Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3985

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
02/029081-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is op 1 februari 2020 in Breda weggereden in een door anderen gestolen auto. Hij heeft, zonder rijbewijs en onder invloed van cocaïne en cannabis, de auto bestuurd.

Verdachte heeft diverse verkeersovertredingen begaan en daardoor tweemaal een verkeersongeluk veroorzaakt in Breda en Oosterhout. Hij heeft de plaats van het verkeersongeval verlaten, terwijl schade en zwaar lichamelijk letsel is toegebracht aan de andere weggebruikers.

De rechtbank oordeelt dat onder de gegeven omstandigheden er sprake is geweest van roekeloos rijgedrag

Verdachte wordt veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/029081-20

vonnis van de meervoudige kamer van 27 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag verdachte] 1987 te [geboorteplaats verdachte]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in Grave.

Raadsman: mr. Thomas, advocaat te [geboorteplaats verdachte] .

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 augustus, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Voorts is ter zitting [naam] gehoord, reclasseringswerker verbonden aan Novadic-Kentron in Breda.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er - kort en feitelijk weergegeven- op neer dat verdachte op 1 februari 2020 in Breda en/of Oosterhout zich schuldig heeft gemaakt aan:

- diefstal dan wel heling van een personenauto;

- het als bestuurder van een personenauto veroorzaken van een verkeersongeval, waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;

- het tweemaal als bestuurder van een personenauto verlaten van de plaats van een verkeersongeval, terwijl aan anderen schade en/of letsel is toegebracht,

- het als bestuurder van een personenauto aan het verkeer deelnemen, terwijl hij onder invloed is van drugs;

- het als bestuurder van een personenauto aan het verkeer deelnemen zonder rijbewijs.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde heeft gepleegd. Verdachte heeft een bekentenis afgelegd, behalve voor het gedeelte ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] onder feit 3. Volgens het openbaar ministerie staat echter vast dat verdachte ook dit feit heeft gepleegd. Op basis van de aangifte van [slachtoffer] en de verklaring van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan worden vastgesteld dat verdachte als enige het voertuig heeft bestuurd. Verdachte kan de zwaarste vorm van schuld in het verkeer worden verweten. Hij heeft met zijn gedragingen roekeloos aan het verkeer deelgenomen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de onder feit 1 primair ten laste gelegde diefstal van een personenauto heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

4.3.2

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.3.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 2: Roekeloosheid
In artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994, zoals dat artikel sinds 1 januari 2020 luidt, is bepaald dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, kan worden aangemerkt.

Volgens dat artikel is het een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Daarbij is een opsomming gegeven van dertien gedragingen die als zodanige verkeersgedragingen kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in Oosterhout drie verkeersovertredingen heeft begaan. Hij heeft een gevaarlijke inhaalmanoeuvre verricht waarbij hij een doorgetrokken streep heeft genegeerd, hij heeft met een hogere snelheid gereden dan de maximum toegestane snelheid en hij heeft op de weghelft gereden voor het hem tegemoetkomend verkeer. Er is dus sprake van drie gedragingen die in artikel 5a zijn genoemd: gevaarlijk inhalen (sub b), het overschrijden van de maximumsnelheid (sub g) en tegen de verkeersrichting inrijden (sub j). Bovendien verkeerde verdachte onder invloed van twee soorten drugs die zijn rijvaardigheid beïnvloeden. Gezien de combinatie van deze factoren heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank opzettelijk zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Dit betekent dat sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1 subsidiair:

hij op 1 februari 2020 te Breda een personenauto (merk/type BMW 525D station kenteken [kenteken 1] ) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 2:

hij op 1 februari 2020 te Oosterhout als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Burgemeester Materlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft verdachte roekeloos

- een doorgetrokken streep overschreden en

- met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur gereden en

- gereden op de weghelft van genoemde weg bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer

waardoor verdachte met de door hem bestuurde personenauto in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende personenauto (Peugeot 107 met kenteken [kenteken 2] ), door welk verkeersongeval [slachtoffer 2] (zijnde de bestuurder van die Peugeot) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten: een beschadigde oogzenuw en vijf gebroken ribben en een gescheurde enkel en inwendige bloedingen in de bekken en de borst, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3:

hij op 1 februari 2020 te Breda en te Oosterhout, als degene door wiens gedraging als bestuurder van een motorrijtuig een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden op de J.F. Kennedylaan te Breda en de Burgemeester Materlaan te Oosterhout, voornoemde plaatsen van vorenbedoelde ongevallen heeft verlaten, terwijl bij die ongevallen, naar hij wist, aan een ander (de personenauto Seat Leon grijs, kenteken [kenteken 3] van [slachtoffer] ) schade was toegebracht en aan een ander (te weten [slachtoffer 2] ) letsel en schade was toegebracht, en waardoor, naar hij wist, een ander (voornoemde [slachtoffer 2] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

