Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3864

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
02-072047-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gewapende overval op een lachgasverkoper. Medeplichtigheid. Gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 122 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/072047-20

vonnis van de meervoudige kamer van 20 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. I.M. d’Hont, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 17 maart 2020 te Tilburg samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing dan wel medeplichtigheid hieraan.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak voor het primair tenlastegelegde medeplegen van de overval, nu verdachte een ondergeschikte rol had ten opzichte van zijn mededaders. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde medeplegen, nu er in het dossier geen bewijsmiddelen aanwezig zijn waarmee een bewuste en nauwe samenwerking met de daders kan worden bewezen. De verdediging verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. De verdediging stelt dat hoogstens voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan de overval te bewijzen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 17 maart 2020, omstreeks 00:35 uur te Tilburg, is lachgasverkoper [naam] overvallen door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarbij [naam] onder bedreiging van een (nep)vuurwapen is gedwongen om onder meer lachgasflessen en geld af te staan.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de rol van verdachte hierbij het volgende. Verdachte heeft meermalen telefonisch contact gehad met [naam] . Verdachte heeft de lachgasbestelling geplaatst en heeft vervolgens met [naam] contact gehouden over de locatie van de levering. In ieder geval heeft verdachte tijdens het plaatsen van de bestelling zijn nummerherkenning uitgezet. Ook heeft verdachte verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] zijn BB-gun in zijn rugzak heeft meegenomen. Verdachte was in de veronderstelling dat ze lachgas gingen halen om te chillen en pas in de auto naar de locatie werd gesproken over het afpakken van de lachgastanks. Gedurende de overval is verdachte in de auto blijven wachten. Hij heeft bij de overval zelf geen rol gespeeld. De rechtbank ziet op grond van de bewijsmiddelen geen reden om te twijfelen aan de verklaring van verdachte. Verdachte kan daarmee niet aangemerkt worden als een van de uitvoerenden van de afpersing. Naar het oordeel van de rechtbank kan hiermee bovendien niet gezegd worden dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking met de andere verdachten, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde medeplegen zal worden vrijgesproken.

De rechtbank is op grond van het voorgaande wel van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de afpersing in vereniging gepleegd door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachte heeft de afspraak tot levering van de lachgasflessen gemaakt en heeft het nepvuurwapen in zijn rugzak meegenomen en aan [medeverdachte 1] gegeven. Verdachte heeft deze feitelijkheden bekend.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zowel het opzet heeft gehad om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de gelegenheid en de middelen te verschaffen als het opzet op de afpersing in vereniging, nu hij wetenschap had dat dit vervolgens bij de overval zou worden gebruikt.

De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Subsidiair
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 17 maart 2020 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander op de openbare weg, zijnde de Goirkekanaaldijk aldaar met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam] hebben gedwongen tot de afgifte van 5 lachgas-flessen en zakjes ballonnen en huis- en autosleutels (van een VW Golf) en een portemonnee (met inhoud, w.o. een rijbewijs en ID-kaart) en een hoeveelheid contant geld en een telefoon/gsm (merk: one + 6 T), welke goederen aan die [naam] toebehoorden, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam] te richten en gericht te houden en daarbij dwingend naar die [naam] de woorden uit te spreken: "Geef mij die flessen, blijf rustig, geef je geld, geef alles wat in je zakken zit, maak je zakken leeg!", tot het plegen van welk misdrijf verdachte omstreeks 17 maart 2020 te Tilburg meermalen opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door aan die genoemde [medeverdachte 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp ter beschikking te stellen en door voorafgaande aan voornoemde afpersing door die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] meermalen telefonisch contact te maken met genoemde [naam] teneinde die [naam] toen en daar naar die Goirkekanaaldijk te laten komen (voor de levering van o.a. lachgas).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur en

een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 122 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie verzoekt om aan het voorwaardelijk strafdeel een meldplicht en een gedragsinterventie middelengebruik als bijzondere voorwaarden te verbinden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarbij een deels of geheel voorwaardelijke taakstraf, zodat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden ingezet. Verdachte is genoeg gestraft door zijn verblijf in detentie en kan zich zo focussen op zijn Hbo-studie, waarmee hij in september start.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een gewapende overval waarbij lachgastanks, een hoeveelheid geld, een portemonnee met inhoud, sleutels en een telefoon zijn weggenomen.

