Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4124

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
AWB 19_6154
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6154 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (UWV; kantoor Goes ), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 28 juni 2019 (primaire besluit) heeft het UWV na een zogeheten eerstejaarsbeoordeling de ZW-uitkering van eiseres beëindigd met ingang van 29 juli 2019.

In het besluit van 29 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft op 10 februari 2020 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 12 augustus 2020.

Hierbij waren aanwezig eiseres en namens het UWV, mr. M. Reitsma.

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is werkzaam geweest als medewerkster Grand Café en als schoonmaakster, in beide gevallen voor de Stichting [naam stichting] naast haar werk als medewerker snackbar voor [naam snackbar] op Camping [naam camping] . Voor dat werk heeft het UWV eiseres met ingang van 2 augustus 2017 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend in verband zwangerschaps- en bevallingsklachten.

Met ingang van 19 februari 2018 heeft het UWV die uitkering beëindigd en eiseres per die datum een zwangerschaps- en bevallingsuitkering toegekend.

Bij besluit van 1 mei 2018 heeft het UWV besloten dat die uitkering loopt tot 13 juni 2018.

Bij besluiten van 27 augustus 2018 en 5 september 2018 heeft het UWV eiseres recht op uitkering ingevolge de ZW toegekend met ingang van 13 juni 2018. Dit in verband met haar pijnklachten van het bekken en de lage rug, naast een angststoornis.

Bij het primaire besluit (van 28 juni 2019) heeft het UWV na een zogeheten eerstejaarsbeoordeling de ZW-uitkering beëindigd met ingang van 29 juli 2019.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de ZW-uitkering van eiseres heeft

beëindigd per 29 juli 2019.

3. Wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).

Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.

Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:

- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én

- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).

De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).

4. Toetsingskader

Niet in geschil is dat eiseres 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht ook heeft beoordeeld of eiseres in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van haar maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.

5. Medische beoordeling

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een primaire arts onder verantwoordelijkheid van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

5.1

Primaire arts F.M. Bentvelsen heeft eiseres gezien op het spreekuur van 25 juni 2019 en het dossier bestudeerd. De primaire arts heeft onder verantwoordelijkheid van verzekeringsarts M.B.F.A. Strik gerapporteerd dat plausibel is dat er enige beperkingen voor zware fysieke arbeid zijn bij eiseres, waarbij op de achtergrond een psychische angststoornis bij spanning door het alleen maar thuis zijn, een rol speelt. Een beperking in conflicthantering acht de primaire arts uit preventief oogpunt aannemelijk.

5.2

Verzekeringsarts b&b C.H.C. Lemmers heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd. Hij constateert dat de primaire arts een ruim voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat deze over voldoende informatie beschikte om tot een weloverwogen beslissing te komen. Lemmers geeft aan dat bij de inschatting van de als gevolg van de bekkeninstabiliteit aan te nemen beperkingen de klachtenbeleving een rol speelt, maar dat de subjectieve klachtenbeleving niet leidend kan zijn. Alleen de medisch te objectiveren beperkingen zijn van belang voor het aannemen van beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De verzekeringsarts b&b heeft geen medische informatie aangetroffen waarin de klachten van eiseres worden geobjectiveerd op de datum in geding op de wijze zoals zij die ervaart.

Ten aanzien van een post traumatisch stresssyndroom acht Lemmers opvallend dat hypervigilantie (te grote waakzaamheid) en herbelevingen niet zijn gebleken in het vraaggesprek en de observatie.

Verder merkt hij nog op dat juist het hervatten in fysiek en psychisch passende arbeid de noodzakelijke structuur en afleiding geeft en als zodanig zelfs klachten reducerend kan werken, waarbij hem is opgevallen dat de afwezigheid uit het arbeidsproces eerder klachten bestendigend heeft gewerkt.

De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de FML van 25 juni 2019.

