Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3855

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
17-02-2021
Zaaknummer
AWB- 19_3766
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/3766 ZW

tussenuitspraak van 18 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. R.F.J. van de Pol,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (kantoor Breda )

Derde partij: [naam derde partij] te [vestigingsplaats derde partij] (werkgever),

gemachtigde: mr. G.W. van der Voet.

Procesverloop

In het besluit van 9 januari 2018 (primair besluit I) heeft het UWV eiseres een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend per 1 juni 2016.

In het besluit van 22 januari 2018 (primair besluit II) heeft het UWV in het kader van de Eerstejaars Ziektewet beoordeling (EZWB) vastgesteld dat eiseres op 31 mei 2017 minder dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd en dat haar ZW-uitkering daarom ongewijzigd wordt voortgezet.

De werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten I en II omdat hij wordt geconfronteerd met premieverhoging. Het UWV heeft het bezwaar opgevat als zijnde alleen gericht tegen primair besluit II.

Bij beslissing op bezwaar van 17 april 2018 heeft het UWV het bezwaar van de werkgever tegen primair besluit II ongegrond verklaard. De werkgever is vervolgens in beroep gegaan bij deze rechtbank. Ter zitting van 14 februari 2019 heeft het UWV de beslissing op bezwaar van 17 april 2018 ingetrokken en aangegeven een (nieuwe) beslissing te zullen nemen op het bezwaar van de werkgever tegen beide primaire besluiten. Werkgever heeft het beroep vervolgens ingetrokken.

Namens werkgever heeft [naam medisch adviesbureau] (verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] ) op 26 maart 2019 aanvullende bezwaargronden ingediend.

Op 23 mei 2019 heeft het UWV een voorgenomen wijzigingsbeslissing aan partijen bekend gemaakt. De gewijzigde beslissing zou inhouden dat eiseres per 1 juni 2016 ten onrechte als arbeidsongeschikt voor haar eigen werk is beschouwd en dat zij daarom geen recht op een ZW-uitkering had. Omdat eiseres inmiddels gedurende 104 weken een ZW-uitkering heeft ontvangen wordt de aan haar betaalde uitkering niet van haar teruggevorderd.

Eiseres heeft bij brief van 4 juni 2019 op het voorgenomen besluit gereageerd.

In het besluit van 20 juni 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van de werkgever tegen het primaire besluit I gegrond verklaard. Het UWV heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat eiseres per 1 juni 2016 geen recht had op een ZW-uitkering. Tevens heeft het UWV besloten, in navolging daarvan, het primaire besluit II niet te handhaven.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiseres heeft geen toestemming gegeven voor kennisneming van haar medische gegevens door de werkgever.

Bij beslissing van 9 oktober 2019 heeft de rechtbank bepaald dat kennisneming van stukken die medische gegevens van eiseres bevatten is voorbehouden aan een gemachtigde die arts of advocaat is. Daarom zullen geen medische gegevens van eiseres in deze uitspraak worden vermeld.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 19 juni 2020.

Hierbij waren aanwezig eiseres en haar gemachtigde, namens het UWV mr. N. Regragui en namens de werkgever de gemachtigde en (een deel van de zitting) [naam] .

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Feiten.

Eiseres is op 1 februari 2016 in dienst getreden van de werkgever als afdelingsassistent [naam bedrijf] gedurende 28 uur per week. Bij brief van 21 april 2016 heeft eiseres ontslag genomen met ingang van 1 juni 2016 vanwege de problemen die de verhuizing van de werkgever naar [vestigingsplaats derde partij] voor haar persoonlijke situatie mee zou brengen.

Eiseres heeft zich op 26 juli 2017 bij het UWV ziek gemeld met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2016 voor haar werk als afdelingsassistent wegens fysieke klachten. Het UWV heeft eiseres een ZW-uitkering toegekend per 1 juni 2016, heeft deze voortgezet na de EZWB, maar is daarop, na bezwaar van de werkgever, teruggekomen.

2. Standpunt van het UWV.

Het UWV stelt zich, onder verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 17 mei 2019, op het standpunt dat eiseres op 1 juni 2016 en binnen 4 weken daarna niet ongeschikt was wegens ziekte voor het verrichten van haar werk.

Het UWV heeft op 18 maart 2020 een verweerschrift ingediend.

