Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3835

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
02-167850-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW dronken rijder schept fietser met dwarslaesie als gevolg.

Rechtbank haalt fors uit naar de verdachte die schokkende apps stuurt naar vrienden en liegt over drankgebruik en bewustheid ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/167850-18

vonnis van de meervoudige kamer van 18 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. M.A.J. Timmermans Roelands, advocaat te Bergen op Zoom.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

Feit 1: verdachte onder invloed van alcohol een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit is subsidiair tenlastegelegd als het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg. Meer subsidiair als het niet op tijd stoppen/kunnen stoppen met zijn auto, waardoor een aanrijding is ontstaan.

Feit 2: verdachte is doorgereden na het ongeval.

Feit 3: verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 primair en feit 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen. feit 1 acht de officier van justitie bewezen dat verdachte te hard heeft gereden gelet op de situatie ter plaatse en dat hij daardoor zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen. De officier van justitie kwalificeert de schuld van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig. Gelet op de klap van de aanrijding en de schade aan de auto van verdachte, had hij terug moeten lopen naar de plaats van het ongeval om zich te vergewissen van de situatie ter plaatse. Gelet op de diverse getuigenverklaringen in het dossier in combinatie met de analyse door het NFI gaat de officier van justitie ervanuit dat verdachte voorafgaand aan het ongeval meer gedronken had dan de twee biertjes die verdachte beweert gedronken te hebben. Met de bewezenverklaring van feit 3 is tevens de strafverzwarende omstandigheid van feit 1, in eendaadse samenloop, bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair en subsidiair, feit 2 en 3. Voor feit 1 primair en subsidiair kan verdachte kan in strafrechtelijke zin geen verwijt worden gemaakt voor het ongeluk. Hij heeft de fietser niet gezien. Verdachte heeft met alle factoren rekening gehouden en daarop geanticipeerd. Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Omdat verdachte de fietser niet heeft gezien en ook niet redelijkerwijs hoefde te vermoeden dat hij een fietser had aangereden, dient hij ook vrijgesproken te worden van feit 2. Ten aanzien van het alcoholgebruik heeft verdachte verklaard dat hij voorafgaand aan het ongeval twee biertjes heeft gedronken. Na het ongeval heeft hij thuis nog bier gedronken. Uit de getuigenverklaringen volgt ook niet dat verdachte zodanig onder invloed is geweest dat hij wist of moest vermoeden dat hij niet in staat was te rijden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 primair

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als bestuurder van een motorrijtuig een ongeval heeft veroorzaakt. Verdachte is met de linker voorzijde van zijn auto tegen de rechterachterzijde van de driewielfiets van [slachtoffer] aangereden. Ten gevolge van deze aanrijding heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoge, partiele dwarslaesie opgelopen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of dit ongeval is te wijten aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 WVW. Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor iemand zwaar lichamelijk letsel dan wel tijdelijke ziekte of verhindering in de normale bezigheden heeft opgelopen of is overleden. Daarbij dient er minimaal sprake te zijn van een aanmerkelijk onvoorzichtig handelen door verdachte. Bij de beoordeling daarvan komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in voornoemde zin. Daarbij dient ook te worden opgemerkt dat dit niet slechts uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid.

De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen met welke snelheid verdachte heeft gereden en daarmee ook niet dat die snelheid hoger was dan ter plaatse noodzakelijk. Van dit deel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken. De rechtbank stelt wel vast dat verdachte zijn motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en de weg vrij was. Verdachte is immers met zijn motorrijtuig tegen de achterzijde van de driewielfiets van [slachtoffer] gereden, die in dezelfde richting voor verdachte reed. Verdachte heeft hierover zelf in een Whats-app-gesprek met vrienden gezegd dat hij de fietser zag, heeft geprobeerd om uit te wijken maar hem toch geraakt heeft. Ter terechtzitting heeft verdachte volgehouden dat hij de fietser helemaal niet heeft gezien en dat zijn uitlatingen op de app moeten worden gezien als grootspraak en stoerdoenerij. De rechtbank acht dit volstrekt ongeloofwaardig. Het noemen van een fietser in de app verdraagt zich niet met de stelling van verdachte dat hij de fietser niet heeft gezien en deze ongerijmdheid kan ook niet worden verklaard met “stoerdoenerij” want de rechtbank kan niet inzien wat er stoer aan zou kunnen zijn een fietser te noemen die er ( in de beleving van verdachte) niet was. Daarom gaat de rechtbank er van uit dat verdachte [slachtoffer] wel degelijk heeft gezien en dat het ongeval plaats heeft gevonden zoals hij omschrijft in de app.

