Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3866

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
26-02-2021
Zaaknummer
AWB- 19_1984 en AWB- 19_2207
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

Zaaknummers: BRE 19/1984 WABOA en BRE 19/2207 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2020 in de zaak tussen

1 [B.V. eiseres] ., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. B.J.P.M. Zwinkels,

2 [eiser2] , te [plaatsnaam eiser2] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, verweerder.

Als derde partij hebben aan het geding deelgenomen:

[derde partij 1] , te [plaatsnaam derde partij1] , en [derde partij 2] , te [plaatsnaam derde partij 2] ,

gemachtigde: mr. C.J.R. Binsbergen.

Procesverloop

In het besluit van 25 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de functieverandering van de bestaande voormalige bedrijfswoning [adres] te [plaatsnaam] naar plattelandswoning.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 5 februari 2020. Hierbij waren namens eiseres aanwezig [naam bestuurder] (bestuurder) en [naam bedrijfsleider] (bedrijfsleider), bijgestaan door mr. M. Bontenbal, kantoorgenoot van de gemachtigde.

Eiser is niet verschenen. Zijn echtgenote was wel op de zitting aanwezig.

Namens het college was aanwezig [aanwezige college] .

Derde partij [derde partij 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Partijen hebben nadere informatie ingezonden. Zij hebben, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet aangegeven alsnog op een zitting te willen worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek op 17 juni 2020 gesloten. De uitspraaktermijn is met 3 weken verlengd.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is enig bestuurder en aandeelhouder van de wormenkwekerij ‘ [naam B.V.] ’, gevestigd op de locatie [vestigingsplaats B.V.] te [plaatsnaam]. Bij dit bedrijf hoort een voormalige bedrijfswoning, gelegen op het perceel [adres] te [plaatsnaam].

Eiser woont op de locatie [adres van eiser] te [plaatsnaam], gelegen schuin tegenover de wormenkwekerij.

[derde partij 2] was samen met zijn broer en [naam bestuurder] oorspronkelijk aandeelhouder en compagnon van eiseres. Zij leidden met zijn drieën de wormenkwekerij ‘ [naam B.V.] ’. In 2017 hebben de gebroeders [derde partij 2] de aandelen in het bedrijf verkocht. De bedrijfswoning heeft [derde partij 2] in zijn eigendom gehouden. Hij heeft de bedrijfswoning verkocht aan [derde partij 1] .

Niet in geschil is dat het gebruik van de voormalige bedrijfswoning als burgerwoning in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’. Op 20 september 2017 heeft [derde partij 2] een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan. Op het aanvraagformulier is bij de projectomschrijving vermeld: ‘functieverandering bestaande woning [adres] te [plaatsnaam] naar plattelandswoning’.

Het college heeft in juli 2018 het ontwerp van een voorgenomen besluit tot weigering van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Naar aanleiding van dit ontwerpbesluit zijn zienswijzen ingediend.

Bij bestreden besluit heeft het college, in afwijking van het ontwerpbesluit, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van de voormalige bedrijfswoning op het perceel als plattelandswoning.

Ontvankelijkheid eiseres (19/1984)

2.1

De rechtbank stelt vast dat [naam bestuurder] op 29 april 2019 op eigen naam beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Uit de nadere brieven van de gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank opgemaakt dat het de bedoeling is geweest om namens eiseres beroep in te stellen. Ter zitting is dit door de gemachtigde bevestigd. Volgens de gemachtigde was [naam bestuurder] ten tijde van het indienen van het beroep enig aandeelhouder en enig bestuurder van eiseres.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde [naam bestuurder] in de gelegenheid te stellen stukken te overleggen waaruit blijkt dat hij ten tijde van de indiening van het beroepschrift enig bestuurder en enig aandeelhouder was van eiseres.

2.2

Op 6 februari 2020 heeft [naam bestuurder] een uittreksel van de Kamer van Koophandel ingediend van [naam B.V.] , waaruit blijkt dat eiseres enig bestuurder en aandeelhouder is van deze vennootschap.

Daarnaast heeft [naam bestuurder] het bedrijfsprofiel van eiseres ingediend, waaruit volgt dat de Holding [B.V. eiseres] enig aandeelhouder en enig bestuurder is van eiseres.

Uit het uittreksel van Holding [B.V. eiseres] . volgt dat B. [naam bestuurder] Holding B.V. enig aandeelhouder en enig bestuurder is van deze vennootschap.

Tot slot is het bedrijfsprofiel van B. [naam bestuurder] Holding B.V. overgelegd, waaruit volgt dat [naam bestuurder] enig bestuurder en enig aandeelhouder is van deze vennootschap.

[naam B.V.] heeft als doelstelling het exploiteren van de wormen-kwekerij. Eiseres heeft als doelstelling onder andere het beheren van registergoederen en beheer- en holdingactiviteiten.

2.3

Het beroepschrift van 29 april 2019 is dus ingediend door [naam bestuurder] . Voor zover eiseres betoogt dat het beroepschrift mede namens haar is ingediend, volgt de rechtbank dit betoog niet. Er is geen rechtsregel waaruit volgt dat wanneer - zoals hier - een aandeelhouder en/of bestuurder van een rechtspersoon op eigen naam een rechtsmiddel aanwendt, dit rechtsmiddel van rechtswege moet worden geacht mede door die rechtspersoon te zijn ingediend of aangewend. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2347). Dit klemt temeer nu [naam bestuurder] niet direct, maar via een constructie met twee andere vennootschappen zeggenschap heeft over eiseres.

Pas bij het aanvullen van de gronden van het beroep op 21 mei 2019, en dus buiten de beroepstermijn, is verklaard dat is bedoeld het beroep in te stellen namens eiseres. Deze verklaring is te laat om het beroep van eiseres ontvankelijk te achten.

