Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4061

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_4961
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4961 PW

uitspraak van 25 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser en [naam eiseres] , eiseres, beiden wonende te [woonplaats eisers] , hierna gezamenlijk ook eisers te noemen,

gemachtigde: mr A.C. van Langen, advocaat te Waalwijk

en

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (Baanbrekers), verweerder.


Procesverloop

In het besluit van 8 oktober 2018 (primair besluit I) heeft Baanbrekers het recht op bijstand van eisers over één periode ingetrokken en over twee periodes herzien.

In het besluit van 8 januari 2019 (primair besluit II) heeft Baanbrekers het recht op bijstand van eisers over drie periodes ingetrokken.

In het besluit van 4 maart 2019 (primair besluit III) heeft Baanbrekers de over de in primaire besluiten I en II bedoelde periodes ten onrechte dan wel teveel verstrekte bijstand van eisers teruggevorderd.

In het besluit van 21 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft Baanbrekers het bezwaar van eisers tegen de primaire besluiten I tot en met III gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Baanbrekers heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 17 juli 2020. Hierbij waren aanwezig eisers, hun gemachtigde, en E.J. Nyembo Katumbwe als tolk. Namens Baanbrekers waren aanwezig mr. E. van Schijndel en [vertegenwoordiger Baanbrekers] .

Feiten en omstandigheden

1. Eisers ontvangen sinds 13 mei 2008, met onderbrekingen, een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Uit onderzoek is gebleken dat er twee bankrekeningen op naam van eiseres stonden, die bij aanvang van die bijstandsuitkering per 18 januari 2016 niet bij Baanbrekers bekend waren. Daarom heeft Baanbrekers eisers verzocht om de bankafschriften van deze twee bankrekeningen en van alle overige bank- en spaarrekeningen waarover zij beschikken in te leveren. Baanbrekers heeft op basis van de door eisers ingeleverde stukken geconstateerd dat er sprake is geweest van vele contante stortingen en bijschrijvingen van derden op de bankrekeningen van eisers.

Baanbrekers stelt dat eisers de inlichtingenplicht hebben geschonden, aangezien zij geen melding hebben gemaakt van de stortingen en bijschrijvingen. Daarom heeft Baanbrekers het recht op bijstand bij primair besluit I:

  • -

    herzien over de periode van 18 januari 2016 tot en met 9 november 2017;

  • -

    ingetrokken over de periode van 10 november 2017 tot en met 5 februari 2018;

  • -

    herzien over de periode van 6 februari 2018 tot en met 31 maart 2018.

Tegen dat besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

Baanbrekers heeft in het voorgaande aanleiding gezien om onderzoek te doen naar eisers’ recht op bijstand over de periode van 2010 tot en met 2015. Daarom heeft Baanbrekers hen verzocht om de bankafschriften van al hun bank- en spaarrekeningen over die periode in te leveren. Uit de ingeleverde stukken blijkt dat destijds ook sprake is geweest van contante stortingen en bijschrijvingen van derden, waar zij evenmin melding van hebben gemaakt. Tevens ontbraken enkele bankafschriften. Bij primair besluit II heeft Baanbrekers het recht op bijstand daarom over de volgende periodes ingetrokken:

  • -

    2 februari 2010 tot en met 4 april 2011;

  • -

    5 april 2012 tot en met 10 juni 2012;

  • -

    1 november 2012 tot en met 2 augustus 2015.

Tegen dat besluit hebben eisers eveneens bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 februari 2019, gecorrigeerd bij besluit van 4 maart 2019 (primair besluit III), heeft Baanbrekers de aan eisers over de in de primaire besluiten I en II genoemde periodes verstrekte algemene en bijzondere bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 72.687,98. Ook tegen dat besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft Baanbrekers:

  • -

    Het bezwaar tegen primair besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard, namelijk voor zover gericht tegen de intrekking van het recht op bijstand over de periode van
    10 november 2017 tot en met 5 februari 2018. Het recht op bijstand over die periode wordt niet ingetrokken, maar herzien. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

  • -

    Het bezwaar tegen primair besluit II gedeeltelijk gegrond verklaard, namelijk voor zover gericht tegen de intrekking van het recht op bijstand over de periodes van
    5 april 2012 tot en met 10 juni 2012 en van 1 november 2012 tot en met 2 augustus 2015. Het recht op bijstand over die periodes wordt niet ingetrokken, maar herzien. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

  • -

    Het bezwaar tegen primair besluit III gedeeltelijk gegrond verklaard. De hoogte van de terugvordering heeft Baanbrekers vastgesteld op € 30.509,40 (netto) en € 38.685,86 (bruto). Daarnaast wordt als gevolg van de intrekking van de bijzondere bijstand over de periode van 2 februari 2010 tot en met 4 april 2011 een bedrag van € 2.852,67 teruggevorderd.

