Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3999

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
AWB- 20_7876 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzen aanvraag douchestoel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7876 WMO

uitspraak van 26 augustus 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] (verzoekster), te [woonplaats verzoekster],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen (het college), verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 augustus 2020 (bestreden besluit) van het college over de afwijzing van haar aanvraag om een douchestoel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen
1.Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster heeft op 14 juli 2020 een ondersteuningsplan bij het college ingediend. Hiermee heeft zij een aanvraag ingediend om een maatwerkvoorziening in de vorm van een douchestoel.

Het college heeft de aanvraag bij het bestreden besluit afgewezen. Volgens het college is gebleken dat verzoekster haar beperking op het gebied van zelfzorg kan compenseren met de persoonlijke verzorging die zij krijgt op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), in combinatie met een reguliere douchestoel. Door de poten van deze stoel goed af te stellen, kan deze zodanig worden geplaatst dat geen sprake is van valgevaar.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Volgens verzoekster heeft het college haar aanvraag om een douchestoel ten onrechte afgewezen. Op wat zij aanvoert wordt – voor zover relevant – hieronder ingegaan.

4. Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Verordening Wmo & Jeugdhulp gemeente Vlissingen beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 van de Wmo bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Ingevolge het tweede lid neemt het college het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

5. De voorzieningenrechter moet in de eerste plaats beoordelen of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij op een reguliere douchestoel binnen 5 minuten rugpijn krijgt, en dat deze stoel een valrisico oplevert omdat deze wiebelt en zij kampt met duizeligheidsaanvallen. De voorzieningenrechter kan echter niet alleen op die mededelingen afgaan. Dit standpunt moet worden bevestigd met medische informatie of een verklaring van bijvoorbeeld een arts of therapeut. Die informatie bevindt zich niet bij de stukken die het college en verzoekster hebben ingediend. Bovendien krijgt verzoekster vanuit de Zvw ondersteuning krijgt bij haar persoonlijke verzorging. Van een spoedeisend belang is daarom onvoldoende gebleken.

6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als nu al blijkt dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in stand zal blijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Uit verzoeksters ondersteunings-plan van 14 juli 2020 en de andere dossierstukken blijkt niet duidelijk dat het standpunt van het college onhoudbaar is. Een ergotherapeut heeft een reguliere douchestoel voldoende geacht om verzoeksters beperkingen te compenseren, en verzoekster heeft daar geen andere informatie (bijvoorbeeld van een arts of andere ergotherapeut) tegen ingebracht.

7. De voorzieningenrechter merkt op dat in bezwaar een toetsing moet plaatsvinden die verder gaat dan de hier beantwoorde vraag of verzoekster evident is aangewezen op de betreffende voorziening. Gezien de aard van die voorziening ziet de voorzieningenrechter echter geen aanleiding in het kader van deze procedure een verdergaand voorlopig oordeel te geven.

8. Het verzoek is kennelijk ongegrond. Er is geen reden om een proceskostenvergoeding uit te spreken.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 26 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.