Voor zover eiseres stelt dat [naam bestuurder] per vergissing geen beroep heeft ingediend namens eiseres, terwijl dat toch duidelijk de bedoeling was, kan dit standpunt eiseres niet baten. Dergelijke vergissingen komen nu eenmaal voor rekening en risico van de indiener van het beroepschrift.

Het beroepschrift van 29 april 2019 is dus uitsluitend door [naam bestuurder] ingediend.

2.4

Eiseres stelt vervolgens dat de belangen van [naam bestuurder] en haarzelf met elkaar vereenzelvigd moeten worden. De rechtbank volgt eiseres hierin niet.

Daartoe overweegt zij dat op grond van vaste rechtspraak van de AbRS alleen sprake kan zijn van vereenzelviging in de uitzonderlijke situatie dat vaststaat dat de belangen van de aandeelhouder/bestuurder identiek zijn aan de belangen van de vennootschap en daarover voor andere betrokkenen in het rechtsverkeer geen enkele onduidelijkheid of onzekerheid kan hebben bestaan (zie AbRS 19 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ5511).

Hiervan is in het geval van eiseres en [naam bestuurder] naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zoals uit de door [naam bestuurder] overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel blijkt is eiseres niet alleen de moedervennootschap van [naam B.V.] ., maar ook de moedervennootschap en aandeelhoudster van andere vennootschappen. Bovendien is eiseres zelf een dochtervennootschap van Holding [B.V. eiseres] . en Holding [B.V. eiseres] . is weer een dochtervennootschap van B. [naam bestuurder] Holding B.V..

[naam bestuurder] is de enig bestuurder en enig aandeelhouder van laatstgenoemde vennootschap.

Gelet op deze constructie van vennootschappen kan niet worden gezegd dat de belangen van eiseres identiek zijn aan de belangen van [naam bestuurder] en al helemaal niet dat dit voor derden evident is. In deze constructie zijn bovendien het beheer van het vermogen van [naam bestuurder] en de exploitatie van het bedrijf gescheiden, waarbij de exploitatie van de wormenkwekerij in handen is van [naam B.V.] . en de eigendom van het perceel en het pand [vestigingsplaats B.V.] te [plaatsnaam] is belegd bij eiseres. De belangen van eiseres en [naam bestuurder] kunnen niet met elkaar worden vereenzelvigd.

2.5

Ten slotte merkt de rechtbank op dat [naam bestuurder] in persoon geen rechtstreeks, maar slechts een afgeleid belang heeft bij het bestreden besluit. Hij kan dus als privépersoon geen ontvankelijk beroep indienen tegen het bestreden besluit.

2.6

Dit betekent dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De beroepsgrond van eiser (19/2207)

3.1

Eiser geeft aan dat de plattelandswoning [adres] te [plaatsnaam] géén aansluiting tot de Provincialeweg Noord zal hebben. Hij zal niet toestaan dat er van zijn terrein gebruik zal worden gemaakt om de plattelandswoning te bereiken.

3.2

Het college stelt dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen sprake was van een situatie waarin zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat de functieverandering in verband met een privaatrechtelijke belemmering niet kan worden gerealiseerd. Uit de kadastrale kaart volgt dat vergunninghouder beschikt over een ontsluitingsmogelijkheid op de Provincialeweg Noord. Dat deze ontsluiting te smal zou zijn, blijkt volgens het college niet. Indien echter zou blijken dat het perceel [adres] niet over een toereikende ontsluiting zou beschikken, dan kan volgens het college op grond van artikel 5:57 van het Burgerlijk Wetboek een goede ontsluiting van het perceel zo nodig worden afgedwongen.

3.3

Ter zitting is duidelijk geworden dat er een uitweg aanwezig is van het perceel

[adres] naar de Provincialeweg Noord. Dat deze uitweg te smal zou zijn om te kunnen gebruiken, is niet aangetoond. Bovendien heeft het college terecht gewezen op het bepaalde in artikel 5:57 van het Burgerlijk Wetboek, wat het mogelijk maakt dat de eigenaar die geen behoorlijke toegang heeft tot een openbare weg, van de eigenaar van de naburige erven een aanwijzing van een noodweg en dienst van zijn erf kan vorderen. Het vaststellen van zakelijke rechten dient door de burgerlijke rechter plaats te vinden. De rechtbank komt in het kader van de onderhavige procedure hieraan niet toe.

De rechtbank merkt daarbij op dat het meer voor de hand lijkt te liggen dat de bewoners van de plattelandswoning voor een recht van overpad in overleg gaan met [B.V. eiseres] ., de eigenaar van kadastraal perceel [perceel nummer] , dan met eiser. De kadastrale percelen in eigendom bij eiser liggen immers naast het perceel [adres] (kadastraal perceel [perceel nummer2] ), terwijl kadastraal perceel [perceel nummer] in het verlengde van het perceel [adres] en daarmee tussen dat perceel en de Provincialeweg Noord is gelegen. Het belang van eiser lijkt daardoor minder evident.

3.4

Anders dan eiser betoogt, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de omzetting van de voormalige bedrijfswoning naar een plattelandswoning in de weg staan. De aankondiging van eiser dat hij niet zal meewerken aan een recht van overpad over zijn percelen, maakt niet dat het college geen vergunning had mogen verlenen voor de plattelandswoning.

3.5

Het beroep van eiser is ongegrond. Gelet hierop is een proceskostenveroordeling niet aan de orde.

Beslissing

De rechtbank verklaart

in 19/1984:

- het beroep van eiseres niet-ontvankelijk;

in 19/2207:

- het beroep van eiser ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. E.A. Vermunt, griffier, op 19 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.