Verdachte heeft op de zitting ook verklaard dat de fietser wel geen licht aan zal hebben gehad, omdat hij hem anders wel zou hebben gezien. [slachtoffer] daarentegen heeft verklaard dat hij de verlichting aan had staan en uit het technisch onderzoek aan de fiets is gebleken dat de verlichting naar behoren functioneerde. De rechtbank heeft geen reden om aan de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen. Maar voor zover het achterlicht niet aan was, stelt de rechtbank vast dat de fiets in ieder geval zichtbaar was vanwege de omvang en het reflecterend materiaal van het achterlicht op de fiets. Degenen die kort na het ongeval ter plaatse zijn gekomen, zagen op een afstand een rood lichtschijnsel, wat toen zij ter plaatse kwamen het achterlicht van een fiets bleek te zijn. De rechtbank kan gelet op de summiere verklaring niet onomstotelijk vaststellen of dit het brandend of (slechts) reflecterend achterlicht van de fiets van [slachtoffer] is geweest, maar duidelijk zichtbaar was het wel.

Het ongeval vond daarnaast plaats op een rechte weg, zonder omstandigheden of factoren die het zicht ter plaatse belemmeren. Verdachte had de fietser al een tijd kunnen waarnemen, voordat hij hem bereikte.

De rechtbank stelt tevens vast dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol was. Verdachte heeft zelf bij de politie wisselende verklaringen afgelegd over zijn alcoholgebruik met de strekking dat hij met name na het ongeval thuis alcohol gedronken heeft. Daarbij heeft hij sowieso erkend gelogen te hebben over het thuis drinken van 6 à 7 blikjes Bacardi cola. Meteen bij zijn aanhouding thuis heeft verdachte verklaard dat hij ’s nachts nog had zitten zuipen thuis en de bierflessen nog allemaal naast zijn bed zouden staan. Daarop is meteen onderzoek gedaan op de slaapkamer van verdachte en één leeg bierflesje aangetroffen. Naar aanleiding van de latere verklaringen van verdachte heeft de politie nader onderzoek in de woning van verdachte verricht. De onderzoeksresultaten op de twee pas later door verdachte benoemde plekken hebben echter geen andere lege bierflesjes opgeleverd. Gelet op de bevindingen van de politie en de uitlatingen van vrienden van verdachte over het alcoholgebruik van verdachte in het app-gesprek acht de rechtbank ook de verklaring van verdachte dat hij thuis nog meerdere flesjes bier gedronken zou hebben volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte na het ongeval slechts één biertje heeft gedronken. De rechtbank stelt vast dat het alcoholpromillage bij verdachte ten tijde van het ongeval minimaal de door het NFI vastgestelde ondergrens van 392μg/l is geweest. Een dergelijk alcoholpromillage is meer dan toegestaan en heeft een negatieve invloed op het waarnemings- en reactievermogen, zoals die nacht ook is gebleken.

Gelet op de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden van het geval, in combinatie met het feit dat verdachte onder invloed van alcohol was, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen, zoals onder 4.4. omschreven.

Feit 2

Gelet op de klap van het ongeval en de door verdachte even verderop geconstateerde schade aan zijn auto had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij aan een ander schade en letsel had toegebracht. Verdachte had dan ook terug moeten lopen naar de plaats van het ongeval om zich ervan te vergewissen hoe het met [slachtoffer] ging. Verdachte heeft dat echter nagelaten en is naar huis gereden. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het verlaten van een plaats ongeval, zoals onder 4.4 bewezen verklaard .

