Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4104

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
AWB 20_ 195
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/195 WOB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres

gemachtigde: mr. A.W. Boer,

en

CZ Zorgkantoor B.V. (het Zorgkantoor), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 1 augustus 2019 (primair besluit) heeft het Zorgkantoor het verzoek van eiseres om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk afgewezen.

In het besluit van 11 december 2019 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 10 juni 2020. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van eiseres en mr. M. van Hassel namens het Zorgkantoor.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van een uitspraak verlengd.

Feiten en omstandigheden

1. Eiseres ontving een persoonsgebonden budget (pgb) en kocht daarmee zorg in bij [naam thuiszorg] en [naam thuiszorg 2] . Tijdens een door eiseres gevoerde bezwaarprocedure tegen besluiten tot intrekking van de toekenning van het pgb en afkeuring van de verantwoording van het reeds bestede pgb heeft het Zorgkantoor aangegeven dat er al geruime tijd onderzoek wordt gedaan naar mogelijke fraude bij de genoemde instellingen.

Bij brief van 3 juli 2019 heeft eiseres het Zorgkantoor met een beroep op de Wob om inzage verzocht in de documenten die betrekking hebben op het onderzoek naar het functioneren van [naam thuiszorg] en [naam thuiszorg 2] . Zij heeft in het bijzonder verzocht om de correspondentie die tussen het Zorgkantoor en deze instellingen is gewisseld. Verder ziet het verzoek op de correspondentie met andere betrokken bestuursorganen zoals Zorgkantoren, gemeenten en Inspectiediensten, alsmede verslagleggingen en rapportages.

In het primaire besluit stelt het Zorgkantoor dat de gevraagde documenten persoonsgegevens van andere budgethouders en derden bevatten zoals bedoeld in artikel 9, 10, en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het verstrekken van die gegevens zou een vergaande inbreuk maken op hun persoonlijke levenssfeer, daarom worden deze documenten niet verstrekt. Het Zorgkantoor heeft wel de documenten en correspondentie uit het fraudedossier die betrekking hebben op eiseres verstrekt. Eiseres heeft op 27 augustus 2019 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij brief van 28 november 2019 heeft eiseres het Zorgkantoor in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Daarbij is verzocht alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Het Zorgkantoor heeft binnen die termijn het bestreden besluit genomen. In dat besluit heeft het Zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat eiseres’ verzoek om informatie van 3 juli 2019 ten onrechte als een Wob-verzoek is aangemerkt, omdat dit niet ziet op een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob. Ook heeft het verzoek van eiseres niet de strekking om documenten voor eenieder openbaar te maken. Het primaire besluit kan volgens het Zorgkantoor daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom heeft het Zorgkantoor het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Beroepsgronden

2. Volgens eiseres stelt het Zorgkantoor zich ten onrechte op het standpunt dat haar verzoek niet valt onder artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob. Het onderzoek naar en de controle op de besteding van zorggeld behoort tot de publiekrechtelijke bevoegdheid van het Zorgkantoor en vormt daarmee een bestuurlijke aangelegenheid. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop deze bevoegdheid wordt uitgevoerd. Het belang van eiseres, die op grond van de documenten wil controleren of de uitvoeringswijze op rechtmatige wijze is vormgegeven en voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en proportionaliteit, maakt dat het verzoek betrekking heeft op het beleid van het Zorgkantoor in ruime zin.

Wettelijk kader

3. Artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob bepaalt dat onder ‘bestuurlijke aangelegenheid’ wordt verstaan een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van de artikelen 10 en 11.

Artikel 10, eerste lid, onder d van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 87 van de AVG, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

Op grond van het tweede lid, onder e, van dit artikel blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Op grond van het derde lid van dit artikel is de voorgaande bepaling niet van toepassing voor zover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een Wob-verzoek, meer specifiek of het verzoek van eiseres ziet op informatie over een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob.

4.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat het Zorgkantoor op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) belast is met het op aanvraag verstrekken van pgb’s. Het Zorgkantoor is in dat opzicht met openbaar gezag bekleed en moet daarom worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De Wob is zodoende in beginsel op het Zorgkantoor van toepassing.