Beroepsgronden


2. Eisers stellen, kort samengevat, dat de contante stortingen op de bankrekeningen te verklaren zijn doordat dat zij bedragen pinden van hun eigen bankrekening en het restant, na uitgaven voor levensonderhoud, terugstortten. Baanbrekers stelt in het bestreden besluit zelf dat zij dit nader en met objectieve bewijzen hebben onderbouwd. Zij zijn er nooit op gewezen dat deze wijze van handelen niet correct is. De bijschrijvingen van derden dienen volgens eisers te worden aangemerkt als gift. De stortingen op de jongerenrekeningen van de kinderen dienen volgens eisers buiten beschouwing te blijven. Verder stellen eisers dat Baanbrekers niet heeft aangegeven om welke bankrekeningen het gaat, welke contante stortingen zijn bedoeld en welke bedragen van derden zijn ontvangen. Eisers stellen verder dat zij met het overleggen van de bankafschriften bij de eerdere aanvragen voldaan hebben aan de inlichtingenplicht. Baanbrekers is toen bekend geworden met de stortingen en bijschrijvingen en desondanks is de bijstand toegekend. Volgens eisers is de intrekking, herziening en terugvordering van bijstand over een periode van vijf jaar of meer geleden daardoor verjaard. Zij verwijzen daarbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2385). Over de terugvordering stellen eisers dat er geen grond is om bijzondere bijstand terug te vorderen, omdat het recht op bijzondere bijstand nooit is ingetrokken. Verder ontbreekt volgens eisers een daadkrachtige motivering van de hoogte van de terug te vorderen bedragen.

Wettelijk kader

3. De regels (wettelijk kader) die op deze zaak van toepassing zijn, zijn te vinden in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling

Herziening en intrekking

4.1

Herziening en intrekking van bijstand is een voor de betrokkenen belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor de herziening en intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen (zie de uitspraak van de CRvB van 11 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1863).

4.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Baanbrekers aan die bewijslast voldaan. Uit de door eisers overgelegde bankafschriften is gebleken dat zij vele contante stortingen en bijschrijvingen van derden op hun bankrekeningen en de jongerenrekeningen van hun kinderen hebben ontvangen in de periodes waarin zij een bijstandsuitkering ontvingen. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1540), worden stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet beschouwd. Eisers hebben geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd om aannemelijk te maken dat het niet gaat om middelen, maar om eigen geld dat zij eerder hadden opgenomen en vervolgens weer hebben teruggestort. Ook ontbreken dergelijke bewijsstukken waaruit zou blijken dat de bijschrijvingen van derden giften betreffen. Bovendien heeft Baanbrekers terecht gesteld dat deze desondanks aangemerkt worden als middelen als zij zijn bedoeld om te voorzien in de kosten van levensonderhoud. De middelen van de minderjarige kinderen behoren tot de middelen van het gezin en om die reden worden de stortingen en bijschrijvingen op hun jongerenrekeningen niet uitgezonderd (zie de uitspraak van de CRvB van 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7177).

4.3

Niet in geschil is dat eisers de contante stortingen en bijschrijvingen van derden niet aan Baanbrekers hebben gemeld. De rechtbank is van oordeel dat het voor eisers wel redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit gegevens zijn die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat zij daarvan dus melding hadden moeten maken. Door dit na te laten, hebben zij de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid van de Participatiewet geschonden. Als gevolg hiervan is aan hen te veel bijstand verstrekt. Baanbrekers was daarom op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet gehouden de bijstand in te trekken dan wel te herzien door alsnog met de ontvangen middelen rekening te houden.

4.4

Eisers stellen dat Baanbekers hen er nooit op heeft gewezen dat hun wijze van handelen niet correct is. Zij hebben tussen 2008 en 2018 diverse bijstandsaanvragen gedaan en daarbij hebben zij telkens hun bankafschriften van de daaraan voorafgaande drie maanden overgelegd. Baanbrekers kon daardoor op de hoogte zijn van de stortingen en bijschrijvingen. Er zijn echter nooit opmerkingen over gemaakt en de bijstandsuitkering werd toegekend. De rechtbank leest hierin dat eisers van mening zijn dat Baanbrekers heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

4.5

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat Baanbrekers bij eerdere bijstandsaanvragen niet op de stortingen en bijschrijvingen heeft gelet c.q. daarin geen aanleiding heeft gezien eisers te wijzen op hun verplichtingen in het kader van de inlichtingenplicht, niet maakt dat Baanbrekers heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheid- of vertrouwensbeginsel. Er is immers geen sprake van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging op grond waarvan bij eisers het gerechtvaardigd vertrouwen kon zijn ontstaan dat de stortingen en bijschrijvingen op hun rekeningen niet van invloed waren op het recht op bijstand en dat zij deze daarom niet hoefden te melden (zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 16 maart 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1228). De eventuele omstandigheid dat Baanbrekers op de hoogte was van de stortingen en bijschrijvingen ontslaat eisers bovendien niet van hun wettelijke (inlichtingen)plicht om Baanbrekers de herkomst van die bedragen te melden (zie de uitspraak van de CRvB van 27 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2208).

