Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3947

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
AWB- 20 _ 7117
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7117 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. M.M. Breukers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college inzake zijn verzoek om handhaving.

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de gedingstukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en

omstandigheden.

Eiser is woonachtig boven de [naam supermarkt] ( [straatnaam supermarkt] te [plaatsnaam] ). Hij heeft bij brief van 2 februari 2020 het college verzocht om handhaving van de milieuwetgeving en op te treden tegen overtredingen van het geluidsvoorschrift uit het Activiteitenbesluit door de [naam supermarkt] .

Het college heeft bij brief van 26 maart 2020 de beslistermijn met acht weken verdaagd, onder meer in verband met het verrichten van onderzoek.

Eiser heeft het college bij brief van 27 mei 2020 in gebreke gesteld en verzocht alsnog binnen twee weken een besluit te nemen.

Bij brief van 19 juni 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn handhavingsverzoek.

Het college heeft bij brief van 8 juli 2020 een verweerschrift ingediend. Het college geeft aan dat een specialistisch akoestisch bureau is gevraagd geluidsonderzoek te doen. Eiser is telefonisch op 15 juni 2020 medegedeeld dat de beslistermijn op het handhavingsverzoek hierdoor niet wordt gehaald en is verzocht mee te werken aan het geluidsonderzoek. Op 3 juli 2020 is een offerte van het akoestisch bureau ontvangen en dit bureau kan op korte termijn metingen uitvoeren. Bij brief van 2 juli 2020 is aan eiser aangegeven dat binnen een week een afspraak zal worden gemaakt voor de metingen en binnen drie weken na meting de rapportage verwacht wordt. Daarna zal het college een besluit nemen op het handhavingsverzoek.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

3. Het bestuursorgaan moet in dit geval binnen een redelijke termijn beslissen en die is in ieder geval verstreken als er acht weken na het indienen van de aanvraag zijn verstreken (artikel 4:13, eerste en tweede lid, van de Awb). Eisers verzoek om handhaving is bij het college op 4 februari 2020 ontvangen. Het college heeft de beslistermijn met acht weken verdaagd (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Daaruit volgt dat het college uiterlijk op 26 mei 2020 had moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is

overschreden. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser het college bij brief van 27 mei 2020 in gebreke heeft gesteld. Sindsdien zijn (meer dan) twee weken verstreken. De mededeling van het college dat de beslistermijn niet kan worden gehaald, omdat het onderzoek naar de geluidsoverlast nog lopende is, heeft plaatsgevonden nadat de beslistermijn was verstreken. Het onderzoek is ook pas opgestart na het verstrijken van die termijn. Daarbij komt dat het meewerken aan een onderzoek niet betekent dat eiser heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn. Niet gebleken is dat het college inmiddels een besluit heeft genomen op het handhavingsverzoek.

Het beroep is kennelijk gegrond.

4. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

Niet gebleken is dat het college de hoogte van de dwangsom heeft vastgesteld. De rechtbank zal daarom de verbeurte en de hoogte van de dwangsom vaststellen. De ingebrekestelling heeft een dagtekening 27 mei 2020. Het college heeft niet aangegeven wanneer de ingebrekestelling is ontvangen. De rechtbank gaat ervan uit dat de ingebrekestelling de dag na dagtekening bij het college is ontvangen. Vanaf de 15e dag na ontvangst van de ingebrekestelling is een dwangsom verschuldigd. Het college heeft nog altijd niet beslist op eisers verzoek om handhaving. De dwangsom is volledig volgelopen en bedraagt € 1.442,-.

5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Gelet op het tijdverloop na het opstarten van het onderzoek, ziet de rechtbank geen aanleiding om de beslistermijn op een langere termijn dan binnen twee weken na verzending van deze uitspraak te bepalen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat het college een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit op het

handhavingsverzoek;

- stelt de door het college verbeurde dwangsom vast op € 1442,-;

- draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak

alsnog een besluit op het handhavingsverzoek bekend te maken;

- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag

waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 24 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.