Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4059

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_4042
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WET

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4042 WET

uitspraak van 24 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het verkeersbesluit (bestreden besluit) van het college tot het instellen van een bushalte aan beide zijden van de [straatnaam 1] (nabij de kruising met [straatnaam 2] ) te [plaatsnaam] .


Het beroep is behandeld op zitting in Middelburg op 13 augustus 2020. Namens eiseres was haar gemachtigde en [naam vertegenwoordiger eiseres] daarbij aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Bonnewel.

Overwegingen

1. Feiten

Eiseres is eigenaar van de woning aan de [straatnaam 1] [huisnummer] te [plaatsnaam] .

In verband met de herinrichting van het centrum van [plaatsnaam] was het volgens het college noodzakelijk om een aantal nieuwe bushaltes aan te leggen.


Op 6 maart 2018 heeft de politie het college positief geadviseerd over het instellen van de hier aan de orde zijnde bushalteplaats.

Op 18 april 2018 heeft het college het voornemen tot het nemen van het verkeersbesluit bekend gemaakt. Eiseres heeft daar bij brief van 24 mei 2018 een zienswijze tegen ingediend en heeft die zienswijze bij brief van 25 september 2018 aangevuld.

Op 23 april 2019 heeft het college besloten om de aanvullende zienswijze van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren, de zienswijze van eiseres van 24 mei 2018 ongegrond te verklaren, het bestreden ontwerp verkeersbesluit te handhaven en over te gaan tot het nemen van een verkeersbesluit tot het instellen van een bushalte aan beide zijden van de [straatnaam 1] te [plaatsnaam] . Bij brief van 3 mei 2019 heeft het college eiseres in kennis gesteld van dat besluit. Op 22 mei 2019 is het besluit bekend gemaakt in de Staatscourant en in de openbare kennisgevingen van de gemeente Sluis.

Bij brief van 27 juni 2019 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het verkeersbesluit.

Het college heeft dat bezwaarschrift op 30 juli 2019 doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.

2. Beroepsgronden

Eiseres heeft aangevoerd dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de belangen uit artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) zijn gewogen. Daarnaast heeft het college niet getoetst aan artikel 2, tweede lid, van de WVW. Het bestreden besluit bevat volgens eiseres verschillende motiveringsgebreken en daarnaast bestond geen directe noodzaak tot het verplaatsen van de bushaltes, is sprake van een alternatieve mogelijkheid op het [straatnaam 2] en is de verkeersveiligheid onvoldoende gewaarborgd. Daar heeft eiseres aan toegevoegd dat het college had moeten onderzoeken welke nadelige gevolgen het besluit voor eiseres zal hebben. Als gevolg van het besluit wordt eiseres onevenredig benadeeld. Daarnaast is het bestreden besluit volgens eiseres in strijd met het vertrouwensbeginsel.


3. Wettelijk kader
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4. Het bestreden besluit

4.1

Het college heeft een verkeersbesluit vastgesteld tot het instellen van een bushalte aan beide zijden van de [straatnaam 1] te [plaatsnaam] . Op 23 april 2019 heeft het college daartoe besloten, bij brief van 3 mei 2019 is mededeling gedaan van het besluit en de daarbij behorende motivering aan eiseres en op 22 mei 2019 is het besluit bekend gemaakt door kennisgeving van de zakelijke inhoud van het besluit in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.1 In onderling verband en samenhang beschouwd merkt de rechtbank die drie onderdelen aan als één bestreden besluit.

Het besluit houdt in dat de volgende verkeersmaatregelen worden genomen:

  • -

    het vervallen van de oorspronkelijke bushalte aan het [straatnaam 2] en ter hoogte van de woning [straatnaam 1] [huisnummer 2] ;

  • -

    het instellen van een bushalte aan beide zijden van de [straatnaam 1] nabij de kruising [straatnaam 1] – [straatnaam 2] ;

  • -

    aan de noordzijde (plantsoenzijde) is een abri (wachtruimte) geplaatst en zijn over een lengte van 28 meter geleideblokken aangelegd om de instap te vergemakkelijken;

  • -

    aan de zuidzijde (zijde woningen met even nummers) zijn over een lengte van 25 meter geleideblokken aangelegd;

  • -

    aan weerszijden wordt het verkeersbord geplaatst volgens model L-3 van Bijlage I van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • -

    aansluitend aan (achter) de bushalte zijn haakse parkeervakken en fietsstandaarden gerealiseerd.