Verdachten hebben zich kennelijk alleen laten leiden door hun eigen behoeften en zich niet bekommerd om het slachtoffer. Naast de materiële schade die het slachtoffer heeft geleden vanwege de goederen die hij is kwijtgeraakt, heeft dit incident ook diepe sporen nagelaten in het emotionele welzijn van het slachtoffer. Daarnaast leidt dit soort delicten in de samenleving tot gevoelens van onrust en onveiligheid.

Het handelen van verdachte kan niet worden gekwalificeerd als medeplegen r, maar zijn bijdrage aan de totstandkoming van het feit als medeplichtige was wel fors, nu verdachte het (nep)vuurwapen heeft geleverd, het contact met het slachtoffer heeft onderhouden en het slachtoffer welbewust naar de locatie heeft geleid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit is komen vast te staan dat verdachte eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit in het kader van de Leerplichtwet, maar niet eerder voor soortgelijke delicten.

Ook heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening gehouden met het advies van de reclassering van 16 juli 2020. Uit dit advies blijkt dat geen sprake is van een delictpatroon. Het lijkt alsof verdachte zijn leven aardig op orde heeft. Hij gaat weer studeren, gebruikt minder middelen dan voorheen, maakt muziek en doet aan sport. Verder kan hij het goed vinden met zijn familie en heeft hij een ruim scala aan sociale contacten. Desondanks maakt de reclassering zich zorgen over een deel van het sociale netwerk van verdachte, over zijn middelengebruik, over zijn psychosociaal welzijn en zijn houding.

De reclassering acht de kans op recidive gemiddeld. De reclassering heeft hierbij in overweging genomen dat verdachte nog niet geheel afstand kan nemen van de factor spanning en sensatie. Hierom adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en deelname aan een gedragsinterventie middelengebruik. Verdachte zal leren werken aan de keuzes die hij maakt ten aanzien van sociale contacten en middelengebruik. Ook zal hij leren werken aan zijn houding ten aanzien van spanning en sensatie. Verder adviseert de reclassering om een forse taakstraf op te leggen, omdat dit zal helpen recidive te voorkomen.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten voor een overval/straatroof. De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de strafoplegging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Zij heeft hierbij in strafverminderende zin rekening gehouden met de rol van verdachte als medeplichtige. Strafverzwarend omstandigheden zijn in dit geval de bedreiging met het vuurwapen die verdachte mogelijk maakte, het georganiseerde karakter van de groep en de plaats van het delict.

Hoewel de rechtbank, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform het uitgangspunt op zijn plaats acht, ziet de rechtbank aanleiding om van genoemd uitgangspunt af te wijken. Verdachte heeft immers kort na zijn aanhouding volledige openheid van zaken gegeven over zijn eigen aandeel, maar ook over het aandeel van anderen in het strafbare feit. De politie kon met de door verdachte verstrekte informatie verder in haar onderzoek.

De rechtbank zal daarom en vooral gelet op het advies van de reclassering, een gedeelte van die gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Deze voorwaardelijke straf dient verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst nieuwe strafbare feiten te plegen en om de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, een meldplicht en een gedragsinterventie middelengebruik, aan het voorwaardelijk strafdeel te kunnen verbinden. Overigens ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarde tot het volgen van een opleiding op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf gelijk dient te zijn aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte hoeft dus niet terug naar de gevangenis. De rechtbank zal wel een fikse onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur aan verdachte opleggen. De rechtbank veronderstelt dat verdachte deze taakstraf als straf zal ervaren en dat het hem er van zal weerhouden om, naast de Hbo-opleiding die hij gaat volgen, de verkeerde keuzes te maken ten aanzien van zijn sociale contacten en het opzoeken van spanning en sensatie.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen de maximale taakstraf van 240 uur en een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 122 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daaraan als bijzondere voorwaarden verbonden de meldplicht en de gedragsinterventie middelengebruik.