Feit 3

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op basis van de bevindingen van het NFI en de uitlatingen van vrienden van verdachte in het appgesprek over en de dronken toestand van verdachte toen hij na een avondje stappen naar huis ging met de auto. Zoals onder feit 1 overwogen acht de rechtbank de verklaringen van verdachte dat hij meerdere felsjes bier heeft gedronken toen hij eenmaal thuis was volstrekt ongeloofwaardig. Verdachte moest redelijkerwijs weten dat hij onder zodanige invloed van alcohol verkeerde dat zijn rijvaardigheid verminderd kon worden en hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, (de Noordzeedijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoge partiële dwarslaesie, werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2

op 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, de plaats van het ongeval, te weten de Noordzeedijk, heeft verlaten, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel en schade was toegebracht;

3

op 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaar. Als strafverzwarende omstandigheden heeft de officier van justitie gewezen op het gedrag en de houding van verdachte: iemand die er duidelijk mee weg wil komen en zich op geen enkele manier zorgen heeft gemaakt om het slachtoffer. Daarnaast is verdachte al eerder veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit bij een bewezenverklaring geen gevangenisstraf maar een werkstraf op te leggen. Wanneer verdachte veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf, zal hij zijn baan kwijt raken. Vanwege de noodzakelijkheid van zijn rijbewijs voor zijn werk heeft de verdediging ook bepleit om bij oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid, het onvoorwaardelijk deel niet langer te laten duren dan het jaar dat het rijbewijs van verdachte al ingevorderd is geweest. Verdachte vindt het heel erg wat er gebeurd is en had dit zo nooit gewild. Hij vindt het moeilijk om zijn emoties te uiten. Daarnaast moet er rekening mee worden gehouden dat het ongeval heeft plaatsgevonden in een kleine gemeenschap waardoor verdachte en zijn ouders al publiekelijk aan de schandpaal zijn genageld.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de schuld van verdachte heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, namelijk een hoge partiele dwarslaesie. Na het ongeval heeft verdachte zich niet bekommerd om de vraag wat de gevolgen voor anderen ter plaatse waren maar heeft hij verderop alleen naar zijn eigen auto gekeken en is toen doorgereden naar huis. Achteraf gezien heeft hij daarbij [slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten. Verdachte was ten tijde van het ongeval onder zodanige invloed van alcohol dat hij niet in staat was zijn auto behoorlijk te besturen.

Het leed dat verdachte [slachtoffer] heeft aangedaan, is ontzettend heftig. Hij kan sedert het ongeval eigenlijk alleen zijn hoofd en gezicht nog enigszins bewegen. De rechtbank kan zich geen ergere vorm van zwaar lichamelijk letsel voorstellen dan het letsel van [slachtoffer] . De rechtbank stelt ook vast dat [slachtoffer] zich volledig bewust is van zijn situatie en beperkingen, wat het leed voor hem nog zwaarder maakt. In een emotionele slachtofferverklaring heeft het nichtje van [slachtoffer] benoemd wat de gevolgen voor hem, maar ook voor zijn directe familie, zijn.

Verdachte heeft zich na het ongeval in een app-gesprek met vrienden op weerzinwekkende wijze uitgelaten over het ongeval en [slachtoffer] . Dat verdachte dit probeert af te doen met grootspraak en stoerdoenerij gaat er bij de rechtbank niet in. De rechtbank kan dit alles ook niet plaatsen door het door de verdediging gedane beroep op het niet kunnen uiten van emoties. De uitlatingen hebben niets daarmee te maken maar getuigen van schokkend disrespect voor de heer [slachtoffer] . Ook ter zitting heeft de rechtbank van verdachte het beeld gekregen dat hij op een volstrekt ongeloofwaardige, maar vasthoudende manier heeft geprobeerd aan een veroordeling te ontkomen. Verdachte lijkt zich er daarbij ook geen enkele rekenschap van te geven wat zijn gedrag en houding doen met het slachtoffer en zijn familie.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het LOVS, de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd en met het strafblad van verdachte. Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij al eerder is veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol. Dat is een strafverzwarende factor.

