Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4038

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
AWB- 20_108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VEROR

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/108 VEROR

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. R. Keuken,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Op 4 september 2018 (primaire besluit) heeft verweerder het pand [adres] te [plaatsnaam] aangewezen als beschermd gemeentelijk monument in de zin van artikel 3 van de Monumentenverordening gemeente Tilburg.

In het besluit van 26 november 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 14 juli 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en mr. J.M.B. van Overdijk en [aanwezige verweerder] namens verweerder.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres] te [plaatsnaam] .

In overleg met erfgoedorganisaties heeft verweerder panden, waaronder de woning van eiser, geselecteerd voor aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument in de zin van de Monumentenverordening gemeente Tilburg (hierna: de Monumentenverordening). Verweerder beoogt daarmee de hiaten in de gemeentelijke monumentenlijst, in ieder geval voor wat betreft de naoorlogse bouwkunst periode, op te vullen en het erfgoed te beschermen. Deze selectie is voorgelegd aan de Omgevingscommissie, die in voorkomende gevallen adviseert als monumentencommissie. Op 11 oktober 2017 heeft de Omgevingscommissie positief geadviseerd om (onder meer) de woning van eiser aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument.

Op 9 februari 2018 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn om de woning van eiser aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument. Voor de definitieve aanwijzing is eiser in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Van die mogelijkheid heeft eiser op 2 maart 2018 gebruik gemaakt.

Bij het primaire besluit is de zienswijze ongegrond verklaard en de woning van eiser aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. De bezwaren zijn bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Eiser voert in beroep aan dat sprake is van een motiveringsgebrek, omdat op grond van de motivering die verweerder aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, niet kan worden gesproken van een gemeentelijk monument in de zin van de Monumentenverordening. Bovendien is verweerder in het bestreden besluit niet ingegaan op het bezwaar dat de redengevende omschrijving niet voldoet. Daarnaast heeft verweerder de in artikel 4 van de Monumentenverordening opgenomen beslissingstermijn ruimschoots overschreden, waardoor het besluit volgens eiser niet meer genomen kon worden. Er is sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat onduidelijk is of het besluit tevens ziet op het monumentwaardig karakter van het interieur van de woning. Ten slotte had verweerder volgens eiser bij de belangenafweging rekening moeten houden met de waardedaling van de woning. De mogelijkheid tot splitsing van het perceel, dan wel sloop van de bestaande woning ten behoeve van nieuwbouw is eiser, met de aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument, ontnomen. Dit maakt de woning minder makkelijk verkoopbaar.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de woning onterecht wordt aangewezen als beschermd gemeentelijk monument, heeft eiser een memo overgelegd van drs. ing. De Bruijne en drs. Boels.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sec de aanwijzing van een pand als gemeentelijk beschermd monument niet met zich meebrengt dat het pand in waarde daalt. Slechts indien zou blijken dat de waardedaling zo groot is dat het belang van de eigenaar onevenredig zou worden geschaad, kan dit worden meegenomen in de belangenafweging. Een eventuele waardedaling is in dit geval echter niet aan de hand van een deskundigen- of taxatierapport aannemelijk gemaakt. Verder wijst verweerder erop dat een aanwijzing van een pand als monument niet betekent dat er geen wijzigingen meer mogelijk zijn. Verweerder is van mening dat de aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen, aangezien het aanwijzingsvoorstel is voorgelegd aan en goedgekeurd door de Omgevingscommissie, die bestaat uit onafhankelijke deskundigen.

4. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument.

5. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Monumentenverordening gemeente Tilburg wordt onder beschermd gemeentelijk monument verstaan: onroerend monument dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Monumentenverordening wordt onder monument verstaan: zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening kan verweerder, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, een onroerend monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. Ingevolge het tweede lid van dat artikel vraagt verweerder, voordat het over de aanwijzing een besluit neemt, advies aan de monumentencommissie.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Monumentenverordening beslist verweerder binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag.

6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), beleidsvrijheid heeft bij de aanwijzing van een zaak als beschermd gemeentelijk monument. Die vrijheid vindt haar begrenzing in de Monumentenverordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechter toetst de aanwijzing terughoudend. Ter beoordeling staat of verweerder in redelijkheid, bij de afweging van de betrokken belangen, tot de aanwijzing heeft kunnen komen (bijvoorbeeld AbRS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4681).

6.1

Verweerder is tot het bestreden besluit gekomen op grond van de redengevende omschrijving gemeentelijk monument en het advies van de Omgevingscommissie.

In de redengevende omschrijving staat onder meer:

“motivering:

Deze voormalige burgemeesterswoning heeft vanwege de directe verbinding met burgemeester Alphons Panis en diens broer de architect Constant Panis betekenis voor het verhaal van [plaatsnaam], onder meer voor de bestuurlijke geschiedenis. Het pand heeft cultuurhistorische waarde.

Typologisch is het pand van belang vanwege de sobere traditionele vormentaal die kenmerkend is voor de naoorlogse architectuur in Nederland. Het heeft architectuurhistorische waarde.

Er is sprake van ensemblewaarden vanwege de ligging aan de [adres] waar vanaf het begin van de twintigste eeuw steeds meer welgestelden zich vestigden in vaak representatieve villa’s, waaronder het monument aan de overzijde”.