feit 4:

hij op 1 februari 2020 te Breda en te Oosterhout als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne en Cannabis, waarvan hij wist dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

feit 5:

hij op 1 februari 2020 te Breda en te Oosterhout als bestuurder van een motorrijtuig heeft gereden op de wegen, de J.F. Kennedylaan te Breda en de Burgemeester Materlaan te Oosterhout, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). Er is gevorderd om met betrekking tot feit 5 verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van staf of maatregel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen, waarbij na een periode van twaalf maanden het laten voortduren van de maatregel tussentijds moet worden beoordeeld.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Straftoemeting

Verdachte heeft op 1 februari 2020 in Breda en Oosterhout zich schuldig gemaakt aan heling van een dure personenauto. Vervolgens heeft hij zonder rijbewijs en onder invloed van cocaïne en cannabis de auto bestuurd. Dit resulteerde in een dollemansrit, waarbij hij eerst in Breda een ongeval veroorzaakte, waarbij de andere auto schade opliep, maar verdachte is doorgereden. Tot slot heeft hij met roekeloos rijgedrag ook in Oosterhout een verkeersongeval veroorzaakt, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg bij de bestuurster van de andere auto. In plaats van zich om het slachtoffer te bekommeren, heeft hij opnieuw de plaats van het ongeval verlaten, waarbij hij haar in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

Heling is een naar feit dat voor gedupeerden vaak financiële schade oplevert, terwijl verdachte hiervan heeft geprofiteerd. Dit valt verdachte kwalijk te nemen. De wijze waarop hij daarna door het verkeer is gereden is volstrekt onacceptabel en onbezonnen. Uit de getuigenverklaringen van andere weggebruikers blijkt dat zij zijn geschrokken van zijn rijgedrag. De rechtbank betrekt daarbij dat door dit soort rijgedrag het vertrouwen in het rijgedrag van anderen bij hen zal zijn aangetast. De rechtbank rekent de gevolgen die het handelen van verdachte heeft gehad hem zwaar aan. Naast de financiële schade die is veroorzaakt aan diverse voertuigen is het slachtoffer [slachtoffer 2] ernstig gewond geraakt. Uit de voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat zij langdurig heeft moeten revalideren en nog dagelijks kampt met de gevolgen van het verkeersongeval. Verdachte heeft zich totaal niet bekommerd om het lot van de slachtoffers en heeft zijn verantwoordelijkheid terzijde geschoven. Na het ongeval is hij op de vlucht geslagen en heeft hij getracht aan zijn aanhouding te ontkomen.

De ISD-maatregel

De ISD-maatregel is erop gericht om zeer actieve veelplegers voor maximaal twee jaar hun vrijheid te benemen, waardoor voortzetting van een crimineel gedragspatroon feitelijk onmogelijk wordt gemaakt en de vicieuze cirkel van bestraffing en het plegen van strafbare feiten wordt doorbroken. Gedurende de ISD-maatregel wordt de maatschappij beschermd tegen het criminele gedrag van de recidivist. Ook biedt de ISD-maatregel mogelijkheden om door middel van een hulpverleningstraject aan gedragsverandering te werken om recidive in de toekomst te voorkomen.

Uit het 22 pagina’s tellende strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld wegens gewelds- en vermogensdelicten. De rechtbank stelt vast dat het door verdachte onder feit 1 subsidiair gepleegde feit een misdrijf betreft waarvoor op grond van artikel 67 Sv voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten ten minste driemaal onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf, waaronder voor mishandeling en gekwalificeerde diefstal. Verder geldt dat de onderhavige feiten begaan zijn na tenuitvoerlegging van de daarvoor opgelegde straffen. Dit betekent dat aan de wettelijke criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of het opleggen van een ISD-maatregel noodzakelijk en wenselijk is. Bij de beoordeling heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op de adviezen van de reclassering d.d. 29 oktober 2019, 7 februari 2020 en 6 mei 2020.