5. Toetsingskader

5.1

Op grond van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw)2 vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

5.2

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) blijkt dat een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toekomt bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW genoemde begrippen. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.3

5.3

Uit vaste rechtspraak van de AbRS volgt ook dat het college niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.4 Dat eiseres stelt dat geen directe noodzaak bestond om de bushaltes te verplaatsen, kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

6. De doelstelling van het verkeersbesluit

6.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende inzichtelijk gemaakt welke doelstellingen met het verkeersbesluit zijn beoogd en welke belangen uit artikel 2 van de WVW ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Het college heeft afdoende gemotiveerd waarom deze belangen en doelstellingen aan het verkeersbesluit ten grondslag kunnen worden gelegd. Weliswaar bevat het bestreden besluit geen expliciete verwijzing naar (artikel 2 van) de Wegenverkeerswet maar uit het bestreden besluit blijkt dat het college het verkeersbesluit heeft genomen om de veiligheid op de weg te verzekeren, om de weggebruikers en passagiers te beschermen, om de weg in stand te houden en om de bruikbaarheid van de weg te waarborgen. Dit zijn belangen die staan genoemd in artikel 2, eerste lid, van de WVW. Als gevolg van de centrale ligging van de haltes, worden de busverbindingen ten behoeve van de leefbaarheid namelijk goed in stand gehouden. Ook wordt het openbaar vervoer als gevolg van de verplaatsing van de bushalte toegankelijk voor mindervaliden en chronisch zieken.5 De verkeersveiligheid wordt beter gewaarborgd, omdat de bushaltes als gevolg van het verkeersbesluit recht tegenover elkaar komen te liggen. De bushalte is een knooppunthalte waar passagiers op diverse momenten per uur overstappen van de ene buslijn op de andere buslijn. In de oude situatie zijn overstekende passagiers aangereden. In de nieuwe situatie zullen twee bussen ieder half uur gelijktijdig halteren langs de haltes. De gehele breedte van de rijbaan is dan versperd, waardoor passagiers veilig kunnen overstappen. Dat eiseres stelt dat de verkeersveiligheid in de nieuwe situatie onvoldoende gewaarborgd is acht de rechtbank gelet daarop niet aannemelijk en heeft eiseres ook onvoldoende met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Ter zitting heeft eiseres aan dat standpunt toegevoegd dat de bussen niet langs elkaar maar achter elkaar halteren. De rechtbank ziet niet in hoe waarom dat leidt tot een verkeersonveilige situatie, omdat de passagiers dan via de stoep kunnen overstappen en niet over hoeven steken. Daarnaast heeft het college voldoende gemotiveerd waarom de bushalte niet verplaatst kan worden naar het [straatnaam 2] , zoals eiseres voorstelt. Eén van de buslijnen heeft dan onvoldoende ruimte om te draaien om zijn route te vervolgen. Een alternatieve route neemt teveel tijd in beslag en zal tot gevolg hebben dat de dienstregeling niet gehaald kan worden.

6.2

De rechtbank overweegt nog dat een deel van die motivering pas in het verweerschrift in beroep is opgenomen. Ter zitting is dat door het college erkend. De rechtbank ziet aanleiding dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat het college het bestreden besluit in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd en de rechtbank niet is gebleken dat eiseres is benadeeld door het gebrek.

6.3

Het standpunt van eiseres dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 2, tweede lid, van de WVW kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. In die bepaling staat dat een verkeersbesluit kan strekken tot bescherming van de daar genoemde belangen, maar staat niet dat het verkeersbesluit daartoe moet strekken. Uit die bepaling volgt dus niet dat het college bij de voorbereiding van een verkeersbesluit verplicht is om te toetsen aan artikel 2, tweede lid, van de WVW. Dat neemt niet weg dat de daar genoemde belangen wel meegenomen moeten worden in de belangenafweging, wanneer het bij het verkeersbesluit betrokken belangen zijn.

7. De belangenafweging

7.1

Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

7.2

Eiseres heeft aangevoerd dat het college geen onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van het verkeersbesluit voor eiseres. Omdat de bushalte dicht bij de woning van eiseres gerealiseerd kan worden, zal zij daar hinder en overlast van ondervinden.

Daarnaast had het college in de belangenafweging rekening moeten houden met geluid- en geurhinder en de uitstoot van fijnstof en stikstof. Dat het college heeft aangegeven dat de bussen op aardgas rijden is volgens eiseres onjuist. Daar heeft zij aan toegevoegd dat het verkeersbesluit leidt tot een waardevermindering van haar woning en dat het voor haar niet langer mogelijk is om haar elektrische auto aan de eigen laadpaal bij haar woning op te laden. Als gevolg van het verkeersbesluit verliest zij een parkeerplaats voor haar woning. Het opladen van de auto aan een openbaar oplaadpunt is financieel ongunstig ten opzichte van het opladen aan een eigen oplaadpunt.

