Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3916

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
02-185720-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW. Spookrijden onder invloed van alcohol op de A58. Ongeval met licht letsel.

Weigering ademanalyse en bloedonderzoek.

Vijf maanden gevangenisstraf en 2 jr. OBM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/185720-18

vonnis van de meervoudige kamer van 18 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats]

wonende te ( [adres]

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 augustus 2020. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie, mr. E. Verhoeven-Ivankovic, heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

Feit 1: een verkeersongeval heeft veroorzaakt door op de A58 te spookrijden terwijl hij onder invloed van alcohol was, waardoor de inzittende van een hem tegemoetkomende auto zwaar gewond is geraakt, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt;

Feit 2: niet heeft voldaan aan de verplichting mee te werken aan een ademanalyse, terwijl hij werd verdacht van rijden onder invloed van alcohol;

Feit 3: niet heeft voldaan aan de verplichting mee te werken aan een bloedonderzoek, terwijl hij werd verdacht van rijden onder invloed van alcohol.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte is onder invloed van alcohol tegen de rijrichting van het verkeer in de snelweg A58 opgereden, waarna hij op een hem tegemoetkomende personenauto is gebotst, waardoor de bestuurster van die personenauto een whiplash heeft opgelopen. Dit betreft naar zijn aard zwaar lichamelijk letsel. Hoewel verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een ademanalyse en een bloedonderzoek, blijkt uit het voorlopig ademonderzoek en de verklaring van verdachte dat hij ten tijde van het ongeval onder sterke invloed van alcohol verkeerde. Het rijgedrag van verdachte dient daarom als zeer onvoorzichtig en onoplettend te worden gekwalificeerd.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

4.2.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.2.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 primair

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 6 augustus 2017 omstreeks 03.30 uur op de snelweg A58 te Breda een ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij sprake was van een frontale botsing tussen een bestelauto van het merk Peugeot (type partner, kenteken [kenteken 1] ) en een personenauto van het merk Chrysler. Verdachte was de bestuurder van de Peugeot en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) was de bestuurder van de Chrysler. [slachtoffer] heeft door het ongeval onder andere een gebroken rib en verschillende kneuzingen over haar hele lichaam opgelopen. De vraag waarvoor de rechtbank zich allereerst gesteld ziet, is of verdachte schuld had aan dit verkeersongeval en zo ja, in welke mate. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Algemeen kader

Voor een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Ook dient te worden vastgesteld dat door dat ongeval een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Het gedrag van de verdachte dient daarvoor te worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Daarnaast dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

In deze zaak

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 6 augustus 2017 rond 3.30 uur de A58 is opgereden tegen de rijrichting in en daar is blijven spookrijden tot de botsing met de auto van [slachtoffer] plaatsvond. Spookrijden is in beginsel aan te merken als zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Van een of meer redenen waarom dat in deze zaak niet zo zou zijn, is niet gebleken. Integendeel, verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 5 op 6 augustus 2017 een fles cognac heeft gedronken. Iets meer dan een uur en nog een glas brandy later, heeft hij stomdronken zijn auto gepakt en is daarmee gaan (spook)rijden met de aanrijding met [slachtoffer] als gevolg. Het verbaast de rechtbank dan ook niet dat verdachte zelf zich eigenlijk niets kan herinneren van de toedracht van het ongeval. Hij heeft echter wel schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW.

Een objectieve vaststelling van het alcoholgehalte bij verdachte door een voltooide ademanalyse of een bloedonderzoek heeft door zijn weigeringen niet kunnen plaatsvinden. Op grond van de eigen verklaring van verdachte en de uitslag van het voorlopig ademonderzoek acht de rechtbank echter ook de strafverzwarende omstandigheid bewezen dat verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, WVW. Verdachte verkeerde in zodanige mate onder invloed van alcohol verkeerde dat hij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat hij niet tot behoorlijk besturen van zijn auto in staat was.

Vervolgens is de vraag aan de orde hoe het door [slachtoffer] opgelopen letsel moet worden aangemerkt.

Letsel

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [slachtoffer] door de aanrijding een whiplash heeft opgelopen. Objectieve medische informatie van een terzake deskundige arts daarvoor ontbreekt. De gebroken rib en kneuzingen over haar hele lichaam leveren, op zichzelf gezien, geen zwaar lichamelijk letsel op. Gelet op de brief van fysiotherapeute Konings van 17 januari 2018 kan wel worden vastgesteld dat [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen, dat daaruit voor haar tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan in de zin van artikel 6 WVW.