3. Standpunt van eiseres.

Eiseres bestrijdt dat zij op 1 juni 2016 niet arbeidsongeschikt was voor haar eigen werk. Zij voert aan dat zij destijds na haar ziekmelding door verzekeringsarts Bouman is gezien en onderzocht. Uit de door hem opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 januari 2018 blijkt dat zij op 1 juni 2017 en op 28 november 2017 beperkingen had. Bouman achtte eiseres ongeschikt voor haar eigen werk. In het kader van de WIA-aanvraag is eiseres op 3 mei 2018 gezien door een andere verzekeringsarts die ook tot de conclusie kwam dat er beperkingen waren. De arbeidsdeskundige concludeerde vervolgens dat eiseres nog steeds ongeschikt was voor het eigen werk. Dit standpunt is tijdens de bezwaarprocedure over de WIA gehandhaafd. Eiseres is dan ook erg verbaasd dat zij achteraf door verzekeringsarts b&b Sprenkels niet arbeidsongeschikt wordt geacht voor haar eigen werk, temeer nu deze geen lichamelijk onderzoek heeft verricht. Eisers vindt dat onzorgvuldig. De arts-gemachtigde van de werkgever heeft eiseres evenmin gezien of onderzocht. De gevolgen voor eiseres zijn dat zij door de besluitvorming van het UWV geen status als arbeidsgehandicapte meer heeft. Daardoor kan zij geen aanspraak maken op de zogenoemde Amber bepalingen en evenmin op de doelgroep verklaring loonkostenvoordeel. Eiseres vindt dat de motivering van de verzekeringsarts b&b onvoldoende is, nu daaraan zwaardere eisen moeten worden gesteld nu hij afwijkt van de conclusie van drie andere verzekeringsartsen van het UWV.

4. Standpunt van de werkgever.

De werkgever voert aan dat de eerste ziektedag van eiseres arbitrair is gekozen en niet medisch is onderbouwd. Eiseres heeft gewoon gewerkt tot 1 juni 2016. Het feit dat zij beperkingen had leidt niet zonder meer tot de conclusie dat zij ongeschikt was voor het eigen werk. Eiseres heeft de werkgever niet geïnformeerd. Werkgever heeft eiseres niet kunnen re-integreren en wordt nu geconfronteerd met premiebetaling. Werkgever bestrijdt tenslotte dat in het eigen werk vertreden niet mogelijk is.

5. Wettelijk kader.

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).

Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.

Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft, wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan: de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid (artikel 19, vijfde lid, van de ZW).

6. Arbeidsmaatstaf

De rechtbank stelt vast dat het werk als assistente afdeling Legal als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden aangemerkt.

7. Beoordeling van de rechtbank.

7.1.

De rechtbank stelt vast dat eiseres een procesbelang heeft omdat, indien zij de wachttijd heeft volgemaakt en voor de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is, de no-riskpolis op haar van toepassing is. Het procesbelang wordt door het UWV erkend.

7.2.

In geschil is of het UWV zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres op 1 juni 2016 niet ongeschikt was voor het verrichten van haar eigen werk en geen recht had op een ZW-uitkering.

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportages van verzekeringsarts b&b Sprenkels blijkt dat hij op de hoogte was van de door eiseres gestelde klachten. Dat hij eiseres niet lichamelijk heeft onderzocht maakt het onderzoek niet onzorgvuldig, temeer niet nu een eigen lichamelijk onderzoek niets had kunnen toevoegen aan de beschikbare informatie over de medische situatie van eiseres op 1 juni 2016. De verzekeringsarts b&b mag afwijken van een eerder ingenomen standpunt mits hij dat goed motiveert. Aan deze motivering worden, anders dan eiseres stelt, geen zwaardere eisen gesteld.

7.4.

Het bestreden besluit is gebaseerd op het rapport van verzekeringsarts b&b Sprenkels van 17 mei 2019. Sprenkels heeft het dossier bestudeerd en overleg gepleegd met de medewerker beroep. Hij heeft de aanwezige informatie van de behandelaars van eiseres bestudeerd. Sprenkels concludeert dat er onvoldoende argumenten zijn voor arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk op de datum in geding. Hij concludeert dat er geen medische onderbouwing is voor het accepteren van een ziekmelding op 1 juni 2016.

7.5.

De rechtbank stelt vast tussen partijen niet in geschil is dat op 1 juni 2016 en een jaar later op 1 juni 2017 sprake was van hetzelfde medische beeld.