Terugvordering

5.1

Uit het voorgaande vloeit voort dat Baanbrekers op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet gehouden was de als gevolg van de intrekking en herziening ten onrechte dan wel teveel ontvangen bijstand van eisers terug te vorderen.

5.2

Mede gelet op wat onder 4.5 is overwogen, volgt de rechtbank Baanbrekers in het standpunt dat zij pas na het onderzoek in 2018 op de hoogte is geraakt van de feiten en omstandigheden op grond waarvan voldoende duidelijk was dat een besluit omtrent terugvordering in de rede lag (zie ook de uitspraak van de CRvB van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1453). Dit betekent dat de verjaringstermijn pas in 2018 is beginnen te lopen. De beroepsgrond dat de vordering over de periode vóór 8 januari 2014 verjaard zou zijn, slaagt dan ook niet.

5.3

Over de hoogte van de terugvordering volgt de rechtbank eisers in hun stelling dat het in het bestreden besluit ontbreekt aan een daadkrachtige motivering. Zo is de intrekking daarbij over drie periodes gewijzigd in een herziening, terwijl niet onderbouwd wordt met welke bedragen bij de herziening rekening wordt gehouden en welke invloed dit heeft op de terugvordering. Bovendien heeft Baanbrekers ter zitting gesteld dat de terugvordering tevens ziet op de drie periodes genoemd in primair besluit I, terwijl dit niet uit het bestreden besluit blijkt. Ook een totaaloverzicht van de bij de terugvordering in aanmerking genomen stortingen en bijschrijvingen ontbreekt, evenals een gedetailleerde berekening van de uitbetaalde bijstandsuitkering per maand en de correctie die daarop plaats moet vinden. Hierdoor is niet inzichtelijk en controleerbaar of Baanbrekers de hoogte van de terugvordering op de juiste wijze heeft vastgesteld.

5.4

Naar het oordeel van de rechtbank is er op dit punt sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen voor zover dit ziet op de terugvordering.

Conclusie

6. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover dit ziet op de terugvordering. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat hiervoor onvoldoende informatie aanwezig is in het dossier. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Baanbrekers zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed. De rechtbank zal Baanbrekers bovendien veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de terugvordering;

  • -

    draagt Baanbrekers op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt Baanbrekers op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt Baanbrekers in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 25 augustus 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Met ingang van 1 januari 2015 zijn de Participatiewet en de Invoeringswet Participatiewet in werking getreden en is de Wet werk en bijstand (Wwb) gewijzigd en vernoemd tot de Participatiewet.

Over de periode voor 1 januari 2015 gold de Wwb, zodat de materiële beoordeling van de periodes tot 1 januari 2015 plaatsvindt aan de hand van die wet. De materiële beoordeling van de periode na 1 januari 2015 vindt plaats aan de hand van de Participatiewet.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wwb/Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 54, derde lid, van de Wwb/Participatiewet is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft gelegd tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb/Participatiewet.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van dit artikel kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de betrokkene naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

Op grond van het achtste lid van dit artikel kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien.

Op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Wwb en Participatiewet, zoals dat sinds 1 juli 2013 luidt, herziet dan wel trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Voor 1 juli 2013 hield deze bepaling een bevoegdheid van het college in tot herziening en intrekking. Nu geen overgangsrecht is vastgesteld, is dit artikel van toepassing zoals dit met ingang van 1 juli 2013 luidt (vergelijk CRvB 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952).

Tot 1 januari 2015 gold wanneer de inlichtingenplicht was geschonden artikel 58, eerste lid, van de WWB voor de terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering. Daarin was terugvordering tot 1 januari 2013 een bevoegdheid van het college en daarna een verplichting. Per 1 januari 2015 is de Wwb ingetrokken en is de Participatiewet in werking getreden. Ook daarin is terugvordering een verplichting wanneer de inlichtingenplicht is geschonden. Er is bij wijziging van artikel 58, eerste lid, van de Wwb per 1 januari 2013 geen overgangsrecht vastgesteld. Dat geldt ook voor de overgang per 1 januari 2015 van de Wwb naar de Participatiewet. Dit betekent dat de verplichting om terug te vorderen ook geldt voor bestaande rechtsposities en verhoudingen.