Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4123

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
AWB 19_5255
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BRE 19/5255

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5255

uitspraak van 28 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

dr.ir. [namen van eisers], beiden te [plaatsnaam] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, verweerder.

Derde partij: [vergunninghoudster] , te [plaatsnaam] , vergunninghoudster.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 september 2019 (hierna: bestreden besluit) inzake een vergunning voor het maken van een uitweg.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 3 juli 2020.

Eisers waren daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] . Ook vergunninghoudster was aanwezig.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met twee weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

1.1.

Vergunninghoudster heeft de eigendom van het perceel dat plaatselijk bekend staat als Leeuweriklaan [ huisnummer vergunninghoudster] te [plaatsnaam] , en kadastraal als gemeente [plaatsnaam] , sectie H, nummer 1369 (hierna: perceel H1369). Zij wil daar een woning realiseren. Voor het bouwen ervan heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend. Die vergunning is in rechte onaantastbaar geworden.

1.2.

Tussen perceel H1369 en de Leeuweriklaan ligt het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente [plaatsnaam] , sectie H, nummer 2460 (hierna: perceel H2460). De vennootschap ‘ [naam B.V.] is eigenaresse van perceel H2460 . Op perceel H2460 rust een erfdienstbaarheid in de zin van artikel 5:70, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Op grond daarvan mag vergunninghoudster met een voertuig over perceel H2460 rijden om de Leeuweriklaan te (kunnen) bereiken.

1.3.

Van perceel H1369 naar de Lijsterlaan loopt een verhard pad dat feitelijk door personenauto’s kan worden gebruikt. Eisers hebben gesteld dat er geen juridische belemmeringen zijn om dit pad te benutten als mogelijkheid voor de ontsluiting van perceel H1369 . Verweerder en vergunninghoudster hebben de juistheid van die stelling niet betwist.

1.4.

Eisers hebben de eigendom van – en wonen op – het perceel dat plaatselijk bekend staat als Lijsterlaan [huisnummer eisers] te Dongen. Dit perceel grenst wel aan perceel H1369, maar niet aan perceel H2460. Eisers hebben gesteld dat zij vanuit hun tuin zicht hebben op perceel H2460, ook na de realisering van een woning op perceel H1369.

2. Procedure

2.1

Per formulier gedateerd 11 mei 2019 (hierna: aanvraag) heeft vergunninghoudster aan verweerder gevraagd om een vergunning voor het maken en hebben van een uitweg vanaf perceel H1369 naar de Leeuweriklaan.

2.2.

Bij besluit van 23 mei 2019 (hierna: primair besluit) heeft verweerder de op 11 mei 2019 aangevraagde omgevingsvergunning verleend, onder verwijzing naar artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en artikel 2.12, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Dongen (hierna: APV). Eisers hebben bezwaar tegen het primaire besluit gemaakt.

2.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Daaraan heeft hij, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat artikel 2.12, eerste lid, van de APV geen ruimte voor afwijzing van de aanvraag biedt. Eisers hebben beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.

3. Omvang van het geschil

3.1.

Eisers staan op het standpunt dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft verleend. Daarom willen eisers dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt en zelf in de zaak voorziet, door het primaire besluit te herroepen en te vervangen door de afwijzing van de aanvraag.

3.2.

Ter ondersteuning van dit standpunt voeren eisers, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aan.

Toen het bestreden besluit werd genomen, beschikte verweerder over onvoldoende correcte gegevens om een juridisch houdbare beslissing op de aanvraag te kunnen nemen.

Het gaat hier niet om het maken van een uitweg vanaf perceel H1369 naar de Leeuweriklaan, maar om het maken van een weg op perceel H2460. Verweerder is juridisch verplicht om ervoor te zorgen dat op perceel H2460 openbaar groen wordt gerealiseerd, maar kan die verplichting na aanleg van de vergunde uitweg niet langer (laten) nakomen.

Perceel H1369 beschikt al over een uitweg, en door het maken van de bij het primaire besluit vergunde uitweg verdwijnt openbaar groen.

3.3.

Uit de gedingstukken kan worden afgeleid – en ter zitting hebben eisers uitdrukkelijk verklaard – dat hun verzet tegen de aanleg van een pad op perceel H2460 is ingegeven door de eis dat verweerder uitvoering geeft aan het ter zitting overgelegde zogeheten ‘beplantingsplan’ behorende bij een besluit van verweerder van 19 augustus 2008 (hierna: beplantingsplan). Het beplantingsplan voorziet volgens eisers aan drie bomen op, dan wel in de directe nabijheid van, perceel H2460. Volgens eisers kan ten gevolge van het aanleggen van een uitweg op dit perceel geen uitvoering worden gegeven aan het beplantingsplan.

4. Belanghebbende

4.1.

Ter zitting is met partijen gesproken over de vraag of het bezwaar ontvankelijk is, en in dit kader over de vraag of eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de rechtbank stond aanvankelijk namelijk niet vast dat het belang van eiser rechtstreeks bij het primaire besluit is betrokken, aangezien het perceel van eisers en perceel H2460 niet aan elkaar grenzen.

