Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4044

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
26-02-2021
Zaaknummer
AWB- 19_1134 PKV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/1134 WIA

uitspraak van 21 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

1. [verzoeker1].te [plaatsnaam1],

2. [verzoeker2]te [plaatsnaam2]

verzoekers,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 23 januari 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de beëindiging van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [verzoeker2] per 4 november 2018.

Bij besluit van 26 maart 2020 heeft het UWV het bestreden besluit gewijzigd. Het UWV heeft aan [verzoeker2] per 4 november 2018 alsnog een zogeheten IVA-uitkering toegekend.

Vervolgens hebben verzoekers het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.

De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Wettelijk kader

Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

2. Tegemoetkomen

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 26 maart 2020 dat het UWV aan verzoekers is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten.

3. Beroepsmatig verleende rechtsbijstand

De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van artikel 1, aanhef en onder a, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 2.362,50.

Dit bedrag is als volgt berekend: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1.

4. Verletkosten

De verletkosten van de heer [verzoeker2] ten bedrage van € 82,00 komen op grond van artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb voor vergoeding in aanmerking.

5. Kosten deskundigen

5.1

De kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, komen op grond van artikel 1, aanhef en onder b van het Bpb voor vergoeding in aanmerking.

5.2

Op het ‘formulier proceskosten’ heeft de gemachtigde van verzoekers een bedrag van € 1.706,43 opgegeven aan kosten voor de door hem geraadpleegde deskundigen, bedrijfsarts Hlobil en psychiater Horsman.

5.3

Het UWV stelt zich op het standpunt dat de kosten voor bedrijfsarts Hlobil niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat geen schriftelijk stuk van de bedrijfsarts in de procedure is ingebracht en geen factuur is overgelegd waaruit de gestelde kosten blijken.

Ten aanzien van de kosten voor psychiater Horsman stelt het UWV dat deze deels kunnen worden vergoed, maar dat bij de vaststelling van de vergoeding rekening dient te worden gehouden met de tarieven als genoemd in het Besluit tarieven in strafzaken 2003.

5.4

De rechtbank overweegt over de kosten voor bedrijfsarts Hlobil als volgt.

Uit gedingstuk 32 ‘Notitie t.b.v. hoorzitting 20-11-2018’ volgt dat de gemachtigde van verzoekers het dossier aan bedrijfsarts Hlobil heeft voorgelegd ter bestudering en dat hij daarop een uitgebreide reactie heeft ontvangen van de bedrijfsarts, die de gemachtigde integraal heeft opgenomen in zijn notitie. De rechtbank ziet geen reden om eraan te twijfelen dat deze reactie inderdaad van bedrijfsarts Hlobil afkomstig is, te meer nu ook de begeleidende mail van de bedrijfsarts zich in het dossier bevindt (gedingstuk 37).

Verder overweegt de rechtbank dat de gemachtigde een factuur van 27 december 2018 van EVRO uit Haarlem heeft overlegd. In het daarop vermelde e-mailadres staat de naam van de bedrijfsarts. Blijkens de factuur is 3,5 uur besteed aan ‘[verzoeker2] de Dossier beoordeling tbv hoorzitting 19-11’.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de kosten voor bedrijfsarts Hlobil voldoende onderbouwd en komen deze, net als die van psychiater Horsman, voor vergoeding in aanmerking.

5.5

De maatstaf voor vergoeding van een deskundige wordt op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wtsz). Op grond van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt een gemaximeerd tarief.

Uit de door verzoeksters overgelegde facturen van 22 mei 2019 en 2 juli 2019 blijkt dat psychiater Horsman 7 en 1,5 = 8,5 uur aan onderzoek en het opstellen van een rapportage en een reactie heeft besteed en daarvoor een uurtarief van € 150,- heeft gehanteerd.

De maximale vergoeding voor een deskundige psychiater bedroeg bij opdrachten vanaf 1 januari 2019 € 126,47. De proceskostenveroordeling dient hiernaar gematigd te worden.

De rechtbank stelt de vergoeding voor de kosten van psychiater Horsman vast op 8,5 uur x € 126,47 = € 1.075,-.

Uit de door verzoeksters overgelegde factuur van 27 december 2018 blijkt dat bedrijfsarts Hlobil 3,5 uur aan dossierstudie en een reactie heeft besteed en daarvoor een uurtarief van € 155,- (excl. btw) heeft gehanteerd.

De maximale vergoeding voor deze medisch deskundige bedroeg bij opdrachten vanaf 1 januari 2018 € 122,63. De proceskostenveroordeling dient hiernaar gematigd te worden.

De rechtbank stelt de vergoeding voor de kosten van dat bedrijfsarts Hlobil vast op 3,5 uur x € 122,63 = € 429,21.

In totaal dient het UWV dus een bedrag van (€ 1.075,- + € 429,21) = € 1.504,21 aan deskundigenkosten te vergoeden.

6. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 345,- aan verzoekers dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van (€ 2.362,50 + € 82,00 + € 1.504,21 =) € 3.948,71.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 21 augustus 2020 en openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.