Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4147

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
AWB- 20_7925 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Meewerken onderzoek en schorsen geldigheid rijbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7925 WVW VV

uitspraak van 3 september 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. W.R. Aerts,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR),

verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 juni 2020 (bestreden besluit) van het CBR inzake de oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid en schorsing van het rijbewijs. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 1 september 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het CBR heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Sheikchote.

Overwegingen

1. Op 31 januari 2020 is naar aanleiding van een verkeersongeval een melding op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) gedaan namens de korpschef door twee hoofdagenten van de Politie eenheid Zeeland-West-Brabant, van het vermoeden dat verzoekster niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid, vereist voor het besturen van de categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven.

Naar aanleiding van deze melding heeft het CBR op 19 maart 2020 besloten om aan verzoekster een onderzoek naar de geschiktheid tot rijden op te leggen en te bepalen dat zij voorlopig niet mag rijden. Het tegen die beslissing gerichte bezwaar is door het CBR bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Tussen partijen is in geschil of het CBR op goede gronden een onderzoek naar verzoeksters geschiktheid tot rijden heeft opgelegd en de geldigheid van het rijbewijs heeft geschorst.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.

4. Allereerst dient de voorzieningenrechter te beoordelen of verzoekster spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster stelt dat zij door het niet kunnen gebruiken van de auto niet op tijd op haar werk kan zijn als zij haar kind heeft afgezet op school. Daarnaast kan zij haar moeder nauwelijks meer bezoeken.

Ter zitting is gebleken dat verzoekster zich de afgelopen maanden, sedert 19 maart 2020, zonder rijbewijs heeft weten te redden. Zij brengt haar kind op de fiets naar school en heeft daarbij soms hulp van haar ex-partner. Daarnaast is gebleken dat zij ook met het openbaar vervoer haar kind naar school kan brengen, en dan tijdig op haar werk kan verschijnen. Dat verzoekster dan wat vroeger op school is en daar even moet wachten, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

De stelling van verzoekster ter zitting dat zij binnenkort een leidinggevende functie krijgt en daarvoor eerder op haar werk moet verschijnen, is niet onderbouwd. Ook is niet gebleken het bezit van een rijbewijs voor de uitoefening van deze functie noodzakelijk is.

Gelet op het hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen spoedeisend belang bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het CBR ingenomen standpunt juist is en of het besluit in een bodemprocedure in stand zal blijven.

6. Verzoekster heeft aangevoerd dat het haar steeds duidelijker is geworden dat zij ten tijde van het ongeval niet de bestuurder van de auto was.

Zoals blijkt uit de gedingstukken is een proces-verbaal tegen verzoekster opgemaakt wegens het besturen van een voertuig onder invloed van drogerende middelen (alcohol). De auto waarmee het ongeval is gebeurd, betrof de auto van verzoekster en zij heeft tegenover de verbalisant destijds ook verklaard dat zij de auto heeft bestuurd, terwijl zij teveel alcohol had genuttigd. Het ademalcoholgehalte bedroeg blijkens de uitslag van de ademanalyse 805 µg/l.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in deze fase van de procedure slechts het vermoeden van ongeschiktheid aan de orde is. De feiten en omstandigheden die blijken uit de processen-verbaal zijn naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in onderlinge samenhang bezien voldoende om een vermoeden van ongeschiktheid op te baseren. De voorzieningenrechter ziet, voorlopig oordelend, dan ook geen aanleiding om het standpunt van verweerder als evident onrechtmatig aan te merken.

De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier op 3 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.