4.2.

Na bestudering van de gedingstukken en de verklaringen die daarover ter zitting zijn afgelegd, is de rechtbank van oordeel dat eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, en daarmee dat het bezwaar ontvankelijk is. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.

De afstand tussen het perceel van eisers en perceel H2460 is niet groot. De rechtbank acht aannemelijk dat eisers vanuit hun tuin zicht op perceel H2460 hebben, en dit zicht zullen behouden na de bouw van de woning op perceel H1369 overeenkomstig de daarvoor verleende omgevingsvergunning, ook indien – zoals vergunninghoudster ter zitting heeft gesteld – in de achtertuin van eisers veel bomen en struiken staan.

4.4.

Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat eisers door de effectuering van het primaire besluit, naar objectieve maatstaven bezien, hinder van enige betekenis kunnen ondervinden. De verharding van (een deel van) perceel H2460 en de realisering van de door vergunninghoudster gewenste uitweg hebben immers mogelijk consequenties voor de groenvoorziening in dit gedeelte van de Leeuweriklaan.

4.5.

Nu de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar ontvankelijk is, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of verweerder de aanvraag terecht heeft toegewezen.

5. Voldoende informatie voor een beslissing op de aanvraag

5.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken die verweerder op 2 december 2019 heeft ingezonden. Voor de rechtbank staat buiten twijfel dat die stukken – ook voor eisers – reeds beschikbaar waren toen verweerder op de aanvraag besliste.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank verschaften de zojuist bedoelde stukken voldoende informatie voor het nemen van een juridisch houdbare beslissing op de aanvraag van 11 mei 2019. In dit kader wijst de rechtbank met name op de bij het aanvraagformulier gevoegde tekening, die overigens een onderdeel van het primaire besluit vormt. Voor zover eisers beogen te stellen dat de besluiten van verweerder onzorgvuldig zijn voorbereid omdat noodzakelijke informatie ontbrak, faalt dit betoog.

5.3.

Voor zover eisers menen dat hun beroepsgronden worden ondersteund door stukken die verweerder niet heeft ingezonden, hadden zij de betreffende stukken zelf kunnen overleggen. Er bestaat geen geschreven of ongeschreven rechtsregel die een partij belemmert in haar mogelijkheden tot het onderbouwen van haar stellingen met concreet bewijsmateriaal, mits de andere partijen een eerlijke kans krijgen om inhoudelijk op dit materiaal te reageren.

5.4.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eisers door de handelwijze van verweerder processueel gezien niet zijn benadeeld.

6. Wettelijk kader

6.1.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo – bezien in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, van de APV – is het verboden om in de gemeente Dongen een uitweg te maken, te hebben, te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

6.2.

Artikel 2.12, derde lid, van de APV verstaat onder weg: een weg als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (lees: een voor het openbaar verkeer openstaande weg).

6.3.

Volgens artikel 2.12, vierde lid, van de APV kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid (en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo) worden geweigerd indien:

a. het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

b. de bruikbaarheid van de weg wordt aangetast;

c. zonder noodzaak een openbare parkeerplaats verloren gaat;

d. het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

e. een perceel al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

7. Toepasselijkheid APV

7.1.

De aanvraag strekt tot aanleg van een verharding van perceel H1369 – via perceel H2460 – naar de Leeuweriklaan, een (openbare) weg in de zin van de APV. Dit blijkt uit de bewoordingen van de aanvraag en de daarbij behorende tekening. Die verharding kan slechts worden gebruikt door de eigenaren van perceel H1369 en hun bezoekers, al was het maar omdat de verharding in kwestie stopt bij de woning die op het perceel H1369 zal worden gebouwd.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier dan ook om een uitweg in de zin van artikel 2.12 van de APV. Dat deze uitweg niet direct van perceel H1369 op de Leeuweriklaan uitkomt, maar over/via perceel H2460, maakt niet dat er is gevraagd om een uitweg op perceel H2460, zoals eisers betogen. Gevraagd is immers om een vergunning om een uitweg op de Leeuweriklaan, niet op perceel H2460. Dat daarvoor gebruik moet worden gemaakt van perceel H2460 maakt het uitwegen op de Leeuweriklaan niet onmogelijk, nu er op perceel H2460 een erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van de ontsluiting van perceel H1369. De APV staat hieraan – anders dan eisers kennelijk betogen – niet in de weg. Hierin is immers niet de eis gesteld dat er een directe verbinding is tussen het perceel ten behoeve waarvan de uitweg wordt gevraagd en de ontsluiting op de openbare weg en een vergunning kan alleen worden geweigerd op de in het vierde lid van artikel 2.12 van de APV vermelde weigeringsgronden.

Daarom onderzoekt de rechtbank – op grondslag van de gronden die eisers tegen het bestreden besluit hebben aangevoerd – of artikel 2.12, vierde lid, van de APV noodzaakt tot afwijzing van de aanvraag.