De reclassering heeft geadviseerd tot het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Uit de verslaglegging komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een delictpatroon op het gebied van vermogensdelicten en geweldsdelicten. Deze misdrijven zijn vaak gepleegd onder invloed van verdovende middelen. Er is instabiliteit op meerdere leefgebieden. Verdachte heeft geen huisvesting, geen dagbesteding en er is een schuldenlast. Het is onmogelijk gebleken om eerder diagnostisch onderzoek te verrichten. Verdachte heeft nooit enig reclasseringstoezicht positief afgerond en meerdere werkstraffen zijn negatief geretourneerd. Hij is eerder veroordeeld tot een ISD-maatregel die tussen 2011 en 2013 ten uitvoer is gelegd. Het toezicht in de extramurale fase werd destijds negatief geretourneerd. De conclusie over het recidiverisco is dan ook dat dit als hoog moet worden ingeschat. Volgens de reclassering is verdachte gebaat bij een lange periode van activiteiten gericht op stabilisatie, zorg en re-integratie. Indien de ISD-maatregel wordt opgelegd zal voor een gedegen plan van aanpak een Traject Bepalend Overleg (TBO) worden belegd tussen de penitentiaire inrichting, de reclassering en gemeente. Hierbij wordt zowel de intramurale fase als het extramuraal traject besproken. Tevens is een uitgebreid persoonlijkheidsonderzoek richtinggevend voor dat plan van aanpak.

Ter zitting heeft de deskundige de conclusies uit de reclasseringsrapportages onderschreven. Eerder reclasseringstoezicht heeft niet tot gedragsverandering kunnen leiden en er bestaat nog steeds een hoog recidiverisico. Het is ook nog niet mogelijk geweest om een diagnostisch onderzoek bij verdachte te laten plaatsvinden. De reclassering ziet geen mogelijkheid invulling te geven aan de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm.

De verdachte heeft ter zitting verklaard bereid te zijn om de ISD-maatregel te doorlopen.

Gezien de adviezen van de reclassering, het strafblad van verdachte en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel noodzakelijk en wenselijk is. Naar het oordeel van de rechtbank vereist de veiligheid van personen en goederen dan ook het opleggen van ISD-maatregel. Het is van belang dat er voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen, om het plegen van strafbare feiten door verdachte te stoppen en het werken aan en oplossen van zijn problematiek alle kansen te geven. Bovendien moet uitgebreid diagnostisch onderzoek worden verricht. Gelet op al deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de ISD-maatregel, conform de eis van de officier van justitie, voor twee jaar opleggen.

De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding voor het vastleggen van een tussentijds toetsingsmoment zoals door de raadsman is verzocht. Indien verdachte daar over een jaar aanleiding toe ziet, kan hij zelf om zo’n toetsing verzoeken.

Ten aanzien van feit 5

Omdat het onder feit 5 ten laste gelegde geen misdrijf is moet de rechtbank hiervoor een afzonderlijke straf bepalen. Gelet op het opleggen van de ISD-maatregel ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een extra straf of maatregel. Zij zal daarom voor dit feit toepassing geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7 De benadeelde partijen

7.1

[slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft ter zake van feit 3 een schadevergoeding ingediend voor een bedrag van € 202,78. Dit gehele bedrag bestaat uit een vergoeding van materiële schade. De benadeelde partij heeft verzocht om het bedrag te vermeerderen met wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier staat vast dat [slachtoffer] door het ongeval schade heeft opgelopen aan zijn auto, doordat verdachte als bestuurder van de BMW tegen hem is aangereden. De factuur voor schadeherstel bedraagt in totaal € 2.162,54. Uit de stukken blijkt dat door de verzekering een deel van de factuur betaald is, te weten een bedrag van € 1.959,76,-.

Gelet op het voorgaande is het voldoende aannemelijk dat er een causaal verband bestaat tussen de gedragingen van verdachte en de hiervoor genoemde materiële schade van [slachtoffer] . Verdachte is dan ook aansprakelijk voor vergoeding van het bedrag aan schadeherstel dat niet door de verzekering is betaald, te weten € 202,78. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal tevens de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

7.2

[benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft ter zake van feit 1 een ondertekend schadeopgaveformulier ingediend. Er zijn spullen uit zijn auto ontvreemd. Daarnaast is gevorderd om de schade te vergoeden die is veroorzaakt aan en met het voertuig in het verkeer.