In deze zaak acht de rechtbank de houding en uitlatingen van verdachte na het ongeval, maar ook zijn proceshouding strafverzwarend. Uiteraard staat het een verdachte vrij een proceshouding te kiezen die hij wil. Als deze proceshouding dan echter volstrekt onterecht blijkt te zijn, dient verdachte hiervan zelf de consequenties te dragen. De rechtbank kan dan ook niet anders dan hierop te reageren door aan verdachte een zware sanctie op te leggen nu de strafmaat mede bepaald wordt hoe verdachte met name na het ongeval is omgegaan met zijn verantwoordelijkheden.

De rechtbank stelt tot slot vast dat de redelijke termijn is overschreden met ongeveer 3,5 maand. Deze overschrijding valt echter volstrekt in het niet bij de ernst van het feit en hetgeen hiervoor is overwogen. De rechtbank zal aan de overschrijding dan ook geen gevolgen verbinden voor de op te leggen straf en volstaan met de constatering dat de termijn in enige mate is overschreden.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden opleggen. Daarnaast legt de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de dur van 36 maanden op.

Dat verdachte als gevolg van een gevangenisstraf mogelijk zijn baan verliest, is geen zwaarwegende persoonlijke omstandigheid voor de rechtbank om een andere strafmodaliteit op te leggen. Het mogelijk verlies van een baan geldt voor iedereen die een gevangenisstraf krijgt opgelegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 6, 7, 8, 175, 176, en179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, eerste lid van deze wet;

feit 2: Overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3: Overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 36 maanden;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide, voorzitter, mr. Broeders en mr. De Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 augustus 2020.

Mr. Broeders en mr. De Brouwer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, (de Noordzeedijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoge partiële dwarslaesie, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(Artikel art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994, art 6 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 1

Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond b

Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Noordzeedijk, heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn

gebezigd;

(Artikel art 5 Wegenverkeerswet 1994)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de

Noordzeedijk, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, verdachte, in botsing/aanrijding gekomen met een voor hem, verdachte, op de weg bevindende fietser en/of diens fiets;

(Artikel art 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990)

2

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), die bij een verkeersongeval was betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, de plaats van het ongeval, te weten de Noordzeedijk, heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel en/of schade was toegebracht en/of terwijl daardoor naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander ( [slachtoffer] aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

(Artikel art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994)

3

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

(Artikel art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994)

Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000 / 2018 091100 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 255.

2.1

Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] , d.d. 17 mei 2018, pagina 54, inhoudende –zakelijk weergegeven-:

Op zondag 22 april 2018 omstreeks 04 uur ben ik op mijn speciale fiets van Dinteloord

naar België vertrokken. Het was nog donker toen ik thuis vertrok. Het licht op mijn fiets werkte goed. Er zit van voren één koplamp op en vanachter één achterlicht. Ik reed over de Noordzeedijk richting Stampersgat. Door het ongeval heb ik een dwarslaesie, drie gebroken nekwervels en een gescheurde nekwervel opgelopen. Ik ben grotendeels verlamd. Ik kan mijn handen ook niet meer bewegen.

2.2

Letselbeschrijving GGD, door M. Weststrate, forensisch geneeskundige arts M en G, d.d. 4 oktober 2018, pagina 53, inhoudende –zakelijk weergegeven-:

Door het incident is een hoge, gedeeltelijke, dwarslaesie ontstaan. Veroorzaakt door breuken van enkele halswervels. Omdat herstel is uitgebleven kan geconcludeerd worden dat de kans op volkomen genezing klein geacht kan worden. Blijvende beperkingen en verhindering van werkzaamheden zijn zeer waarschijnlijk.
Conclusie: Hoge partiële dwarslaesie.

