Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3884

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5734
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 3.120 Wet IB 2001.

Eigenwoningrente. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door belanghebbende betaalde eigenwoningrente fiscaal anders te kwalificeren, waardoor een gedeelte van de rente niet in aftrek kan worden gebracht. De door belanghebbende betaalde vergoeding op de geldlening kwalificeert als ‘renten van schulden’ in de zin van artikel 3.120, eerste lid, onderdeel a van de Wet IB 2001. Het gaat civielrechtelijk om een vergoeding tussen de geldgever en de geldnemer die is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom. Er is ook geen sprake van bijvoorbeeld de situatie dat de lening (nagenoeg) volledig een spaarhypotheek betreft die verlengd wordt “over” de duur van de aflossingsdatum heen. Het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.120
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-10-2020
FutD 2020-2938
V-N Vandaag 2020/2408
NTFR 2020/3075 met annotatie van mr. J. Zandee-Dingemanse
V-N 2020/55.6 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2020/24.4
VFP 2020/102
NLF 2020/2199 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/5734

uitspraak van 20 augustus 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 8 oktober 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.924 aanslagnummer [aanslagnummer] H.66.01 (hierna: de aanslag) en tegen de bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente € 34.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.799;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.1.

Belanghebbende heeft in 1996 een kapitaalverzekering afgesloten bij Interpolis. Deze kapitaalverzekering is in 2013 beëindigd en de afkoopwaarde is ingebracht in een lening bij de Rabobank genaamd de Rabo Opbouwhypotheek. De Rabo Opbouwhypotheek is één civielrechtelijke geldleningsovereenkomst en bestaat voor de helft uit een spaardeel en voor de helft uit een aflossingsvrij deel. De aflossingsdatum van het spaardeel is 1 maart 2020. De Rabo Opbouwhypotheek bedraagt € 250.000 en maakt deel uit van de eigenwoningschuld van belanghebbende van € 265.000.

2.1.2.

De rentevast periode van de Rabo Opbouwhypotheek liep af op 31 december 2015. Belanghebbende heeft verschillende keuzes gehad op welke wijze de lening te verlengen. Bij een verlenging met een rentevast periode van 1 jaar bedroeg de rente per 1 januari 2016 1,8%, bij een verlenging met 3 jaar 2,0%, bij een verlenging met 5 jaar 2,2%, bij een verlenging met 10 jaar 2,4% en bij een verlenging met 20 jaar 3,1%. Belanghebbende heeft gekozen voor een rentevast periode van 20 jaar met het bijbehorende rentepercentage.

2.1.3.

Belanghebbende heeft in 2016 een bedrag van € 8.380 aan rente op de Rabo Opbouwhypotheek betaald. Dit bedrag heeft belanghebbende volledig in zijn aangifte IB/PVV als eigenwoningrente in aftrek gebracht.

2.1.4.

Bij de aanslag is de inspecteur op dit punt van de aangifte afgeweken. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de betaalde rente volledig aftrekbaar is voor zover de rente betrekking heeft op het aflossingsvrije deel, maar voor zover de rente betrekking heeft op het spaardeel slechts aftrekbaar is tot een percentage van 2,2%. De inspecteur heeft gelet daarop een bedrag van ((3,1% -/- 2,2%) x € 125.000 =) € 1.125 niet in aftrek toegelaten.

2.2.

In geschil is of de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de correctie van de eigenwoningrente terecht is. Niet in geschil is dat de Rabo Opbouwhypotheek is aan te merken als een eigenwoningschuld in de zin van art. 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.3.

Artikel 3.120 van de Wet IB 2001 luidt voor zover hier van belang als volgt:

1. De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:

a. de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld

2.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1327 bepaald:

2.3.3. Onder het begrip ‘renten van schulden’ moet in dit verband worden verstaan hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van een

hoofdsom (vgl. HR 16 februari 2000, nr. 33795, ECLI:NL:HR:2000:AA4799, BNB 2001/173, onderdeel 3.4).”

2.5.

De vraag waar de rechtbank zich voor ziet gesteld is of de betaalde vergoeding van 3,1% volledig is aan merken als een vergoeding voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom als bedoeld in het in 2.4 vermelde arrest, ook wat betreft het spaardeel.

2.6.

De inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord, in het verweerschrift het volgende gesteld:

Indien een hoger rentepercentage wordt afgesproken dan de rente die behoort bij de periode tot de einddatum van de spaarhypotheek kan het hogere percentage niet aangemerkt worden als een vergoeding voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom. De reden van het hogere rentepercentage is immers niet gelegen in het ter beschikking stellen van de hoofdsom maar in de wens van de leningnemer om daarbij (ook) een hoger rentepercentage vergoed te krijgen, namelijk de rente die hij ontvangt op zijn Rabo Opbouwspaarrekening”.

2.7.

Ter zitting heeft de inspecteur te kennen gegeven de stelling van belanghebbende niet te bestrijden dat de reden om de lening voor de duur van 20 jaar te verlengen was gelegen in het verkrijgen van zekerheid over langere termijn voor het aflossingsvrije gedeelte van de lening, nu het één lening betreft. Desondanks persisteert de inspecteur dat de betalingen verricht door belanghebbende op deze lening niet geheel kunnen worden aangemerkt als aftrekbare rente.

2.8.

Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat de juridische grondslag voor de correctie het Besluit van de Staatsecretaris van 10 juni 2010, nummer DGB2010/921 is. Dit besluit ziet echter op een andere situatie dan die van belanghebbende. Overigens kan het besluit van de Staatsecretaris als zodanig geen juridische grondslag voor een correctie vormen omdat een dergelijk besluit geen wet in formele zin is of een grondslag daarin heeft.

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat de betaalde vergoeding in beginsel kwalificeert als ‘renten van schulden’. Het gaat namelijk civielrechtelijk om een vergoeding tussen de geldgever en de geldnemer die is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom.

2.10.

De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval de rente anders aan te merken. De inspecteur heeft geen beroep gedaan op leerstukken zoals ‘schijn en wezen’ of ‘fraus legis’. Voor zover de inspecteur al zou betogen dat de feiten fiscaalrechtelijk anders moeten worden gekwalificeerd dan civielrechtelijk, ziet de rechtbank daarvoor in deze omstandigheden van het geval geen grond. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. In deze zaak gaat het om één lening met één rentepercentage behorende bij een verlenging voor de duur van twintig jaar. Er is geen sprake van bijvoorbeeld de situatie dat de lening (nagenoeg) volledig een spaarhypotheek betreft die verlengd wordt ‘over’ de duur van de aflossingsdatum heen.

2.11.

Belanghebbende wordt dus in het gelijk gesteld. Voor dat geval is niet in geschil dat de aanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.799.

2.12.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard. Nu de rechtbank belanghebbende volledig in het gelijk stelt op het primaire standpunt, zal de rechtbank niet ingaan op de andere (subsidiaire) standpunten.

2.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.

Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2020 door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.