Oordeel
Gelet op wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4 weergegeven.

Feit 2

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie op 6 augustus 2017;

- het proces-verbaal rijden onder invloed, pagina 83 tot en met 84 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2017188507 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant;

- het proces-verbaal (in)vordering rijbewijs, pagina 85 tot en met 86 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2017188507 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant.

Feit 3

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 3 een bekennende verklaring heeft afgelegd, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie op 6 augustus 2017;

- het proces-verbaal rijden onder invloed, pagina 83 tot en met 84 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2017188507 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant;;

- het proces-verbaal (in)vordering rijbewijs, pagina 85 tot en met 86 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2017188507 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1

hij op 6 augustus 2017 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (merk Peugeot, type Partner, kenteken [kenteken 1] ), daarmede rijdende over de weg, de A58, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend

spookrijdend (tegen de rijrichting in) via een afslag de snelweg A58 op te rijden, waardoor het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig in aanrijding/botsing is gekomen met een hem tegemoetkomend motorrijtuig, dat werd bestuurd door [slachtoffer] , waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

2

hij op 6 augustus 2017 te Breda als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (merk Peugeot, type Partner, kenteken [kenteken 1] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

3

hij op 6 augustus 2017 te Breda als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (merk Peugeot Type partner, kenteken [kenteken 1] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en zijn door een opsporingsambtenaar bevolen medewerking aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet had geleid tot een voltooid ademonderzoek, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Tevens vordert zij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren. Zij baseert haar eis op de geldende richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Zij houdt daarbij rekening met de aard en ernst van het feit en het letsel van het slachtoffer alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is in de vroege ochtend van 6 augustus 2017 stomdronken gaan spookrijden op de A58 en vervolgens tegen de voorzijde van de auto van [slachtoffer] gereden, die net terug kwam van haar werk. Uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat [slachtoffer] dacht dat haar laatste uur had geslagen en nog elke dag met de gevolgen van het ongeval kampt.

Verdachte heeft na het ongeval geweigerd mee te werken aan een ademanalyse en bloedonderzoek. Hij heeft verklaard dat als hij dronken is dat hij dan een moeilijk mens is en alles weigert.

Een ieder weet dat het niet is toegestaan om kort na het nuttigen van een fles cognac en een glas Brandy een auto te besturen en tot welke ernstige gevolgen het kan leiden als je dat wel doet. Verdachte heeft zich hier echter niets van aangetrokken en zich er blijkbaar ook niet om bekommerd dat hij daarmee andere mensen in gevaar kon brengen, zoals daadwerkelijk is gebeurd. Nuchter nadenken was voor verdachte letterlijk niet meer mogelijk.

De rechtbank neemt het verdachte in dit verband bijzonder kwalijk dat hij ook achteraf op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Gebleken is dat hij na het ongeval geen enkel contact met [slachtoffer] heeft opgenomen en verdachte is ook niet op zitting verschenen.

De rechtbank sluit bij het bepalen van de hoogte van de straf aan bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor feit 1: overtreding van artikel 6 WVW. Bij een zeer hoge mate van schuld met lichamelijk letsel voor een slachtoffer, waarbij is gereden onder invloed van een hoeveelheid alcohol van minder

570 µg/l, is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren. Gelet op de aard en de ernst van de drie bewezen verklaarde feiten, acht de rechtbank dit in beginsel een passende straf. Net als feit 1 zijn ook de feiten 2 en 3 een rechtstreeks gevolg van de dronkenschap van verdachte en daarom geen aanleiding om een hogere straf op te leggen.

De rechtbank houdt verder rekening met het feit dat er tussen de dag van het ongeval en de dag van de inhoudelijke behandeling bijna drie jaar is verstreken. Nu daardoor sprake is van een schending van de redelijke termijn, zal de rechtbank een korting op de hiervoor genoemde gevangenisstraf toepassen.

Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van twee jaren.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 6, 8, 163, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een
ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en
terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
van deze wet;

Feit 2: Overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Feit 3: Overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijf maanden;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van twee jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. Broeders, voorzitter, mr. Van der Weide en mr. De Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 augustus 2020.

