Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4109

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
02-017300-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van het veroorzaken van een verkeersongeval (art. 6 WVW). Hij wordt veroordeeld voor overtreding van artikel 5 WVW, omdat hij met zijn auto gevaar op de weg heeft veroorzaakt door zonder aanleiding naar links te sturen. Oplegging van een geldboete van € 500,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-017300-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 september 2020

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. W.P.N. Remie, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht (primair), dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd (subsidiair).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt. De motorrijder heeft best wel even achter verdachte gereden, maar verdachte heeft zijn aandacht niet op het verkeer gericht gehouden en de motorrijder niet gezien. Daarnaast heeft verdachte zonder enige reden een bijzondere manoeuvre naar links gemaakt, waardoor hij op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen. Daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). De officier van justitie acht de verklaring van verdachte dat hij niet heeft gezien wie achter hem reed en niet weet dat en waarom hij naar links is gereden of wat er is gebeurd, volstrekt ongeloofwaardig. Zij gaat ervan uit dat verdachte heeft gezien dat de motorrijder wilde inhalen, hij op dat moment een kort lontje heeft gehad en om die reden een zwiep aan zijn stuur naar links heeft gemaakt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW dient te worden vrijgesproken, omdat daar onvoldoende bewijs voor is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van getuige [getuige] – dat verdachte een zwiep van twee meter naar links heeft gemaakt – niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Die verklaring is onjuist, komt niet overeen met de andere verklaringen in het dossier, is telefonisch opgenomen waarbij geen kritische vragen zijn gesteld en dateert van tien dagen na het ongeluk. Daarnaast blijkt uit de situatietekening van de verbalisant dat een zwiep van twee meter niet mogelijk is en heeft het slachtoffer dat ook niet verklaard. Ook al zou verdachte iets naar links hebben gestuurd, dan is het ongeluk daardoor niet veroorzaakt.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit, omdat een lichte stuurbeweging naar links – welke beweging nadrukkelijk wordt betwist – nog geen concreet gevaarzettend verkeersgedrag oplevert.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Na het verkeersongeval zijn drie mensen gehoord, te weten de getuige [getuige] , het slachtoffer en de verdachte. Er heeft – anders dan gebruikelijk in dergelijke zaken – geen verkeersongevallenanalyse plaatsgevonden.

Op grond van dit dossier stelt de rechtbank vast dat op 17 juni 2019 op de Heibloemstraat te De Moer een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, dat mede door het rijgedrag van verdachte is veroorzaakt. Het slachtoffer reed op zijn motor achter de auto van verdachte en wilde hem inhalen. Op het moment dat het slachtoffer met een flink hogere snelheid dan die van verdachte zijn inhaalmanoeuvre maakte en schuin links achter de auto van verdachte reed, heeft verdachte zijn auto een behoorlijk stuk naar links gestuurd. Het slachtoffer kon daardoor geen kant meer op. Dit blijkt zowel uit de verklaring van het slachtoffer als de verklaring van de getuige [getuige] . Vervolgens moest het slachtoffer remmen en naar links uitwijken, waarna de motor is gevallen en het slachtoffer op het wegdek terecht is gekomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij de motorrijder niet heeft gezien en de rechtbank volgt hem in die verklaring. Er is geen enkele aanwijzing in het dossier te vinden voor de stelling van de officier van justitie dat verdachte zich zou hebben geërgerd aan de motorrijder omdat die wilde inhalen, en om die reden naar links reed.

Dat verdachte de motorrijder had kunnen en moeten zien, kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van dit dossier niet worden vastgesteld. Enig nader onderzoek hiernaar ontbreekt, waardoor het onder andere onduidelijk is gebleven hoe lang de motorrijder achter verdachte heeft gereden, met welke afstand en waar hij zich precies op de weg bevond. Bovendien heeft het slachtoffer zelf verklaard dat hij tijdens zijn inhaalmanoeuvre vermoedelijk in de dode hoek van verdachte reed. Op dat moment had verdachte de motorrijder zonder over zijn schouder te kijken niet eens kunnen zien.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet van plan was om in te gaan halen en in het dossier wordt daarvoor ook geen aanwijzing gezien. Het slachtoffer heeft geen knipperlicht en geen beweging gezien, waaruit hij kon opmaken dat verdachte van rijstrook wilde wisselen.

Voor de rechtbank staat wel vast dat verdachte zonder enige aanleiding naar links heeft gestuurd. [getuige] heeft immers verklaard dat er niets stilstond en niemand op de weg liep op het moment dat verdachte naar links uitweek. Het kan zijn dat verdachte is geschrokken van het geluid van de motor, maar de enkele verklaring van getuige [getuige] hierover acht de rechtbank onvoldoende, nu verdachte dit ontkent.

Dat verdachte zonder enige aanleiding naar links heeft gestuurd kan worden aangemerkt als zijn enige verkeersfout. De rechtbank dient thans te beoordelen of deze gedraging een strafrechtelijk verwijt in de zin van artikel 6 dan wel artikel 5 van de WVW oplevert.