2.3.

groepsgesprek op What’s app, pagina 137 tot en met 141inhoudende – zakelijk weergegeven-:

22- 04-18, 11:00- [naam 1] : Stampersgat - In de nacht van zaterdag op zondag

een invalidewagen aangereden en achtergelaten op de Noordzeedijk tussen Dinteloord en

Stampersgat. De man is zwaargewond naar een ziekenhuis in Rotterdam gebracht. De

politie is opzoek naar tips over de mogelijk auto die door is gereden. Vermoedelijk gaat

het om een Moondust silver Ford Focus bouwjaar 1998/1999.

De melding kwam rond 04.20 uur binnen bij de meldkamer. Een ambulance en de politie

werden met spoed ter plaatse gestuurd. Later werd ook de traumahelikopter uit

Rotterdam gealarmeerd. De man is volgens de politie zwaargewond naar het Erasmus

MC in Rotterdam gebracht. De politie heeft ter plaatse een mechanische linker

buitenspiegel gevonden van een Moondust silver Ford Focus bouwjaar 1998/1999. Het

voertuig mist ook een wieldop en heeft schade aan de linkerkant.

22-04-18, 11:07 - [naam 2] : Sws [verdachte] geweest

22-04-18, 11:07 - [naam 1] : Kk bizar he hahaha fuckin bezopen naar huis toe

22-04-18, 11:14- [naam 1] : Hahaha ja man stront bezopen naar huis [naam 2] zei nog kijk uit

[verdachte] anders sta je weer onder aan de dijk

22-04-18, 11:19- [verdachte] : Ja die kk kongool

22-04-18, 11:19 - [verdachte] : Ik schrok.me.rot

22-04-18, 11:20 - [naam 1] : Heb je hem goed geraakt of kon je nog net wijken ofzo

22-04-18, 11:20 - [verdachte] : Ja i probeerdw uit te wijken

22-04-18, 11:20 - [verdachte] : Maar raakte hem

2.4

Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 4 augustus 2020, inhoudende –zakelijk weergegeven-:

Ik heb inderdaad deelgenomen aan het app-gesprek van 22 april 2018 dat u mij voorhoudt. Na de klap op de Noordzeedijk die nacht ben ik verderop gestopt en uit mijn auto gegaan. Ik heb toen naar de schade gekeken. Ik had een grote ster in mijn voorruit en een stuk van mijn linker voorbumper was er af. Ik heb toen ook gezien dat de linkerzijspiegel van de auto er af was. Daarna ben ik naar huis gereden.

2.5

Het proces-verbaal verhoor van getuige [getuige] , pagina 58, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op 22 april 2018 rond kwart over vier 's nachts reed mijn man met de auto over de

Noordzeedijk richting Dinteloord. Ik zat naast hem in de auto. Het was donker.

Opeens zag ik dat er iets op de weg stond met een rood lichtschijnsel. Toen we

dichterbij kwamen zag ik dat het achterlicht was van een fiets die beschadigd was en dat

er in de buurt van die fiets een gewonde man midden op de weg lag.

2.6

De twee foto’s waarop het achterlicht van de fiets van [getuige] is te zien op p. 249.

2.7

Het proces-verbaal bedienaar ademanalyse apparaat, pagina 149 tot en met 150a, inhoudende – zakelijk weergegeven -:

Op 22 april 2018 om 12.55 uur heeft verdachte meegewerkt aan een ademonderzoek dat is voltooid. Het onderzoeksresultaat van dit ademonderzoek bedroeg 110 ug/1.

2.8

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Alloo, pagina 41 en 42, inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Op 22 april 2018 heb ik op de slaapkamer van verdachte één leeg flesje Heinekenbier zien staan.

2.9

NFI-rapport Herberekening ademalcoholconcentratie d.d. 6 maart 2019, pagina 153 tot en met 157, inhoudende – zakelijk weergegeven- :

Vraagstelling

Wat is het ademalcoholgehalte indien gecorrigeerd wordt voor het drinken van één flesje bier, merk Heineken na het tijdstip van het voorval en voor het tijdstip van de ademanalyse en gecorrigeerd wordt voor het tijdverloop tussen tijdstip van voorval (04:20 uur en het tijdstip van ademanalyse (12:55 uur)?