4.2

Het verzoek van eiseres ziet op informatie over de werkwijze van het Zorgkantoor bij het uitvoeren van een fraudeonderzoek als bedoeld in bedoeld in artikel 9.1.2, eerste lid, onder j, van de Wlz jo. artikel 7.10, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg. Alle handelingen die het Zorgkantoor in dit kader verricht, waaronder ook de correspondentie die hierover met derden wordt gevoerd, hebben betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:659) moet het begrip ‘bestuurlijke aangelegenheid’ immers ruim worden opgevat; het gaat om het openbaar bestuur in al zijn facetten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door eiseres gevraagde documenten informatie over een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob bevatten.

4.3

Het Zorgkantoor heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een Wob-verzoek omdat eiseres om de documenten heeft verzocht om er achter te komen of zij in aanmerking komt voor het ‘te goeder trouw’ beleid en niet met het doel om de stukken voor eenieder openbaar te maken. De rechtbank verwijst in dat kader naar de recente uitspraak van de AbRvS van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1268). Daaruit volgt dat het enkele feit dat een betrokkene een persoonlijk belang heeft bij de gevraagde informatie, niet tot het oordeel leidt dat het verzoek niet als Wob-verzoek is te kwalificeren. Desgevraagd heeft eiseres ter zitting bevestigd dat zij heeft beoogd een Wob-verzoek in te dienen en dat zij zich ervan bewust is dat inwilliging van het verzoek kan leiden tot openbaarmaking van de documenten voor een ieder. De verwijzing in het verweerschrift van het Zorgkantoor in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:10315) treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, nu het daarbij ging om misbruik van recht. Zoals ter zitting door het Zorgkantoor is bevestigd, is daar in het onderhavige geval geen sprake van.

5. Nu het verzoek van eiseres van 3 juli 2019 gekwalificeerd dient te worden als Wob-verzoek, is het primaire besluit aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Zorgkantoor het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bestreden besluit kan geen stand houden en zal worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven, als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

6. Het Zorgkantoor heeft zich in het verweerschrift van 3 juni 2020 subsidiair op het standpunt gesteld dat artikel 10, eerste lid onder d, van de Wob aan openbaarmaking van de gevraagde informatie in de weg staat, omdat de documenten voor een deel persoonsgegevens bevatten als bedoeld in de artikel 9, 10 en 87 van de AVG van zowel andere budgethouders als derden. Verstrekking daarvan leidt tot een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer. Ook artikel 10, tweede lid onder e, van de Wob staat volgens het Zorgkantoor in de weg aan verstrekking van de gegevens, omdat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer voor degenen die in het fraudedossier aan bod komen in dit geval zwaarder weegt dan het belang van eiseres bij het verstrekken van de informatie.

7. Zoals de rechtbank ter zitting, kort samengevat, heeft toegelicht, kan het Zorgkantoor tot de conclusie komen dat openbaarmaking van de documenten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen geheel dan wel gedeeltelijk achterwege dient te blijven. Daarbij bestaat ook de mogelijkheid bepaalde informatie weg te lakken. Volgens vaste jurisprudentie van de AbRvS dient dan echter wel per document of onderdeel aangegeven te worden welke weigeringsgrond van toepassing is, voorzien van een motivering. Dat is hier niet gebeurd. De enkele en zeer algemene stelling van het Zorgkantoor dat openbaarmaking van de informatie inbreuk maakt op de persoonlijk levenssfeer van de betrokkenen kan het besluit naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dragen.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Gelet op wat in het voorgaande is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. Er is bovendien onvoldoende informatie beschikbaar om zelf in de zaak te kunnen voorzien. Ook zal de rechtbank geen bestuurlijke lus toe passen, omdat het bestuursorgaan nog op veel punten nader moet motiveren en daardoor onzeker is wanneer een nieuw besluit kan worden genomen. Het Zorgkantoor zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, meer specifiek overweging 7, en de overige ter zitting door de rechtbank gegeven instructies.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het Zorgkantoor aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

10. De rechtbank veroordeelt het Zorgkantoor in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. het Zorgkantoor wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het Zorgkantoor op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het Zorgkantoor op het betaalde griffierecht van € 178 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.