Vrijspraak artikel 6 WVW

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Daarnaast kan uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld. Ook een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Van schuld in de zin dit wetsartikel is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele verkeersfout dat verdachte zonder aanleiding naar links heeft gestuurd, in de gegeven omstandigheden onvoldoende is om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van andere feiten en omstandigheden die meebrengen dat aan verdachte een schuldverwijt in de zin van dit wetsartikel kan worden gemaakt is immers niet gebleken. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring artikel 5 WVW

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat daardoor concreet gevaar en/of hinder op de weg werd veroorzaakt, of kon worden veroorzaakt, als bedoeld in artikel 5 WVW. Dit gevaar dient te zijn gelegen in een reële kans op een ongeval. Er moet dus sprake zijn van een zekere mate van concreet gevaarscheppend gedrag.

Door zonder aanleiding naar links te sturen heeft verdachte een verkeerstechnisch onnodige handeling verricht en daarmee concreet gevaar op de weg veroorzaakt, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte met zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

subsidiair:

op 17 juni 2019 te De Moer, gemeente Loon op Zand als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Heibloemstraat, zonder aanleiding naar links, gezien verdachtes rijrichting, heeft gestuurd, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert, op grond van bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde misdrijf (overtreding van artikel 6 WVW), aan verdachte op te leggen een taakstraf van 90 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, gelet op de richtlijnen van het openbaar ministerie en de heftige gevolgen die het ongeval voor het slachtoffer heeft gehad.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting verzocht, indien de rechtbank tot een veroordeling zal komen, de rijontzegging geheel voorwaardelijk op te leggen. Verdachte heeft een blanco strafblad en heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk. Hij moet over de provinciale weg rijden en heeft nachtdiensten. Daarnaast heeft hij zijn rijbewijs nodig voor het uitoefenen van zijn taken als vrijwillig brandweerchauffeur. Ook heeft de raadsman verzocht een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen, omdat het hooguit gaat om een licht moment van onoplettendheid en een andere strafrechtelijke reactie geen zin heeft.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft met zijn auto gevaar op de weg veroorzaakt door zonder aanleiding naar links te sturen. Mede hierdoor vond een verkeersongeval plaats, dat zeer ernstige gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad.

Omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het primair ten laste gelegde misdrijf, maar komt tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW, komt zij ook tot een geheel andere straf dan de officier van justitie heeft geëist.

Bij de bepaling van een passende strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Tevens houdt zij rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ter zitting zijn gebleken en zijn blanco strafblad.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 500,00 passend en geboden is. De rechtbank ziet geen aanleiding daarnaast ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,00;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Collombon, voorzitter, mr. Breeman en mr. Gillesse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Gielen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 september 2020.

mr. Collombon is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 17 juni 2019 te De Moer, gemeente Loon op Zand als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Heibloemstraat zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, (zonder aanleiding) naar links, gezien verdachtes rijrichting, te sturen (alwaar verdachte rechtdoor zijn weg wilde vervolgen), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoofdtrauma en/of een klaplong en/of 1 of meer ribbreuk(en) en/of scheenbeen breuk en/of een opperarmbeen breuk en/of een sleutelbeen breuk, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:

hij op of omstreeks 17 juni 2019 te De Moer, gemeente Loon op Zand als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Heinbloemstraat, (zonder aanleiding) naar links, gezien verdachtes rijrichting, heeft gestuurd (alwaar verdachte rechtdoor zijn weg wilde vervolgen), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt

- tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2019182251 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 2 tot en met 34.

1. Het proces-verbaal van aanrijding van verbalisant [verbalisant] , pagina 4 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Locatie ongeval:

- Datum: 17 juni 2019

- Omstreeks: 07:38 uur

- Adres: Heibloemstraat

- Plaats: De Moer

- Gemeente: Loon op Zand

- Soort weg: Een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg

Voertuig motor Honda, bestuurder [slachtoffer] .

Voertuig personenwagen Suzuki Swift, bestuurder [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ).

2. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] , pagina 15 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik reed op de Heibloemstraat in De Moer. Voor mij reed een kleine zwarte auto. Dit

was volgens mij een Suzuki Swift. Ik heb toen mijn inhaalmanoeuvre ingezet en heb snelheid gemaakt om mijn voorligger in te halen. Ik had op dat moment geen enkele aanleiding dat de auto voor mij naar links zou komen. Ik zag geen knipperlicht. Ik zag geen beweging waaruit ik kon opmaken dat hij van rijstrook wilde wisselen. Op het moment dat ik schuin links achter de auto zat, kwam het voertuig ook naar het midden van de weg toe. Op dat moment ben ik direct uitgeweken naar links in de richting van de berm. Ik ben op dat moment vol gaan remmen en heb zo hard mogelijk als ik kan geremd. Daarna herinner ik nog dat de motor links omviel en dat ikzelf met mijn hoofd vooruit over het asfalt schoof.

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 33, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik reed op de dag van het ongeluk achter de motorrijder over de Heibloemstraat. Ik zag dat er een zwarte Suzuki Swift voor de motor reed. Ik zag dat de motorrijder gas gaf om de zwarte Suzuki in te halen. Toen de motorrijder bijna langs de zwarte Suzuki reed, maakte de zwarte Suzuki plotseling een zwiep naar links. Ik zag dat daar geen reden voor was. Er stond niets stil op de weg en er liep ook niets of niemand op de weg toen de zwarte Suzuki naar links uitweek. Door de manoeuvre van de zwarte Suzuki kon de motorrijder geen kant meer op.