Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3956

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1480
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dividendbelasting / internationaal, dividendbelastingzaken, vergelijkbaarheid met in Nederland gevestigde pensioenfondsen die zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting

Belanghebbende is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap. Zij is als verzekeringsmaatschappij geregistreerd en belegt vrijwel uitsluitend voor institutionele pensioenverzekeraars.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij vergelijkbaar is met een Nederlands pensioenlichaam. De activiteiten van belanghebbende betreffen geen pensioenverzekering. Belanghebbende belegt slechts pensioengeld voor pensioenverzekeraars. Als belanghebbende in Nederland was gevestigd, dan was zij aan de heffing van vennootschapsbelasting onderworpen. Geen recht op teruggaaf van dividendbelasting.

Wetsverwijzingen
Wet op de dividendbelasting 1965 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-10-2020
FutD 2020-3027
V-N Vandaag 2020/2494
NTFR 2020/3346 met annotatie van
NLF 2020/2306 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/1480 tot en met 19/1487

uitspraak van 24 augustus 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] (Verenigd Koninkrijk),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende en [Pensions] te [plaats] (hierna: Pensions) hebben verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ingediend. Pensions is als gevolg van een juridische fusie met belanghebbende per 1 januari 2012 opgegaan in belanghebbende. Met inbegrip van de door Pensions gedane verzoeken gaat het om de volgende verzoeken en bedragen:

- het jaar 2003 tot een bedrag van € 3.702.706;

- het jaar 2004 tot een bedrag van € 3.630.806;

- het jaar 2005 tot een bedrag van € 7.599.112;

- het jaar 2006 tot een bedrag van € 8.105.274;

- het jaar 2007 tot een bedrag van € 9.929.712;

- het jaar 2008 tot een bedrag van € 9.749.321;

- het jaar 2009 tot een bedrag van € 9.344.240;

- het jaar 2010 tot een bedrag van € 1.981.370.

1.2.

De inspecteur heeft de in 1.1 bedoelde verzoeken afgewezen.

1.3.

De inspecteur is bij in één brief vervatte uitspraken op bezwaar van 13 februari 2019 niet tegemoetgekomen aan de bezwaren tegen de afwijzingen.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 26 maart 2019, door de rechtbank ontvangen op 27 maart 2019, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 345.

1.5.

Belanghebbende heeft het beroep nader gemotiveerd bij brief van 6 mei 2019.

1.6.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een 10-dagenstuk ingediend. Beide partijen hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling een pleitnota toegestuurd.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020 te Breda. Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

1.9.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd bij brieven van 27 juli 2020.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap. De enige aandeelhouder van belanghebbende is een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde, beursgenoteerde, vennootschap. Het gestorte kapitaal van belanghebbende bedraagt £ 1.300.000.

2.2.

Belanghebbende is in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd als verzekeringsmaatschappij. Zij sluit – vrijwel uitsluitend met grote in het Verenigd Koninkrijk gevestigde institutionele pensioenverzekeraars – overeenkomsten die worden aangeduid als ‘unit-linked polissen’. De inleggelden die belanghebbende op deze polissen ontvangt worden door haar, volledig voor rekening en risico van de polishouders, belegd in aandelen. Bij de bepaling van de aard van de beleggingen wordt rekening gehouden met de vooraf met de polishouders afgesproken risico-profielen. Belanghebbende brengt de beleggingen in haar administratie onder in afzonderlijk geadministreerde unit-linkedfondsen.

2.3.

Belanghebbende besteedt de feitelijke beleggingswerkzaamheden uit aan een zogenoemde custodian die daarvoor een fee ontvangt. Ook belanghebbende ontvangt voor haar management- en beheerswerkzaamheden een fee. Polishouders kunnen, behoudens de vaststelling van het risico-profiel, de daadwerkelijke beleggingen niet beïnvloeden. Zij hebben slechts het economische belang bij de aandelen waarin de ‘units’ zijn belegd. De fee van de custodian en die van belanghebbende komen rechtstreeks ten laste van de opbrengsten van de aandelen.

2.4.

Tot de bezittingen van belanghebbende en Pensions behoorden in de onderhavige jaren aandelen in in Nederland gevestigde vennootschappen. Op de dividenden die door deze vennootschappen zijn uitgekeerd is – per saldo – 15 percent Nederlandse dividendbelasting ingehouden.

2.5.

Volgens haar jaarrapporten behaalde belanghebbende over de jaren 2003 tot en met 2010 een winst van respectievelijk £ 20.620.000, £ 20.419.000, £ 24.892.000, £ 36.180.000, £ 30.243.000, £ 21.178.000, £ 15.280.000 en £ 18.254.000. Over die jaren keerde belanghebbende een dividend uit aan haar aandeelhoudster van respectievelijk 15, 20, 10, 20, 30, 30 en 43,3 miljoen pond. Over 2010 werd geen dividend uitgekeerd.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de in 2.4 bedoelde Nederlandse dividendbelasting.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en teruggaaf van dividendbelasting tot de in 1.1 genoemde bedragen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB) wordt, samengevat en voor zover van belang, aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, teruggaaf verleend van te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, tenzij de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is met betrekking tot de opbrengsten waarop de dividendbelasting is ingehouden. Met ingang van 1 januari 2007 is in artikel 10 van de Wet DB geregeld dat, voor zover van belang, de teruggaveregeling van het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op een lichaam dat in een andere lidstaat van de EU is gevestigd en aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.