7.3

De rechtbank overweegt dat het college in redelijkheid heeft mogen besluiten dat de voor eiseres nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Uit het bestreden besluit en uit het verweer in beroep blijkt dat het college in voldoende mate rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres en dat het college die belangen heeft meegewogen in de belangenafweging. Om zoveel mogelijk overlast en hinder voor eiseres te voorkomen heeft het college de abri aan de overkant van de straat gerealiseerd. Als gevolg van die maatregel zullen passagiers niet onmiddellijk voor de woning van eiseres wachten op de bus. Op die wijze heeft het college de privacy en het uitzicht van eiseres zoveel mogelijk gewaarborgd en wordt geluidsoverlast ook zoveel als mogelijk voorkomen. Ook zijn gelet op de belangen van de omwonenden verschillende parkeervakken gerealiseerd en is de bushalte aan de zuidzijde ingekort. Eiseres heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat zij onevenredig veel geluidshinder, geurhinder of overlast door stikstof en fijnstof zal ervaren als gevolg van het verkeersbesluit. Eiseres heeft ook niet onderbouwd dat haar woning in waarde vermindert als gevolg van het verkeersbesluit. Daar voegt de rechtbank aan toe dat het aspect van een eventuele waardevermindering in elk geval niet tot de conclusie leidt dat geen rechtmatig bestreden besluit kon worden genomen zonder dat daarbij op voorhand enige schadevergoeding aan eiseres had moeten worden toegekend.

Daarnaast heeft het college gemotiveerd aangegeven dat eiseres voorheen geen parkeerplaats had voor haar woning, dat zij haar auto voorheen illegaal parkeerde op de stoep en dat zij daarom geen parkeerplaats ‘verliest’ als gevolg van het verkeersbesluit. Ook verliest eiseres niet de mogelijkheid om haar elektrische auto op te laden aan de laadpaal bij haar woning, omdat zij die mogelijkheid legaal ook niet had voor het verkeersbesluit. Wanneer wel een parkeerplaats voor de woning van eiseres gerealiseerd zou worden, zou elektrisch opladen vanuit de woning van eiseres niet toegestaan zijn. Artikel 2:15 van de APV verbiedt het uitrollen van het elektriciteitssnoer vanaf het laadpunt aan haar woning over de weg/trottoir naar haar auto. Elektrisch auto rijden wordt voor eiseres niet onmogelijk gemaakt door het verkeersbesluit, omdat zij de auto op kan laden aan een laadpaal op het [straatnaam 2] . Dat dit voor haar financieel onaantrekkelijk is, komt

voor haar eigen rekening.

7.4

Ook ten aanzien van de belangenafweging stelt de rechtbank vast dat een deel van die motivering pas in het (verweer)schrift in beroep is opgenomen. Ter zitting is ook dat door het college erkend. De rechtbank ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek eveneens te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat het college het bestreden besluit in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd en de rechtbank niet is gebleken dat eiseres is benadeeld door het gebrek.

8. Vertrouwensbeginsel

8.1

Daarnaast heeft eiseres een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Op 13 november 2017 heeft een ambtenaar van de gemeente Sluis in een persoonlijk gesprek aan eiseres medegedeeld dat de bushalte met 6 meter zou worden ingekort en dat daardoor de mogelijkheid ontstond om meer parkeerplaatsen aan te leggen. Met betrekking tot de op de gevel van haar woning aangebrachte oplaadpaal voor haar auto werd aan eiseres medegedeeld dat de gemeente niet overal rekening mee kon houden. Eiseres stelt dat zij heeft mogen vertrouwen op deze toezeggingen. Het college moet aan deze toezeggingen gevolg geven of moet eiseres compenseren voor het verlies van een parkeerplaats waar zij haar elektrische voertuig kan opladen.

8.2

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet volgens vaste rechtspraak van de AbRS sprake moet zijn van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan een rechtens te honoreren verwachting kan worden ontleend.6

8.3

Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Ter zitting heeft het college bevestigd dat toezeggingen van de ambtenaar ten aanzien van het inkorten van de bushalte en het creëren van extra parkeerplaatsen zijn nagekomen. Uit het betoog van eiseres blijkt niet dat het college aan eiseres uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk heeft toegezegd dat bij haar woning een parkeerplaats gerealiseerd zou worden om haar elektrische auto op te kunnen laden aan de laadpaal bij haar woning. Aan eiseres is juist medegedeeld dat het college niet overal rekening mee kan houden. Op dat punt zijn naar het oordeel van de rechtbank geen gerechtvaardigde verwachtingen gewekt.


9. Conclusie

9.1

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

9.2

Omdat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb, ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

9.3

De rechtbank zal het college daarnaast veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 24 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wettelijk kader

1. Wegenverkeerswet (WVW)

In artikel 2, eerste lid, van de WVW staat: de krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

  1. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

  2. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

  3. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

  4. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Het tweede lid voegt daar aan toe: de krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

  1. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

  2. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

In artikel 5 van de WVW staat:

  1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

  2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Verkeersbesluiten worden op grond van artikel 18, eerste lid, onder d genomen, voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders.

2. Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw)

Op grond van artikel 21 van het Babw vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

1 Artikel 3:43, eerste lid, van de Awb en artikel 3:42, tweede lid, van de Awb.

2 Artikel 21 van het Babw.

3 AbRS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:121, r.o. 7.1.

4 AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1774, r.o. 13.1.

5 In overeenstemming met het Rijks- en Provinciaal beleid en de eisen die de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronisch ziekte stellen.

6 AbRS 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:471, r.o. 5.1.