7 Het beslag

De rechtbank is van oordeel dat het op een vuurwapen gelijkende voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat het tenlastegelegde feit met dit voorwerp is begaan. Daarnaast is dit een voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het geld (10 euro) en het mes, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36b, 36c, 48, 49, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplichtigheid aan afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 122 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen vijf werkdagen na onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij verslavingsreclassering Novadic-Kentron aan de Jan Wierhof 14 te Tilburg en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte zal deelnemen aan de gedragsinterventie middelengebruik of een andere door de reclassering te bepalen gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik, waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan verdachte zullen worden gegeven;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

1. STK pistool (goednummer 2172909);

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

10 EUR (ibn 17-03-2020, _592168);

1. STK mes (goednummer 2172885);

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. Beudeker, voorzitter, mr. Collombon en mr. Dijkman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Koster, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 augustus 2020.

Mr. Collombon is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

Primair

hij op of omstreeks 17 maart 2020 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg, zijnde de Goirkekanaaldijk aldaar met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam] heeft gedwongen tot de afgifte van 5, in elk geval een of meerdere lachgas-flessen en/of zakjes ballonnen en/of huis- en/of autosleutels (van een VW Golf) en/of een portemonnee (met inhoud, w.o een rijbewijs en/of ID-kaart) en/of een hoeveelheid contant geld ter waarde van (ongeveer) 4000 euro en/of een telefoon/gsm (merk: one + 6 T) , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [naam] toebehoorde, door een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam] te richten en/of gericht te houden, in elk geval aan die [naam] te tonen en/of daarbij (dwingend) naar die [naam] de woorden uit te spreken: "Geef mij die flessen, blijf rustig, geef je geld, geef alles wat in je zakken zit, maak je zakken leeg!" althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard of strekking;

Subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 17 maart 2020 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg, zijnde de Goirkekanaaldijk aldaar met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van 5, in elk geval een of meerdere lachgas-flessen en/of zakjes ballonnen en/of huis- en/of autosleutels (van een VW Golf) en/of een portemonnee (met inhoud, w.o een rijbewijs en/of ID-kaart) en/of een hoeveelheid contant geld ter waarde van (ongeveer) 4000 euro en/of een telefoon/gsm (merk: one + 6 T) , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [naam] toebehoorde, door een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam] te richten en/of gericht te houden, in elk geval aan die [naam] te tonen en/of daarbij (dwingend) naar die [naam] de woorden uit te spreken: "Geef mij die flessen, blijf rustig, geef je geld, geef alles wat in je zakken zit, maak je zakken leeg!" althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard of strekking, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf verdachte op of omstreeks 17 maart 2020 te Tilburg, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die genoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een (vuur)wapen, in elk geval een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp ter beschikking te stellen en/of door voorafgaande aan voornoemde afpersing door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] (meermalen) telefonisch contact te maken met genoemde [naam] teneinde die [naam] toen en daar naar die Goirkekanaaldijk te laten komen (voor de levering van o.a. lachgas), in elk geval naar een plaats waar vervolgens de afpersing heeft plaatsgevonden.

11 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB4R020033 (onderzoek Polybotes) van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 547.

Aangezien verdachte ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie, d.d. 25 maart 2020, opgenomen op pagina 360 van voornoemd eindproces-verbaal;

het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [naam] , d.d. 17 maart 2020, opgenomen op pagina 108 van voornoemd eindproces-verbaal;

het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen onderzoek aan iPhone X (rood), d.d. 18 maart 2020, opgenomen op pagina 334 van voornoemd eindproces-verbaal;

de kennisgeving van inbeslagneming van een vuurwapen (gaspistool), aangetroffen in de woning van verdachte gelegen aan [adres] in een camouflagerugzak, opgenomen op pagina 510 van voornoemd eindproces-verbaal.