Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3951

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
26-02-2021
Zaaknummer
AWB- 19 _ 5254
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WMO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5254 WMO15

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser/verzoeker], te Tilburg, eiser/verzoeker

gemachtigde: mr. A. van 't Laar,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 10 april 2019 (primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek tot nihilstelling van zijn eigen bijdrage voor ‘Hulp aan Huis’ en tot restitutie van de reeds betaalde bijdragen in 2019 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij brief van 14 oktober 2019, door de rechtbank ontvangen op 15 oktober 2019, heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar.

In het besluit van 22 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Bij besluit van 25 oktober 2019 is aan eiser een bedrag van € 1.442,- toegekend voor verbeurde dwangsommen in verband met het te laat nemen van een beslissing op het bezwaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is door een enkelvoudige kamer besproken op de zitting van de rechtbank op 6 maart 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder waren aanwezig mr. C.G. Smout en [aanwezige1] en [aanwezige2].

Na de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de zaak voor afdoening verwezen naar een meervoudige kamer.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak in totaal met 24 weken verlengd.

Overwegingen

1. Aan eiser was een voorziening toegekend in de vorm van hulp bij het huishouden. Bij besluit van 30 december 2013 is deze voorziening per 2 maart 2014 op verzoek van eiser beëindigd en vervangen door de voorziening ‘Hulp aan Huis’.

Voor deze voorziening heeft eiser maandelijks een eigen bijdrage betaald.

Bij brief van 8 maart 2019 heeft eiser het college verzocht de eigen bijdrage die hij betaalt voor zijn huishoudelijke ondersteuning op nihil te stellen en de door hem in 2019 betaalde eigen bijdragen te restitueren. Volgens eiser is de voorziening ‘Hulp aan Huis’ geen algemene voorziening maar een maatwerkvoorziening en was er daarom geen rechtsgrond om een eigen bijdrage te innen.

Bij het primaire besluit is het verzoek afgewezen. De voorziening waar eiser gebruik van maakt, ‘Hulp aan Huis’, betreft een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 1.1.1., eerste lid, van de Wmo 2015. De gemeente kan voor het gebruik van een algemene voorziening een vergoeding vragen, indien dit is vastgelegd in de Verordening. De eigen bijdrage is vastgelegd in artikel 6.2 van de Verordening en wordt door 18k, aanbieder van de voorziening, geïnd namens de gemeente. Dit betekent dat de eigen bijdrage conform de regels is opgelegd.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Op 30 juli 2019 vond de bezwaarhoorzitting plaats.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het college is ‘Hulp aan Huis’ terecht gekwalificeerd als een algemene voorziening, zodat daarvoor terecht aan eiser een eigen bijdrage is opgelegd. De door eiser aangehaalde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn niet één op één op zijn situatie van toepassing, omdat in de Tilburgse Verordening wél voorschriften zijn opgenomen omtrent het verlenen van Hulp aan Huis en omdat zijn financiële situatie wel voldoende is beoordeeld. Anders dan in de aangehaalde uitspraak, hoeft eiser niet zelf afspraken te maken met 18k, zodat zij een alfahulp kunnen sturen. Dit verschilt niet met het gebruik van Zorg in Natura. Niet de alfahulp, maar 18k dient als aanbieder aangemerkt te worden.

2.1

Eiser voert aan dat de restitutie en nihilstelling van de eigen bijdrage voor de voorziening ‘Hulp aan Huis’ ten onrechte is afgewezen. De hem toegekende voorziening voor ‘Hulp aan Huis’ kan niet worden beschouwd als een algemene voorziening in de zin van de Wmo 2015 en moet worden gekenschetst als een maatwerkvoorziening, waarbij eiser zelf contracteert met de alfahulp en afspraken maakt over de hoeveelheid en de aard van de te verrichten werkzaamheden. Op grond van de artikelen 2.1 en 2.2 van het Besluit MO Tilburg 2019 is de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening gelijk aan de totale kostprijs tot ten hoogste € 17.50 per vier weken. Op grond van artikel 2.4 van dit Besluit wordt de eigen bijdrage niet opgelegd voor de maatwerkvoorziening ‘Hulp aan Huis’. Er is op grond van de gemeentelijke regelgeving geen rechtsgrond om een eigen bijdrage, te innen via het CAK, te vragen voor de maatwerkvoorziening ‘Hulp aan Huis’. Eiser verwijst naar de uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2018:6654. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd, omdat niet is ingegaan op het door eiser ingestelde aanvullende bezwaar van 15 juli 2019, waarbij hij heeft verzocht om alle eigen bijdragen die hij in de loop der tijd heeft betaald voor ‘Hulp aan Huis’ te restitueren. Eiser verzoekt de rechtbank te bepalen dat het bestreden besluit wordt vernietigd, het primaire besluit wordt herroepen en te bepalen dat de eigen bijdragen die zijn betaald vanaf 1 januari 2015 worden gerestitueerd, inclusief de wettelijke rente. Eiser heeft in zijn beroep verwezen naar twee uitspraken van de CRvB, te weten

ECLI:NL:CRVB:2016:1404 en ECLI:NL:CRVB:2018:3139.