Mr. Broeders en mr. De Brouwer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1

hij op of omstreeks 6 augustus 2017 te Breda, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (merk Peugeot, type partner, kenteken [kenteken 1] ), daarmede rijdende over de weg, (de A58), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

spookrijdend (tegen de rijrichting in) via een afslag de snelweg A58 is opgereden, (mede) waardoor het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig in aanrijding/botsing is gekomen met een hem tegemoetkomend motorrijtuig, dat werd bestuurd door [slachtoffer] ,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten twee gebroken ribben en/of een gekneusd borstbeen en/of een whiplash, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994, art 6 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 augustus 2017 te Breda als bestuurder van een voertuig (merk Peugeot, type Partner, kenteken [kenteken 1] , daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A58, spookrijdend (tegen de rijrichting in) via een afslag de snelweg A58 is opgereden, (mede) waardoor het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig in aanrijding/botsing is gekomen met een hem tegemoetkomend motorrijtuig, dat werd bestuurd door [slachtoffer] ,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

2

hij op of omstreeks 6 augustus 2017 te Breda, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (merk Peugeot, type Partner, kenteken [kenteken 1] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

( art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 )

3

hij op of omstreeks 6 augustus 2017 te Breda, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig(merk Peugeot Type partner, kenteken [kenteken 1] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en zijn door een opsporingsambtenaar bevolen medewerking aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet had geleid tot een voltooid ademonderzoek, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat

bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

( art 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994 )

Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2017188507 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Baronie, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 89.

1.1

Het proces-verbaal Aanrijding overtreding, pagina 23 tot en met 26 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Locatie ongeval

Datum : 6 augustus 2017

Omstreeks : 03:30 uur

Locatienaam : A58
Ter hoogte van : Hectometerpaal 73.2 rechter rijbaan

Plaats : Breda

Betrokken partijen/objecten

Betrokken 1 (voertuig)

Voertuig personenauto [kenteken 2] Chrysler Pt cruiser 2.4

Bestuurder
Achternaam : [slachtoffer]

Voornamen : [slachtoffer]

Betrokken 2 (voertuig)

Voertuig bestelauto [kenteken 1] Peugeot Partner (België)
Bestuurder
[verdachte]

1.2

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 40 tot en met 44 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Toedracht

Uit de door mij aangetroffen situatie, de sporen, de eindpositie van de voertuigen en

de schade aan de voertuigen, kan de volgende vermoedelijke toedracht worden

geconcludeerd:

- De bestuurder van de Peugeot heeft oorspronkelijk gereden over rijstrook 2 van de linker rijbaan van Rijksweg A58, komende uit de richting van Breda (oostelijke richting) en gaande in de richting van Roosendaal (westelijke richting)

- De bestuurder van de Chrysler heeft oorspronkelijk gereden over rijstrook 2 van de linker rijbaan van Rijksweg A58, komende uit de richting van Roosendaal (westelijke richting) en gaande in de richting van Breda (oostelijke richting).

- De bestuurder van de Peugeot tussen hectometerpaal Li 73.1 en Li 73.2 ter hoogte van nummerschild 4 met de linkervoorzijde tegen de linkervoorzijde van de Chrysler is gereden.

Oorzaak

Ten aanzien van de door mij onderzochte hypothese mens stelde ik het volgende vast:

- De bestuurder van de Peugeot kwam door voor mij onbekende oorzaak op de voor hem verkeerde rijbaan en reed in de verkeerde richting tegen de rijrichting van het overige verkeer in op de linker rijstrook of onvoldoende rechts en heeft hierdoor gevaar en hinder veroorzaakt voor het verkeer op de weg.

- De bestuurder van de Chrysler in de voor hem juiste richting en op de voor hem juiste rechter rijstrook reed.

Tijdens het gehele onderzoek bleek uit niets, dat een ander dan de in dit

proces-verbaal genoemde betrokken bestuurder van de Peugeot, het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben.

1.3

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 39 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op zondag 6 augustus 2017 omstreeks 04:10 uur was ik verbalisant [verbalisant] ter

plaatse bij een verkeersongeval met letsel op de snelweg A58.

Ik sprak het vrouwelijke slachtoffer in de ambulance aan en vroeg haar naar haar

naam. Ze vertelde mij dat ze [slachtoffer] heette en uit Breda kwam. Ik vroeg haar hoe het ongeval gebeurd was volgens haar. Ik hoorde dat ze tegen mij zei:

‘Ik reed op de autosnelweg A58, vanuit de richting Etten Leur naar Breda. Ineens hoorde ik een klap en realiseerde ik me dat ik frontaal aangereden werd. Ik reed op de juiste rijstrook. Ik snap er niets van hoe die auto op deze snelweg terecht kwam in de verkeerde richting. Hij reed op de verkeerde rijstrook. Hij was een spookrijder.’

