Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4043

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
26-02-2021
Zaaknummer
AWB- 19_5887
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5887 WMO15

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2020 in de zaak tussen

[verzoekster], te [plaatsnaam], eiseres/verzoekster

gemachtigde: mr. A. van 't Laar,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 12 juni 2019 (primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres tot nihilstelling van haar eigen bijdrage voor ‘Hulp aan Huis’ en tot restitutie van de reeds betaalde bijdragen in 2019 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), afgewezen.

In het besluit van 22 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Bij besluit van 6 november 2017 is aan eiseres de voorziening ‘Hulp aan Huis’ toegekend voor 1,5 uur per week in de vorm van een Alfacheque tegen een tarief van € 13,50 per uur (tariefgroep 4).

Eiseres heeft vervolgens maandelijks een eigen bijdrage voor deze voorziening betaald.

Bij brief van 14 mei 2019 heeft eiseres het college verzocht de eigen bijdrage die zij betaalt voor haar huishoudelijke ondersteuning op nihil te stellen en de door haar betaalde eigen bijdragen in 2019 te restitueren. Volgens eiseres is de voorziening ‘Hulp aan Huis’ geen algemene voorziening maar een maatwerkvoorziening en is er daarom geen rechtsgrond om een eigen bijdrage te innen.

Bij het primaire besluit is het verzoek afgewezen. De voorziening waar eiseres gebruik van maakt, ‘Hulp aan Huis’, betreft volgens het college een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 1.1.1., eerste lid, van de Wmo 2015. De gemeente kan voor het gebruik van een algemene voorziening een vergoeding vragen, indien dit is vastgelegd in de Verordening. De eigen bijdrage is vastgelegd in artikel 6.2 van de Verordening en wordt door 18k, aanbieder van de voorziening, geïnd namens de gemeente. Dit betekent dat de eigen bijdrage conform de regels is opgelegd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. In aanvullend bezwaar heeft eiseres verzocht alle eigen bijdragen betaald voor de voorziening ‘Hulp aan Huis’ (dus ook over voorgaande jaren) te restitueren. Op 30 juli 2019 vond de bezwaarhoorzitting plaats.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het college is ‘Hulp aan Huis’ terecht gekwalificeerd als een algemene voorziening, zodat daarvoor terecht aan eiseres een eigen bijdrage is opgelegd. De door eiseres aangehaalde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn niet één op één op haar situatie van toepassing, omdat in de Tilburgse Verordening wél voorschriften zijn opgenomen omtrent het verlenen van ‘Hulp aan Huis’ en omdat haar financiële situatie wel voldoende is beoordeeld. Anders dan in de aangehaalde uitspraak, hoeft eiseres niet zelf afspraken te maken met 18k, zodat zij een alfahulp kunnen sturen. Dit verschilt niet met het gebruik van Zorg in Natura. Niet de alfahulp, maar 18k dient als aanbieder aangemerkt te worden.

2. Eiseres voert aan dat de restitutie en nihilstelling van de eigen bijdrage voor de voorziening ‘Hulp aan Huis’ ten onrechte is afgewezen. ‘Hulp aan Huis’ kan niet worden beschouwd als een algemene voorziening in de zin van de Wmo 2015 en moet worden gekenschetst als een maatwerkvoorziening, waarbij eiseres zelf contracteert met de alfahulp en afspraken maakt over de hoeveelheid en de aard van de te verrichten werkzaamheden. Op grond van de artikelen 2.1 en 2.2 van het Besluit MO Tilburg 2019 is de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening gelijk aan de totale kostprijs tot ten hoogste € 17.50 per vier weken. Op grond van artikel 2.4 van dit Besluit wordt de eigen bijdrage niet opgelegd voor de maatwerkvoorziening ‘Hulp aan Huis’. Er is op grond van de gemeentelijke regelgeving geen rechtsgrond om een eigen bijdrage, te innen via het CAK, te vragen voor de maatwerkvoorziening Hulp aan Huis. Eiseres verwijst naar de uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2018:6654. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd, omdat niet is ingegaan op het door eiseres ingestelde aanvullende bezwaar van 15 juli 2019, waarbij zij heeft verzocht om alle eigen bijdragen die zij in de loop der tijd heeft betaald voor ‘Hulp aan Huis’ te restitueren. Eiseres verzoekt de rechtbank te bepalen dat het bestreden besluit wordt vernietigd, het primaire besluit wordt herroepen en te bepalen dat de eigen bijdragen die zijn betaald vanaf 6 november 2017 worden gerestitueerd, inclusief de wettelijke rente.

3.1

Onder verwijzing naar de uitspraak van vandaag van de meervoudige kamer in de zaak met zaaknummer 19/5254 Wmo15, overweegt de rechtbank als volgt.

Net als in de hiervoor genoemde zaak, merkt de rechtbank het beroep van eiseres aan als een verzoek tot schadevergoeding op grond van titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Verzoek tot schadevergoeding

4.1

Per 1 juli 2013 is titel 8.4 van de Awb ingevoerd, inhoudende een verzoekschriftprocedure die het mogelijk maakt om aan de bestuursrechter een verzoek tot schadevergoeding te doen. Deze procedure is in de plaats gekomen van de in de rechtspraak ontwikkelde mogelijkheid om op te komen tegen een zelfstandig schadebesluit en de schadeprocedure van artikel 8:73 en 8:73a van de Awb.

4.2

De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb, bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.

4.3

Van een onrechtmatig schadeveroorzakend besluit kan sprake zijn als schade is veroorzaakt door een door de rechter vernietigd besluit, door een in bezwaar of beroep herroepen besluit, waarbij het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de belangen van de benadeelde tegemoet is gekomen, dan wel door een (primair) besluit waarvan de onrechtmatigheid door het bestuursorgaan is erkend (zie de Memorie van Toelichting bij de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 621, nr. 3, p. 44). Volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de CRvB van 28 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5052) moet voor de beantwoording van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en komen voorts alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking, die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

4.4

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat haar schade voortvloeit uit het onrechtmatige besluit van 6 november 2017. Naar het oordeel van de rechtbank is dat besluit geen onrechtmatig schadeveroorzakend besluit als hiervoor bedoeld. Vaststaat immers dat verzoekster geen rechtsmiddelen tegen dat besluit heeft aangewend. Daardoor heeft dat besluit formele rechtskracht gekregen en moet het zowel wat de wijze van tot stand komen als wat inhoud betreft voor rechtmatig worden gehouden. De enige manier waarop verzoekster nadien het college had kunnen bewegen terug te komen op dat besluit, is via een herzieningsverzoek op grond van artikel 4:6 van de Awb. Niet in geschil is dat verzoekster van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. In het verzoek van 14 mei 2019 wordt het besluit van 6 november 2017 niet genoemd. In dit verzoek of later in de procedure vraagt de gemachtigde van verzoekster ook niet om (voor het verleden en de toekomst) terug te komen op het besluit van 6 november 2017. Het college kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij niet heeft getoetst aan artikel 4:6 van de Awb.

5. Op grond van het voorgaande is geen sprake van een onrechtmatig schadeveroorzakend besluit, zodat geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Awb het college te veroordelen tot vergoeding van schade. Voor zover verzoekster bedoelt dat het schadeveroorzakend handelen ligt in het innen van de eigen bijdrage is dit handelen niet te herleiden tot een bevoegdheidsgrondslag als bedoeld in voornoemd artikel. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 21 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.