5.3

Standpunt eiseres

Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat zij nog niet is genezen. Zij wilde behandeling bij Emergis en bekkenbodemtherapie tegelijk doen maar moest erg lang wachten op een plek bij Emergis . Na 12 behandelingen is zij nu gestopt omdat de zorgverzekeraar het niet meer vergoedt, hoewel de klachten van onderrug en bekkenbodem er nog steeds zijn. Verder wijst eiseres op de gevolgen van de bevalling hemorroïden, waarvoor zij nog behandeling nodig heeft. Voorts wijst eiseres er op dat haar medische gegevens niet waren opgevraagd en het gesprek bij de verzekeringsarts kort is gehouden. Een wisselende slaapstoornis zoals die uit het dagverhaal blijkt, is onder “psychisch onderzoek” ontkend. Dat is volgens eiseres niet eerlijk. Zij zoekt nog steeds naar de juiste behandelaars. Vervelend vindt eiseres dat zij inmiddels is doorverwezen naar de gynaecoloog maar daar nog niet in behandeling is omdat er geen plek is voor haar. Het genezingsproces wordt daarmee langer maar daar stelt eiseres zelf niets aan te kunnen doen.

5.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de artsen van het UWV bij eiseres niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapportages van deze artsen dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten, waaronder de psychische problemen, de bekkenbodemklachten en de overige gevolgen van zwangerschap en bevalling.

Eiseres heeft in beroep geen informatie overgelegd die de rechtbank aanleiding geeft te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Eiseres verwijt de verzekeringsartsen geen informatie te hebben opgevraagd bij haar behandelaars. Daarvoor is in dit geval echter geen noodzaak gebleken. De primaire arts heeft eiseres zelf lichamelijk en psychisch onderzocht. Het ziektebeeld was op grond daarvan en de al voorhanden zijnde informatie voldoende duidelijk voor de artsen van het UWV. De rechtbank is niet gebleken dat één van de behandelaars daar nog iets wezenlijks aan had kunnen toevoegen. Daarbij moet worden begrepen dat het juist de expertise van een verzekeringsarts is om medische klachten te vertalen naar beperkingen zoals die worden opgenomen in een FML.

Dat eiseres nog niet is uitbehandeld betekent niet dat de voor haar door de artsen van het UWV vastgestelde beperkingen niet juist zijn gesteld. Voor zover eiseres nog heeft aangevoerd dat zij er niets aan kan doen dat de genezing langer duurt omdat zij niet eerder aan de beurt is bij verschillende behandelingen kan de rechtbank ook niet inzien dat daaruit blijkt dat het UWV de medische situatie van eiseres op de datum in geding onjuist heeft ingeschat.

Het afwachten van de behandeling is in deze procedure niet aangewezen. Bepalend is immers hoe de medische situatie van eiseres op de datum in geding (29 juli 2019) was en wat zij op dat moment nog kon met haar beperkingen.

De door eiseres bij haar beroep overgelegde medische informatie heeft ook geen nieuwe medische inzichten opgeleverd die door de verzekeringsarts b&b bij het bestuderen van de medische gegevens niet zijn betrokken. Ook de onlangs door eiseres nog ingebrachte medische informatie zoals die ter zitting nog is besproken werpen geen ander licht op de zaak omdat het gaat over de klachten die bij de artsen van het UWV bekend waren en door hen waren betrokken in hun afwegingen.

Dat eiseres zich meer beperkt voelt dan door het UWV is aangenomen acht de rechtbank invoelbaar, maar hoe eiseres haar klachten ervaart is volgens de wet echter niet bepalend. Het gaat erom dat deze klachten medisch geobjectiveerd kunnen worden, volgens erkende medisch-wetenschappelijke methoden. Het UWV heeft alleen rekening mogen houden met de medisch geobjectiveerde klachten en beperkingen van eiseres op de datum in geding en heeft dat volgens de rechtbank voldoende zorgvuldig gedaan.

Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 25 juni 2019.

6. Geschiktheid voor de functies

6.1

Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: administratief medewerker (document scannen) (Sbc-code 315133), monteur printplaten (Sbc-code 267050) en administratief ondersteunend medewerker (Sbc-code 315100).

6.2

De rechtbank ziet geen reden te oordelen dat de voor eiseres geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 27 juni 2019. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiseres de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies.

De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

7. Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Omdat pas recht bestaat op een ZW-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de ZW-uitkering terecht beëindigd per 29 juli 2019.

Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

8. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.