De benadeelde partij heeft echter geen concrete bedragen ingevuld en evenmin zijn bijlagen ingezonden waaruit de geleden schade zou kunnen blijken. De benadeelde partij daarom zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 36f, 38m, 38n, 57, 62 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 6, 7 eerste lid, 8 eerste lid, 107 eerste lid, 175, 176, 177 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: opzetheling;

feit 2: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid van deze wet;

feit 3: overtreding van artikel 7, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 en

overtreding van artikel 7, eerste lid, onder c van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 4: overtreding van artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 5: overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

Ten aanzien van feit 5

- verklaart de verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel;

Benadeelde partij [benadeelde partij]

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding ;
- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij een bedrag van € 202,78 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 202,78,- te betalen;

- bepaalt dat bij niet betaling 4 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Breeman en mr. Soomers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 augustus 2020.
Mr. Soomers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto (merk/type BMW 525D station kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht, artikel 311 lid 1 aanhef/sub 4 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een personenauto (merk/type BMW 525D station kenteken [kenteken 1] ) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(artikel 416 lid 1 aanhef/onder a Wetboek van Strafrecht, artikel 417bis lid 1 aanhef/onder a Wetboek van Strafrecht, artikel 47 lid 1 aanhef/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

feit 2:

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Oosterhout, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Burgemeester Materlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- een doorgetrokken streep overschreden en/of

- met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur gereden, in elk geval gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was, en/of

- gereden op de weghelft van genoemde weg, bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer

waardoor hij, verdachte, met de door hem bestuurde personenauto in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende personenauto (Peugeot 107 met kenteken [kenteken 2] ), door welk verkeersongeval [slachtoffer 2] (zijnde de bestuurder van die Peugeot) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten: een beschadigde oogzenuw en/of vijf, althans een of meerdere gebroken rib(ben) en/of een gescheurde enkel en/of inwendige bloedingen in de bekken en de borst, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;


(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

feit 3:

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Breda en/of te Oosterhout, althans in Nederland als degene die bij een verkeersongeval was betrokken of door wiens gedraging als bestuurder van een motorrijtuig een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden op de J.F. Kennedylaan te Breda en/of de Burgemeester Materlaan te Oosterhout, (voornoemde) plaats(en) van vorenbedoeld(e) ongeval(len) heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongeval(len), naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat aan een ander (te weten aan de personenauto Seat Leon grijs, kenteken [kenteken 3] van [slachtoffer] ), schade was toegebracht en/of dat aan een ander, (te weten [slachtoffer 2] ) letsel en schade was toegebracht, en/of waardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (voornoemde [slachtoffer 2] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

(artikel 7 lid 1 aanhef/onder a Wegenverkeerswet 1994)

feit 4:

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Breda en/of te Oosterhout, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne (83 microgram per liter) en/of Cannabis/THC (1,2 microgram per liter), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

(artikel 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )

feit 5:

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Breda en/of te Oosterhout, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (voertuig) heeft gereden op de weg(en), de J.F. Kennedylaan te Breda en/of de Burgemeester Materlaan te Oosterhout, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

(artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994)

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2, feit 4 en feit 5 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

Ten aanzien van feit 1:

1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, op 13 augustus 2020;

2. Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte, inclusief de daaraan gehechte bijlage goederen (opgenomen als bijlage op pagina 159-161 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028042), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende de verklaring van [benadeelde partij] .

Ten aanzien van feit 2:

1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, op 13 augustus 2020;

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring omtrent het slachtoffer [slachtoffer 2] (opgenomen als bijlage op pagina 182 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), inhoudende de verklaring van artsen Van Zutphen en Chui.

3. Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (opgenomen als bijlage op pagina 187-188 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] .

4. Het Forensisch Dossier Verkeersongeval, het Forensisch Onderzoek Plaats Delict, het Forensisch Voertuigenonderzoek en de Forensische Analyse, inclusief alle aangehechte documenten (opgenomen als bijlagen op pagina 386-501 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland- West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .

5. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapportage van Eurofins omtrent onderzoek naar alcohol en drugs in het verkeer bij verdachte (opgenomen als bijlage op pagina 346-351 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, inhoudende de verklaring van dr. Apr. Kristof Maudens.

Ten aanzien van feit 3:

Ongeval Breda

1. Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte, inclusief de daaraan gehechte fotobijlagen (opgenomen als bijlage op pagina 168-172 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028082), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Op 1 februari 2020 reed ik in Breda. Ik ben afgeslagen in de J.F. Kennedylaan. Bij de stoplichten wilde ik weer afslaan. Voor mij waren de verkeerslichten groen. Toen ik wilde afslaan kwam er een BMW op mijn weg. Het kenteken van de BMW is [kenteken 1] . Ik kon niet zo snel stoppen en we raakten elkaar. Ik heb schade aan het spatbord, bumper en velgen. Ik ben de BMW achterna gegaan. Ik kon hem niet meer bijhouden, zo hard reed hij. Er zaten drie personen in de BMW.

De aangever verstrekt over het beschadigde de volgende informatie:

Voertuig: Personenauto.

Merk/type: Seat Leon.

Kleur: Grijs.

Kenteken: [kenteken 3] .

2. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor aangever (opgenomen als bijlage op pagina 173-174 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028082), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Ik reed vandaag op de J.F. Kennedylaan in Breda. Ineens zag ik dat er een auto van de rijstrook voor rechtdoor naar rechts reed en zijn auto ineens voor mijn auto gooide. Toen deze auto naar rechts reed, reed ik er eigenlijk al naast. Deze auto raakte hierdoor mijn auto.

De bestuurder van de auto droeg een blauwe pet.

3. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor medeverdachte (opgenomen als bijlage op pagina 235-240 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] :

De eerste hoek die de bestuurder op ging, raakte hij al een auto. Hij is daardoor gaan vluchten. Ik wil open kaart spelen. De bestuurder was [verdachte] . Ik denk [achternaam verdachte] .

4. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor medeverdachte (opgenomen als bijlage op pagina 245-252 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2] :

V: Vraag verbalisanten.

A: Antwoord verdachte.

V: Wie was de bestuurder van de BMW, voorzien van het kenteken [kenteken 1] .

A: Niet [medeverdachte 1] maar die andere man.

5. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor medeverdachte (opgenomen als bijlage op pagina 283-287 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2] :

V: Vraag verbalisanten.

A: Antwoord verdachte

V: Heeft [medeverdachte 1] gereden?
A: Nee, helemaal niet.

6. De verklaring van verdachte, afgelegd bij het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, op 13 augustus 2020;

Ik droeg een blauwe pet.

Ongeval Oosterhout

7. Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (opgenomen als bijlage op pagina 26-27 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 6] :

Op 1 februari 2020 reed ik in Oosterhout. Ik zag ter hoogte van de kruising Burgemeester Holtroplaan – Burgemeester Materlaan een rookwolk. Ik zag een grijze Peugeot waarvan de voorkant volledig in elkaar zat. Ik zag dat de airbags eruit waren. Ik zag in de grijze Peugeot een vrouw als bestuurder zitten en hoorde van een omstander dat ze niet aanspreekbaar was. Ik zag nog een personenauto, een BMW. Ik zag ook dat de BMW volledig in elkaar zat en alle airbags eruit waren. Ik vroeg aan een omstander of er in de BMW ook nog personen zaten, ik hoorde de man zeggen: “nee, die zijn eruit gegaan en weggerend.”

8. Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring omtrent het slachtoffer [slachtoffer 2] (opgenomen als bijlage op pagina 182 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), inhoudende de verklaring van artsen Van Zutphen en Chui:

Uitwendig letsel:

Bloeduitstorting oog

Wondje oor

Bloeduitstorting borst

Wond ter hoogte van bekkenkam

Overige van belang zijnde informatie:

Vijf gebroken ribben

Inwendige bloeding borst en bekkenkam

Beperking in beweeglijkheid rechteroog.

9. Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (opgenomen als bijlage op pagina 190 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] :

Ik heb vandaag contact gezocht met de neef van het slachtoffer van de letsel aanrijding op 1 februari 2020 te Oosterhout. Ik hoorde hem zeggen dat slachtoffer blijvend oogletsel heeft omdat de oogzenuw beschadigd is.

10. Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (opgenomen als bijlage op pagina 269 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] :

Ik hoorde [achternaam verdachte] zeggen: "ik wil alles verklaren, ik heb gereden."

Verdachte: [verdachte] [achternaam verdachte] , geboren op [geboortedag verdachte] 1987 te [geboorteplaats verdachte] .

11. De verklaring van verdachte, afgelegd bij het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, op 13 augustus 2020;

U houdt mij het dossier voor met betrekking tot de aanrijding in Oosterhout met het slachtoffer [slachtoffer 2] . Ik reed als bestuurder in de BMW. U vraagt mij wat ik heb gedaan nadat de aanrijding had plaatsgevonden. Ik ben in paniek gevlucht. Ik zag mensen uitstappen en naar de auto van het slachtoffer lopen. Ik zag geen beweging vanuit die auto. Ik ben daarvan geschrokken en weggerend.

Ik droeg een blauwe pet.

Ten aanzien van feit 4:

1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, op 13 augustus 2020;

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapportage van Eurofins omtrent onderzoek naar alcohol en drugs in het verkeer bij verdachte (opgenomen als bijlage op pagina 346-351 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, inhoudende de verklaring van dr. Apr. Kristof Maudens.

Ten aanzien van feit 5:

1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, op 13 augustus 2020;

2. Het ambtsedig proces-verbaal van misdrijf (opgenomen als bijlage op pagina 360- 363 van het proces-verbaal genummerd PL2000-2020028086), van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 9] .