Bij de medische beoordeling die plaatsvond na de ziekmelding van eiseres is door verzekeringsarts Bouman op 2 januari 2018 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld geldend vanaf 1 juni 2017. Bouman heeft eiseres onder meer beperkt op aspect 5.1 “zitten; beperkt, kan ongeveer een half uur achtereen zitten (maaltijd)”. Verder heeft Bouman eiseres onder meer licht beperkt op aspect 6 “werktijden; licht beperkt, kan gemiddeld ongeveer 6 uur per dag werken en kan gemiddeld ongeveer 30 uur per week werken”.

In aansluiting hierop heeft de arbeidsdeskundige Quataert op 5 januari 2018 geconcludeerd dat eiseres niet geschikt is voor het eigen werk en geeft daarvoor als motivering dat eiseres 8 uur per dag werkzaam was, terwijl zij maar 6 uur belastbaar is en dat eiseres maximaal een half uur aaneengesloten kan zitten, terwijl in haar werk zitten tot 1 uur regelmatig voorkomt.

7.6.

Verzekeringsarts b&b Sprenkels komt ten aanzien van de gestelde urenbeperking tot een andere conclusie. Volgens Sprenkels is een urenbeperking op 1 juni 2016 niet aangewezen. Sprenkels concludeert dat de urenbeperking onvoldoende is gemotiveerd en niet passend is bij de aard en ernst van de geobjectiveerde aandoeningen. Arbeidsrechtelijke aspecten (meer reistijd) moeten hierbij buiten beschouwing blijven. Volgens de rechtbank is de motivering van Sprenkels voldoende overtuigend en bovendien in lijn met later uitgebrachte rapporten van de verzekeringsartsen in de WIA-beoordeling die een urenbeperking evenmin nodig vonden. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten om Sprenkels op dit punt niet te volgen.

7.7.

Met betrekking tot het aspect “zitten” is de rechtbank van oordeel dat onduidelijkheid is blijven bestaan over zowel de belastbaarheid van eiseres als de belasting op dit punt in het eigen werk. Sprenkels stelt dat het eigen werk fysiek niet zwaar belastend was. De werkgever stelt zich op het standpunt dat in het eigen werk vertreden tijdens de werkzaamheden mogelijk was.

In het kader van de EZWB heeft de arbeidsdeskundige Quataert op 5 januari 2018 het volgende gerapporteerd met betrekking tot de belastbaarheid in het eigen werk: “overwegend zittend werk, weinig vertreding (printer en kopieerapparaat staan op afdeling zelf), voortdurend beeldscherm werk, toetsenbord/muisbediening, veel contacten per mail/telefoon, regelmatige deadlines/productiepieken en storingen/onderbrekingen komen regelmatig voor”. Volgens Quataert komt in dit werk zitten tot 1 uur regelmatig voor. Nu eiseres maximaal een half uur aaneengesloten kan zitten, is zij volgens Quataert niet geschikt voor haar eigen werk.

Sprenkels is bij zijn beoordeling van deze werkbeschrijving uitgegaan en stelt op basis daarvan dat eiseres niet ongeschikt is voor haar werk. Dit veronderstelt dat Sprenkels de beperkingen van eiseres op het aspect “zitten” anders heeft vastgesteld. De rechtbank vraagt zich dan ook af of Sprenkels bedoelt dat Bouman de belastbaarheid van eiseres op dit punt onjuist heeft vastgesteld, te meer nu Sprenkels zelf niet specifiek aangeeft hoe lang eiseres aaneengesloten kan zitten.

Uit het voorgaande volgt dat een nadere motivering van de verzekeringsarts b&b en van de arbeidsdeskundige b&b nodig is op het aspect “zitten”. Daarbij is nodig dat duidelijk wordt wat de belastbaarheid van eiseres is op dit punt, te weten kan eiseres maximaal een half uur aaneengesloten zitten? Wanneer deze vraag met ja wordt beantwoord is het vervolgens de vraag of aaneengesloten zitten gedurende langer dan een half uur voorkomt in het eigen werk. Daarbij lijkt het de rechtbank aangewezen dat de arbeidsdeskundige b&b contact opneemt met de werkgever nu deze de opgestelde werkbeschrijving bestrijdt.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

8. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het UWV in de gelegenheid stellen om de verzekeringsarts b&b te vragen wat de belastbaarheid van eiseres is op 1 juni 2016 op het aspect “zitten” en de arbeidsdeskundige b&b te vragen wat de belasting op dit punt is in het eigen werk.

De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

9. De rechtbank zal de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen bepalen op vier weken. Als het UWV hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het UWV dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als het UWV wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.

10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het UWV in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen 4 weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in overweging 7.7 van deze tussenuitspraak is overwogen;

- draagt het UWV op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier, op 18 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.