8. Toetsing aan artikel 2.12, vierde lid, van de APV

8.1.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat weigeringsgronden a tot en met c niet van toepassing zijn. Volgens verweerder is ook weigeringsgrond e niet van toepassing omdat perceel H1369 nog niet over een uitweg beschikt. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank is van oordeel dat ook het pad van perceel H1369 naar de Lijsterlaan (hierna: pad) moet worden aangemerkt als een uitweg in de zin van artikel 2.12 van de APV. Dit oordeel wijzigt niet indien – zoals vergunninghoudster ter zitting heeft gesteld – het pad niet door grote motorvoertuigen kan worden gebruikt, en evenmin door de verwachting van vergunninghoudster dat gebruik van het pad zal leiden tot meer overlast voor onder meer eisers dan het gebruik van de nu in geding zijnde uitweg. Vast moet worden gesteld dat het pad ook door personenvoertuigen gebruikt kan worden om vanaf perceel H1369 de openbare weg te bereiken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een uitweg.

8.2.

Vervolgens constateert de rechtbank dat artikel 2.12, vierde lid, onder e, van de APV een reden voor weigering van de aanvraag van vormen, indien de uitweg naar de Leeuweriklaan (over perceel H2460) – dit is de tweede uitweg voor perceel H1369 – leidt tot verlies van een parkeerplaats of openbaar groen. De gedingstukken geven de rechtbank geen aanleiding tot de veronderstelling dat verweerder bij het nemen en heroverwegen van de beslissing op de aanvraag aandacht heeft besteed aan het feit dat perceel H1369 (reeds) op 11 mei 2019 beschikte over een uitweg in de zin van artikel 2.12 van de APV.

8.3.

Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers al tijdens de bezwaarfase hebben gewezen op de aanwezigheid van het pad.

8.4.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het motiveringsgebrek is tot nu toe namelijk niet hersteld.

8.5.

De rechtbank onderzoekt of zij het geschil definitief kan beslechten, door hetzij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten hetzij zelf in de zaak te voorzien.

9. Verlies van openbaar groen

9.1.

Tussen partijen is in geschil of openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast (weigeringsgrond d) dan wel dat de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van openbaar groen (weigeringsgrond e). Voor toepasselijkheid van een van deze weigeringsgronden dient dus in de eerste plaats vast te staan dat sprake is van openbaar groen.

9.2.

De eigendom van perceel H2460 ligt in handen van [naam B.V.]. Dit perceel is niet voor het publiek toegankelijk (wat maakt dat vestiging van een erfdienstbaarheid nodig is om vergunninghoudster het recht op gebruik van dit perceel te verschaffen). Bovendien bevond en bevindt zich op perceel H2460 momenteel geen beplanting van enige betekenis. Er was en is ter plaatse dus geen groen van enige betekenis. Bovendien heeft dit perceel ook niet de bestemming “groen”. De rechtbank concludeert dan ook dat geen sprake is van openbaar groen. Het beplantingsplan uit 2008 doet hieraan niet af nu dit feitelijk niet is gerealiseerd en evenmin is vertaald in een overeenkomstige bestemming in het geldende bestemmingsplan.

9.3.

Dit betekent dat weigeringsgronden d en e evenmin van toepassing zijn. Aldus komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder geen geldige reden had om de door vergunninghoudster aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Die slotsom wijzigt niet indien verweerder – zoals eisers betogen – ervoor moet zorgen dat het beplantingsplan wordt uitgevoerd. Uit de formulering van artikel 2.12 van de APV vloeit namelijk voort dat verweerder een omgevingsvergunning voor het maken en hebben van een uitweg moet verlenen, tenzij één of meer van de in het vierde lid omschreven omstandigheden zich voordoen.

9.4.

Daarom kan en zal hier in het midden blijven of valt te wijzen op een geschreven of ongeschreven rechtsregel die verweerder verplicht tot het (laten) uitvoeren van het beplantingsplan. De rechtbank volstaat hier met de constatering dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Zuid en West Dongen’ (hierna: bestemmingsplan) niet verplicht tot het ‘vergroenen’ van perceel H2460. Daartoe overweegt zij dat het bestemmingsplan aan perceel H2460 de bestemming ‘Wonen’ heeft gegeven, en dat gronden met deze bestemming – volgens artikel 22, eerste lid (aanhef en onder i) van de planregels – mogen worden gebruikt voor “het wonen” en “bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, parkeervoorzieningen, achterpaden en ontsluitingen, water en nutsvoorzieningen”.

10. Griffierecht en proceskosten

10.1.

Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, moet verweerder het voor de behandeling van dit geschil betaalde griffierecht aan eisers vergoeden.

10.2.

Eisers hebben niet concreet gesteld dat zij voor de behandeling van het beroep proceskosten hebben gemaakt die krachtens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Daarom hoeft verweerder aan eisers geen vergoeding voor gemaakte proceskosten te betalen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het voor de behandeling van dit geschil betaalde griffierecht, zijnde een bedrag van € 174, aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.M. Koenraad, griffier op 28 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.