Resultaten en conclusie

Het tijdsverloop tussen het voorval en de ademanalyse betreft ongeveer 8,5 uren.

Voor de berekening wordt aangenomen dat:

- de opname van ethanol in het bloed voltooid was;

- het lichaamsgewicht van de man 84 kg is;

- het verdelingsvolume 0,7 l/kg is;

- het volume van een flesje bier, merk Heineken 300 ml is;

- het alcoholpercentage van bier 5 % v/v is;

Op grond van de bovengenoemde gegevens zal de ademalcoholconcentratie ten gevolge van het drinken van één flesje bier, merk Heineken toegenomen zijn met 88 μg/l.

Op grond van de bovengenoemde gegevens zal de ademalcoholconcentratie in de

vermelde tijdsduur (8,5 uren) afgenomen zijn met 370 tot 924 μg/l. Na combinatie van zowel de correctie van het drinken na het voorval als correctie van het tijdsverloop kunnen de volgende grenzen worden berekend, waar tussen de ademalcoholconcentratie ten tijde van het voorval heeft gelegen:

Ondergrens : 110 pg/l - 88 + 370 = 392 μg/l.

Bovengrens : 110 pg/l - 88 + 924 = 946 μg/l.

2.10

Verkeersongevallenanalyse, pagina 186 tot en met 201, inhoudende –zakelijk weergegeven-:

2.2.

Omschrijving plaats ongeval

Op de plaats ongeval zagen wij het navolgende:

Het ongeval had plaatsgevonden op het wegvak van de Noordzeedijk, gelegen tussen de Symbiose en de Kreekweg, te Dinteloord, gemeente Steenbergen.

2.3.6

Uitzicht (weg)

Wij zagen dat de wegsituatie en het zicht op de verkeersmaatregelen op de Noordzeedijk in de door betrokkene gevolgde rijrichting duidelijk en overzichtelijk was.

Wij zagen op, boven en langs de weg geen uitzichtbelemmerende omstandigheden die mogelijk de oorzaak, gevolgen of de toedracht van het ongeval, zouden kunnen hebben beïnvloed.

5.2

Toedracht:

Op zondag 22 april 2018 vond op de Noordzeedijk te Dinteloord een verkeersongeval plaats waarbij de bestuurder van een personenauto met zijn voertuig achterop een in dezelfde richting over de Noordzeedijk rijdende fietser was gebotst. Ten gevolge van deze botsing met de personenauto werd de bestuurder van de fiets naar de linkerzijde weggestoten en kwam, vermoedelijk met zijn hoofd, ongeveer 3 meter voorbij de botsplaats op het wegdek terecht waarna hij nog ongeveer 5 meter doorschoof over het wegdek om op de positie waar hij is aangetroffen tot stilstand te komen.

Waarschijnlijk is de bestuurder van de personenauto ongeveer 54 meter voorbij de eindpositie van de fiets gestopt.

2.11

Het proces-verbaal Forensisch Voertuigonderzoek, pagina 219 tot en met 255, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

1.2.

Beknopte ongevalsbeschrijving

Op zondag 22 april 2018, omstreeks 04.15 uur had op de Noordzeedijk te Dinteloord, gemeente Steenbergen een aanrijding plaatsgevonden tussen een personenauto en een 3 wielige fiets.

2.2.1

Schade personenauto

Wij onderzochten het voertuig en stelden het volgende vast:

Dit voertuig aan de linker voorzijde relevante schade vertoonde:

• voorruit links onder vernield

• bumper link voor vernield

• spiegel linker voorportier afgebroken

• deuk in linker achterportier

• sierdop linker voorwiel ontbreekt

• beschadigingen aan de dakrail linker zijde

• dakstijl boven linker portier vertoond een veeg

2.3.6

Inpassing voertuigen

De foto’s 51 tot en met 56 waarop te zien is hoe de (schade aan de) linkervoorkant van de personenauto past in de (schade aan de) rechterachterkant van de fiets.