkelijk dat in mei 2018 een bewoner van datzelfde adres met een andere naam – [naam] - tegenover de BOA/Toezichthouder een volstrekt andersluidende verklaring aflegde.

De rechtbank concludeert dat de verklaringen die Baanbrekers aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd aanvullend bewijs vormen dat eisers gezin niet woonde op het uitkeringsadres. De door eiser overgelegde verklaringen doen daar niet aan af.

De pintransacties

16. Aan het bestreden besluit ligt voorts ten grondslag dat uit de bankafschriften blijkt dat de meerderheid van de betalingen plaatsvindt in Waalwijk, Sprang-Capelle en Kaatsheuvel en dat niet blijkt van uitgaven in de gemeente Heusden. De verklaring die eiser daarvoor heeft gegeven acht de rechtbank aannemelijk en naar het oordeel van de rechtbank hoeft het betaalgedrag er niet op te wijzen dat eisers gezin niet op het uitkeringsadres woonde.

Ter zitting heeft de gemachtigde van Baanbrekers gewezen op de omstandigheid dat volgens de bankafschriften heel weinig, in sommige maanden helemaal geen uitgaven werden gedaan voor boodschappen.

De rechtbank overweegt dat de geringe uitgaven, evenals de kasstortingen, niet ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Die omstandigheden zullen dan ook niet bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken.

Slotoverwegingen

17. De rechtbank concludeert dat, naast het lage waterverbruik, de gegevens over het aanbieden van afval en de verklaringen van omwonenden voldoende grondslag vormen voor de vaststelling dat eisers gezin in de te beoordelen periode geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Baanbrekers was dan ook gehouden om het recht op uitkering in te trekken.

18. Tegen de handhaving van het terugvorderingsbesluit zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat dat besluitonderdeel geen bespreking behoeft.

19. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

20. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.H.J. Vermariën, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 1 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.