De lijst met panden die geselecteerd zijn voor aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is aan de Omgevingscommissie voorgelegd. Deze commissie heeft de panden individueel bekeken en positief geadviseerd over de aanwijzing van (onder meer) het pand van eiser tot beschermd gemeentelijk monument.

In beginsel mag verweerder zich baseren op het advies van deskundigen, tenzij dit naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder dit advies niet – of niet zonder meer – aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen (vergelijk de uitspraak van de AbRS van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0688).

Eiser heeft een memo overgelegd van drs. ing. F.H. de Bruijne MRICS RT en C.M.T.L. Boels MA Msc. Hierin wordt gesteld dat de onderbouwing van het besluit door verweerder niet steekhoudend is. Immers, de sobere vormentaal die wordt genoemd als motief voor de aanwijzing, is het gevolg van de wijzigingen die de bewoners zelf hebben aangebracht en de bijzondere kenmerken van de naoorlogse architectuur zijn hierdoor juist verdwenen. Van de architect Constant Panis is het oude raadhuis reeds beschermd, zodat de aanwijzing van het pand van eiser volgens De Bruijne en Boels niets toevoegt aan de cultuurhistorische waarde. Verder wordt de stedenbouwkundige waarde matig geacht, omdat het pand hierin niet uniek is.

Op de zitting heeft verweerder de redengevende omschrijving toegelicht. Het pand wordt, ondanks de latere aanpassingen, typisch herkenbaar geacht voor de naoorlogse periode. Een deel van de authentieke detaillering is weliswaar gewijzigd, maar de voor die periode kenmerkende architectonische soberheid van het pand is behouden gebleven. Verder geeft verweerder aan dat het bijzondere verhaal achter de totstandkoming van dit pand één van de belangrijkste redenen was om het pand aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument.

De rechtbank is van oordeel dat de monumentale waarden van het pand in de redengevende omschrijving in samenhang met de toelichting daarop van verweerder ter zitting, zorgvuldig en inzichtelijk in kaart zijn gebracht. Verweerder heeft hiermee de aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument voldoende onderbouwd. De door eiser overgelegde memo vormt naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om aan de redengevende omschrijving te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid tot de aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument kunnen besluiten.

6.2

Ten aanzien van de beslissingstermijn overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Monumentenverordening moet verweerder binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie een besluit nemen. Op 11 oktober 2017 heeft de Omgevingscommissie positief geadviseerd, terwijl verweerder het primaire besluit pas op 4 september 2018 heeft genomen. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder de beslissingstermijn zoals genoemd in artikel 4 van de Monumentenverordening, ruimschoots heeft overschreden. Uit de Monumentenverordening vloeit echter niet voort dat aan een termijnoverschrijding een gevolg moet worden verbonden. De rechtbank gaat dan ook niet mee in de stelling van eiser dat het besluit niet meer genomen kon worden.

6.3

Eiser heeft verder nog aangevoerd dat sprake is van waardedaling van het perceel als gevolg van de beperkte splitsings-, nieuwbouw- of verbouwingsmogelijkheden. Eiser heeft echter geen concrete gegevens aangeleverd waaruit blijkt dat sprake is van (niet geringe) waardedaling van zijn woning, die voor verweerder aanleiding had moeten zijn om niet over te gaan tot de aanwijzing. Op grond hiervan kan de rechtbank dan ook niet oordelen dat het besluit geen stand kan houden.

Ten aanzien van de vrees van eiser dat hij door de monumentale status van het object belemmeringen zal ondervinden bij een mogelijke verkoop daarvan, overweegt de rechtbank dat een financieel belang onvoldoende grond is om van aanwijzing af te zien. Daarbij is van belang dat de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument niet inhoudt dat ingrijpende wijzigingen of zelfs sloop geen doorgang kunnen vinden; slechts dat daarvoor een specifieke toets vooraf plaatsvindt in het kader van de daarvoor benodigde vergunning. Het voorgaande leidt ertoe dat, nog daargelaten dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn eigendom moeilijker verkoopbaar zou zijn, verweerder in de financiële belangen van eiser geen aanleiding hoefde te zien om het object niet op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

6.4

Volgens eiser is sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat onduidelijk is of het interieur van het pand onder de aanwijzing valt. Zowel uit punt 4 van de algemene reactie zienswijzen, die als bijlage bij het primaire besluit is gevoegd, als uit de toelichting van verweerder op de zitting, volgt dat een aanwijzing als beschermd monument in principe betekent dat het hele pand onder de bescherming valt, dus zowel het exterieur als het interieur. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen in zijn stelling dat onvoldoende duidelijk is waar de aanwijzing op ziet. Dit gegeven leidt ertoe dat ook inpandige wijzigingen vergunningplichtig zijn, maar aangezien de monumentale waarde van het interieur van de woning niet in de redengevende omschrijving is opgenomen, zal verweerder naar verwachting bij een aanvraag om vergunning tot wijziging van het interieur, niet lichtvaardig tot een weigering daarvan overgaan.

6.5

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid, bij de afweging van de betrokken belangen, tot de aanwijzing van het object [adres] te [plaatsnaam] als beschermd gemeentelijk monument heeft kunnen komen.

7. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Graumans, griffier, op 25 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.