1.4

Het geschrift, te weten een specialistenbericht over [slachtoffer] , Datum verzenden 06-08-2017 Tijd: 08:15 (onderdeel van los document Medisch Advies van 28 maart 2018), inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Conclusie en diagnose:

Status na auto-ongeval met fractuur costa 3 (Rechtbank: derde rib) en multipele contusies (Rechtbank: meerdere kneuzingen) .

1.5

Het geschrift, te weten de brief van fysiotherapeute Konings van 17 januari

20018 (onderdeel van los document Medisch Advies van 28 maart 2018),

inhoudende – zakelijk weergegeven -:

Op 5 september 2017 is mevrouw [slachtoffer] bij ons in de praktijk gezien i.v.m.

aanhoudende klachten. Mevrouw was 4 weken eerder frontaal aangereden door een auto met hoge snelheid. Sinds het ongeval ervaarde ze pijnklachten in haar nek wat doortrekt naar haar hoofd en linker arm. De nekklachten zaten aan de rechterzijde en straalden uit naar voorzijde van het hoofd, waardoor mevrouw regelmatig last van hoofdpijnen en migraine had. ze ervaarde ook in haar oor een kloppend gevoel. Hiernaast had ze ook pijn- en stijfheidsklachten midden in haar rug (TWK), in haar flank waar ze ook ribben had gebroken en tussen haar schouderbladen. Ook had ze lage rugklachten met uitstralende pijn naar beide benen. Patiënte gaf de klachten een 9 op de Numeric Rating Scale (NRS).

Door bovengenoemde klachten was ze beperkt in het lezen van ondertiteling, haar

ADL taken als huismoeder, sporten en was ze gestopt met werken in de horeca. Hiernaast had ze moeite met het verdragen van geluid en licht.

Het lichamelijk onderzoek gaf de volgende bevindingen:

- De linker schouder was in alle richtingen beperkt met uitstraling, stram/ stijf en

tintelingen in dermatoom c6 t/m th12.

- Beweegstoornis was op c6 t/m th1 aanwezig. In de gehele arm was er spierzwakte en stijf gevoel ernstig aanwezig.

- Bindweefsel cto/twk erg stug; verminderde oppakbaarheid/verschuifbaarheid.

- Mobiliteit CTO-TWK in ale richtingen beperkt en pijnlijk.

Huidig beeld:

Mevrouw is nog steeds bij mij onder behandeling, omdat de klachten nog aanwezig

zijn.

De linkerschouder is in de richting van abductie, het zijwaarts heffen van de arm,

nog beperkt en pijnlijk. Haar rechterschouder geeft met de draai bewegingen pijnlijk gevoel aan. Daarnaast is haar bindweefsel nog regelmatig erg stug.

1.6

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 83 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op zondag 6 augustus 2017 om 03:30 uur kregen wij, [naam 1] en [naam 2] , kennis van een verkeersongeval op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A58, Breda. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften werd een onderzoek ingesteld. Daaruit bleek, dat [verdachte] als bestuurder van een voertuig bestelauto, Peugeot Partner, Belgie, kenteken [kenteken 1] , bij dat verkeersongeval betrokken was.

Vordering voorlopig onderzoek uitgeademde lucht

Ik, [naam 2] , heb op zondag 6 augustus 2017 om 04:07 uur, de

bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.

Medewerking voorlopig onderzoek uitgeademde lucht
Met medewerking van de bestuurder heb ik, [naam 2] , hem dit

voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat.

Als resultaat van deze test zag ik, [naam 2] , dat het

ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: F 2.31 promille.

1.7

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 12 tot en met 18 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven –:

A: 5 augustus 2017 was ik met mijn vrouw naar vrienden in Breda gekomen. We

zijn bij de Griek gaan eten. Gedurende de avond heb ik teveel gedronken.

V: Hoe laat was jij bij dat Grieks restaurant?

A: Rond 17:00 uur a 18:00 uur.

(…)

A: Vanuit de Griek zijn we nog langs een café gegaan en daarna pas naar huis. Het

café heette [café] . Dat is op de haven. Daar ben ik begonnen met cognac

drinken.

A: Dat kan goed een fles zijn, een fles cognac. Zeker wel een fles.

1.8

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 34 tot en met ,

inhoudende – zakelijk weergegeven- :

Ik weet [verdachte] zijn achternaam niet. Hij is 5 augustus 2017 met zijn vrouw gaan winkelen in Breda. ’s Avonds hebben wij in de stad afgesproken om wat te gaan eten. We zijn rond 02.00 uur naar mijn huis gelopen. Daar heeft hij nog één Brandy gedronken.