2.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Wmo voorziening ‘Hulp aan Huis’ wel degelijk een algemene voorziening is; dat eisers stelling dat hij zelf op de particuliere markt een alfahulp moet werven niet juist is omdat het 18k is die een alfahulp naar eiser stuurt; dat de betiteling van eiser als ‘werkgever’ (omdat hij aanwijzingen geeft aan de alfahulp met betrekking tot de uit te voeren huishoudelijke werkzaamheden) niet inhoudt dat hij feitelijk een werkgever is; dat de Wmo voorziening ‘Hulp aan Huis’ niet in strijd is met de Wmo 2015; en dat het feit dat ‘Hulp aan Huis’ in 2020 niet meer wordt aangeboden slechts om budgettaire redenen is gebeurd.

3.1

Ter zitting is met partijen besproken hoe het verzoek tot restitutie en nihilstelling en daarmee het beroep moet worden opgevat: betreft het een verzoek tot schadevergoeding? Of wil eiser dat er teruggekomen wordt op (de) beslissing(en) waarbij eigen bijdragen zijn opgelegd (een herzieningsverzoek)?

3.2

Op die vraag heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat er geen besluiten zijn waarbij aan eiser eigen bijdragen zijn opgelegd. Er ligt alleen het toekenningsbesluit van 30 december 2013 en daarin is geen eigen bijdrage opgelegd. Maar de eigen bijdragen zijn vanaf de datum van toekenning van ‘Hulp aan Huis’ wel geïnd en dus betaald door eiser, terwijl daar zijns inziens achteraf bezien geen rechtsgrond voor was. Volgens de gemachtigde van eiser betreft het innen van de eigen bijdrage (onrechtmatige) uitvoeringshandelingen die gebaseerd zijn op het besluit van 30 december 2013. Het beroep kan zijns inziens daarmee worden aangemerkt als een verzoek tot schadevergoeding, waarbij eiser verzoekt dat verweerder wordt veroordeeld tot restitutie van de eigen bijdragen die zijn betaald vanaf 1 januari 2015, inclusief de wettelijke rente.

3.3

Het beroep zal daarom aangemerkt worden als een schadeverzoek op grond van titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Verzoek tot schadevergoeding

4.1

Per 1 juli 2013 is titel 8.4 van de Awb ingevoerd, inhoudende een verzoekschriftprocedure die het mogelijk maakt om aan de bestuursrechter een verzoek tot schadevergoeding te doen. Deze procedure is in de plaats gekomen van de in de rechtspraak ontwikkelde mogelijkheid om op te komen tegen een zelfstandig schadebesluit en de schadeprocedure van artikel 8:73 en 8:73a van de Awb.

4.2

De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en - voor zover hier relevant - onder a en b, van de Awb, bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.

4.3

Van een onrechtmatig schadeveroorzakend besluit kan sprake zijn als schade is veroorzaakt door een door de rechter vernietigd besluit, door een in bezwaar of beroep herroepen besluit, waarbij het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de belangen van de benadeelde tegemoet is gekomen, dan wel door een (primair) besluit waarvan de onrechtmatigheid door het bestuursorgaan is erkend (zie de Memorie van Toelichting bij de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 621, nr. 3, p. 44). Volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de CRvB van 28 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5052) moet voor de beantwoording van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en komen voorts alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking, die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

4.4

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat zijn schade voortvloeit uit het onrechtmatige besluit van 30 december 2013. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit van 30 december 2013 geen onrechtmatig schadeveroorzakend besluit als hiervoor bedoeld. Ten eerste is bij dat besluit geen verplichting tot betaling van een eigen bijdrage opgelegd. Voor zover die verplichting wel zou voortvloeien uit dat besluit, is van belang dat eiser geen rechtsmiddelen tegen dat besluit heeft aangewend. Daardoor heeft dat besluit formele rechtskracht gekregen en moet het zowel wat de wijze van tot stand komen als wat inhoud betreft voor rechtmatig worden gehouden. De enige manier om het college te bewegen terug te komen op dat besluit is via een herzieningsverzoek op grond van artikel 4:6 van de Awb. Niet in geschil is dat verzoeker van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. In het verzoek van 8 maart 2019 wordt het besluit van 30 december 2013 niet genoemd. In dit verzoek of later in de procedure vraagt de gemachtigde van verzoeker ook niet om (voor het verleden en de toekomst) terug te komen op het besluit van 30 december 2013. Pas op zitting wordt in het kader van verzochte schadevergoeding gevraagd om vast te stellen dat dit besluit onrechtmatig is. Het college kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij niet heeft getoetst aan artikel 4:6 van de Awb.

5. Op grond van het voorgaande is geen sprake van een onrechtmatig schadeveroorzakend besluit, zodat geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Awb het college te veroordelen tot vergoeding van schade. Voor zover verzoeker bedoelt dat het schadeveroorzakend handelen ligt in het innen van de eigen bijdrage is dit handelen niet te herleiden tot een bevoegdheidsgrondslag als bedoeld in voornoemd artikel. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. V.M. Schotanus, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 21 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.