Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3948

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
26-02-2021
Zaaknummer
AWB- 19 _ 6053
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6053 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 22 november 2019 beroep ingesteld tegen het besluit van 14 november 2019 (bestreden besluit) van het UWV over de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen de besluiten van 14 januari 2019 en 23 januari 2019 tot intrekking en terugvordering van bijstand op grond van de Participatiewet.

Het beroep is behandeld op de telehoor-zitting van de rechtbank op 30 juli 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser en [vertegenwoordiger college] namens het college.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 14 januari 2019 (primair besluit I) heeft het college eisers recht op een bijstandsuitkering herzien en de bijstand met ingang van 2 december 2018 ingetrokken.

Bij besluit van 23 januari 2019 (primair besluit II) heeft het college de teveel verstrekte bijstand over de maanden januari tot en met mei, augustus, september en november 2018 van eiser teruggevorderd. Het bedrag van de terugvordering bedraagt na verrekening met de vakantietoeslag € 2.190,08.

Bij brief van 7 oktober 2019, ontvangen op 15 oktober 2019, heeft eiser een bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.

Bij bestreden besluit van 14 november 2019 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard vanwege een onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

2. In beroep voert eiser aan dat hij vanaf 2 december 2018 in detentie zit en de besluiten niet heeft ontvangen. Eiser geeft aan dat het college vanaf 14 december 2018 al op hoogte was van zijn detentie.

3. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft, ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Ter beoordeling ligt de vraag voor of het college het bezwaar van eiser op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Niet in geschil is dat de primaire besluiten zijn gedagtekend 14 januari 2019 en 23 januari 2019 en dat deze zijn verzonden naar het uitkeringsadres en dat eiser op dit adres in de Basisregistratie Personen (Brp) stond geregistreerd.

Eveneens is tussen partijen niet in geschil dat eiser ten tijde van de primaire besluiten niet langer feitelijk verbleef op het uitkeringsadres, maar vanaf 2 december 2018 verbleef in de penitentiaire inrichting te [plaatsnaam inrichting].

Ook is niet in geschil dat eiser het bezwaar tegen de besluiten van 14 januari 2019 en 23 januari 2019 na afloop van de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken heeft ingediend. In geschil is of die termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Uit artikel 2.39 van de Brp volgt dat een gedetineerde in beginsel zelf zorg dient te dragen voor registratie van diens woonadres in de Brp. Het hoofd van de PI dient, ondanks de hiervoor omschreven eigen verantwoordelijkheid van de gedetineerde, conform artikel 2.40, vijfde lid, van de Brp aan een gedetineerde tijdig schriftelijk mededeling te doen van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.

Eiser heeft in beroep gesteld dat hij toentertijd aan zijn casemanager in de PI heeft verzocht om de adreswijziging door te (laten) voeren in de Brp.

Gelet op het feit dat eiser ten tijde van de verzending van de besluiten van 14 januari 2019 en 23 januari 2019 in de Brp nog op het uitkeringsadres geregistreerd stond, kan worden vastgesteld dat zowel eiser als de PI toen geen aangifte van adreswijziging hadden gedaan, waardoor de besluiten van 14 januari 2019 en 23 januari 2019 niet naar het detentieadres van eiser zijn verzonden. De omstandigheid dat het college ten tijde van de verzending van de primaire besluiten er wel mee bekend was dat eiser in detentie verbleef, is onvoldoende om te oordelen dat daardoor de besluiten niet op de juiste wijze zijn bekendgemaakt (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1966).

Het niet tijdig (laten) wijzigen van de gegevens in de Brp kan niet aan het college worden tegengeworpen en maakt de termijnoverschrijding door eiser niet verschoonbaar. De rechtbank begrijpt dat dit ‘zuur’ is voor eiser, maar de primaire verantwoordelijkheid voor de juiste inschrijving in de Brp rust op eiser zelf.

5. De rechtbank is van oordeel dat het college de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 14 januari 2109 en 23 januari 2019 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van eiser zal dan ook ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier. De beslissing is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.