Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4081

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
AWB- 20_1007
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/1007 WOB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: M.A.J. Regter

en

TÜV Nederland, verweerster.

Procesverloop

Op 29 april 2019 heeft verweerster aan eiser laten weten dat vijf documenten met betrekking tot kermisattractie ‘ [naam kermisattractie] ’ openbaar gemaakt zullen worden. Op 27 mei 2019 heeft verweerster dit besluit aan aanvrager kenbaar gemaakt.

In het besluit van 24 december 2019 (bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 14 juli 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en mr. J.A. Bekke en [vertegenwoordiger verweerster] namens verweerster.

Overwegingen

1. Eiser is exploitant van de kermisattractie ‘ [naam kermisattractie] ’.

Op 26 juni 2018 heeft verweerster een verzoek ontvangen tot verstrekking van (afschriften van) de keuringsrapporten over 2014, 2015 en 2016, en het in 2017 geldende beveiligingscertificaat van de kermisattractie ‘ [naam kermisattractie] ’. Het verzoek is aangemerkt als een verzoek ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij brief van 8 april 2019 heeft verweerster laten weten voornemens te zijn vijf documenten openbaar te maken. Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken.

Op 17 april 2019 heeft eiser zijn zienswijze ingediend. Eiser is van mening dat verweerster niet gerechtigd is de documenten openbaar te maken.

Bij besluit van 29 april 2019 heeft verweerster aan eiser kenbaar gemaakt dat de documenten aan de aanvrager verstrekt zullen worden, behoudens de daarin opgenomen persoonsgegevens. Het besluit tot openbaarmaking van de gegevens is op 27 mei 2019 aan aanvrager kenbaar gemaakt, waarmee het besluit volgens verweerster formeel in werking is getreden.

Eiser heeft op 9 mei 2019 een bezwaarschrift ingediend. Eiser stelt dat de documenten geen bestuurlijke aangelegenheid van verweerster betreffen, omdat eiser geen schriftelijke toestemming heeft verleend om de documenten over te dragen aan verweerster. Op 10 mei 2019 heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter op 11 juli 2019 afgewezen.

Op 22 juli 2019 zijn de verzochte documenten aan de aanvrager verstrekt.

Eiser heeft zijn bezwaargronden op 17 oktober 2019 ten overstaan van verweerster nader toegelicht.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Eiser voert aan dat de keuringsrapporten vanaf 2014 en het in 2017 geldende beveiligingscertificaat, die op 22 juli 2019 openbaar gemaakt zijn, geen bestuurlijke aangelegenheid van verweerster betreffen, omdat deze documenten door haar onrechtmatig zijn verkregen. De keuringen zijn uitgevoerd door [naam keuringsinstantie] (2014-2016) en [naam keuringsinstantie] . Na het intrekken van de aanwijzing van [naam keuringsinstantie] als keuringsinstantie op 2 mei 2018 (gepubliceerd in de Staatscourant 2018, 13999) heeft eiser geen schriftelijke toestemming gegeven om de dossiers, verslagen en rapporten over te dragen aan verweerster, terwijl die expliciete toestemming op grond van het besluit zoals gepubliceerd in de Staatscourant wel vereist was.

3. Verweerster stelt zich op het standpunt dat het procesbelang van eiser ontbreekt, omdat de documenten inmiddels feitelijk openbaar gemaakt zijn. Mocht eiser toch ontvankelijk zijn in zijn beroep, dan is verweerster van mening dat het beroep ongegrond is. In afwijking van het besluit in de Staatscourant is door de overdragende instantie [naam keuringsinstantie] aan de certificaathouders een brief gestuurd, waarin om toestemming wordt gevraagd en waarin is vermeld dat als hierop niet wordt gereageerd, stilzwijgende toestemming wordt aangenomen. Van eiser is geen reactie ontvangen, waardoor verweerster mocht aannemen dat zij de documenten van [naam keuringsinstantie] kon overnemen. Verweerster is daarom van mening dat zij rechtmatig over de documenten beschikt.

4. Alvorens inhoudelijk op de beroepsgronden in te kunnen gaan, dient de rechtbank te vraag te beantwoorden of eiser als belanghebbende kan worden aangemerkt.

4.1

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste jurisprudentie dient hierbij sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, eigen (persoonlijk, individualiseerbaar) en voldoende actueel belang, dat bovendien rechtstreeks bij het desbetreffende besluit is betrokken. Geen belanghebbende is degene die geen gevolgen van enige betekenis ondervindt.

4.2

Het belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden onderscheiden van het procesbelang van een belanghebbende. Het procesbelang is het belang dat eiser heeft bij de uitkomst van de procedure, wat hij concreet met zijn bezwaar of (hoger) beroep wil/kan bereiken. Het betreft niet de vraag óf eiser gelijk heeft, het gaat erom of hij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat zou hebben. Reëel belang vereist dat er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit. Het doel dat hem voor ogen staat, moet met het rechtsmiddel kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis zijn. Het ontbreken van het procesbelang staat in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep.

4.3

Eiser heeft beroep ingesteld, omdat verweerster volgens hem onrechtmatig –namelijk zonder zijn expliciete toestemming – over de documenten beschikt en zij deze dientengevolge niet openbaar heeft mogen maken. Welk concreet doel eiser met deze procedure voor ogen heeft, anders dan de enkele vaststelling dat de overdracht van de documenten niet overeenkomstig het in de Staatscourant gepubliceerde besluit is verlopen, is de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft immers geen bezwaar gemaakt tegen de voortzetting van de keuringsactiviteiten door verweerster, noch (zij het impliciet) tegen het feit dat verweerster op grond van artikel 19 van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen in dat kader dient te beschikken over een behoorlijke administratie. Verder stelt de rechtbank vast dat de voorzieningenrechter heeft bepaald dat de documenten die verweerster feitelijk in haar bezit heeft, een bestuurlijke aangelegenheid van verweerster betreffen. De documenten zijn na deze uitspraak daadwerkelijk aan de aanvrager verstrekt, zodat eiser de openbaarmaking ervan met de onderhavige procedure niet meer kan voorkomen. Op grond hiervan kan dan ook geen procesbelang worden aangenomen.

Nu deze procedure zich niet leent voor het verkrijgen van een (principieel) oordeel over de gehanteerde werkwijze met betrekking tot de overdracht van de documenten door [naam keuringsinstantie] aan verweerster, en eiser verder geen argumenten heeft aangevoerd die een ander belang bij de onderhavige procedure aantonen, is de rechtbank van oordeel dat het procesbelang ontbreekt.

5. Nu eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Graumans, griffier, op 25 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.