4.2.

In Nederland gevestigde pensioenlichamen die voldoen aan de in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) gestelde voorwaarden zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Aan hen wordt, als zij aan de overigens gestelde voorwaarde voldoen, teruggaaf verleend van dividendbelasting op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet DB.

Belanghebbende beroept zich erop dat zij alsook Pensions met een Nederlands pensioenlichaam vergelijkbaar is. Voor de periode tot 1 januari 2007 beroept belanghebbende zich erop dat het unierecht meebrengt dat recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting die ten laste van haar en Pensions is ingehouden. Voor de periode na 1 januari 2007 stelt belanghebbende dat recht bestaat op teruggaaf op grond van de in 4.1 vermelde regeling voor, kort gezegd, EU-lichamen, zo nodig in combinatie met het unierecht.

De inspecteur stelt dat belanghebbende en Pensions niet zijn aan te merken als opbrengstgerechtigde van de dividenden waarover de dividendbelasting is geheven waarop de teruggaafverzoeken betrekking hebben. Zo dat wel het geval is, stelt de inspecteur dat belanghebbende en Pensions niet zijn aan te merken als uiteindelijk gerechtigde van die dividenden. De inspecteur betwist verder dat belanghebbende en Pensions vergelijkbaar zijn met een in Nederland voor de winstbelasting vrijgesteld pensioenlichaam. Belanghebbende is naar de mening van de inspecteur een commerciële partij die vermogen belegt voor derden.

4.3.

De rechtbank ziet aanleiding om eerst in te gaan op de vraag of belanghebbende of Pensions vergelijkbaar is met een Nederlands pensioenlichaam. Op belanghebbende rust ter zake de bewijslast.

4.4.

Artikel 5 van de Wet Vpb luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur onder daarbij te stellen voorwaarden van de belasting vrij te stellen:

a. (…)

b. lichamen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding, behoudens voor zover zij voordelen behalen uit bij algemene maatregel van bestuur aangewezen werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van bedoelde regelingen.”

4.5.

Artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 luidt:

“Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel b. van de wet omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met het in voormelde onderdeel b aangegeven doel en bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang.”

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet de feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat zij vergelijkbaar is met een Nederlands pensioenlichaam. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.7.

Hoewel belanghebbende formeel als verzekeraar is geregistreerd, kan zij met betrekking tot haar activiteiten die in dit geding van belang zijn niet als verzekeraar van pensioenen worden aangemerkt. Uit de door haar overgelegde documentatie en het daarover ter zitting verklaarde volgt dat polishouders alleen in het Verenigd Koninkrijk gevestigde pensioenfondsen mogen zijn. Belanghebbende werkt vrijwel uitsluitend met Britse pensioenfondsen. Belanghebbende ontvangt van deze institutionele pensioenlichamen bedragen ter belegging, voor rekening en risico van die pensioenlichamen. Zij ontvangt voor haar werkzaamheden een fee. Die fee behoort tot haar winst en is, na aftrek van haar eigen kosten, beschikbaar voor uitdeling van dividend aan haar aandeelhouders. Van het verzekeren van bedragen of uitkeringen bij invaliditeit of voor de verzorging van de oude dag van (gewezen) werknemers of hun nagelaten betrekkingen, die afhankelijk zijn van een wezenlijk onzekere gebeurtenis, is geen sprake. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat, zodra voldaan wordt aan de voorwaarden waaronder een recht op pensioen voor de werknemer of zijn nagelaten betrekkingen ontstaat, de gerechtigden zich wenden tot hun eigen pensioenlichaam. Dat lichaam ontvangt dan van belanghebbende de daarmee corresponderende waarde van de unit-linkedpolis. Dat de eindwaarde van de unit-linkedpolissen onzeker is maakt niet dat sprake is van verzekeren door belanghebbende. Dat in een spaarzaam geval (belanghebbende spreekt van één percent) ook individuele particulieren bij belanghebbende een unit-linkedpolis afsluiten ter verzekering van een inkomen bij ouderdom of invaliditeit, doet aan het vorenstaande niet af. Het voorgaande komt er in de kern op neer dat belanghebbende zelf geen pensioenlichaam is, maar beleggingsdiensten verricht voor pensioenlichamen.

4.8.

Belanghebbende is derhalve niet een lichaam dat zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stelt de verzorging van werknemers en gewezen werknemers of hun nagelaten betrekkingen, bij invaliditeit en ouderdom. Ware zij in Nederland gevestigd geweest dan zou zij met betrekking tot de hier aan de orde zijnde activiteiten aan de heffing van de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Zij zou dan geen recht hebben op teruggaaf van dividendbelasting. Dit geldt ook voor Pensions, aangezien voor Pensions geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld.

4.9.

Reeds op het voorgaande stuit de aanspraak op teruggaaf op basis van de vergelijking met een Nederlands pensioenlichaam af. Voor dat geval is verder niet in geschil dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat zij niet langer op andere gronden aanspraak maakt op teruggaaf van dividendbelasting.

4.10.

De beroepen moeten ongegrond worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 24 augustus 2020 door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. M.R.T. Pauwels. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.