Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3823

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
AWB- 19 _ 5440
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BELEI

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5440 BELEI

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] te [plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen,

en

de Minister voor Medische Zorg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 5 juli 2019 (primair besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres voor een tegemoetkoming Q-koorts afgewezen.

In het besluit van 9 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 29 juni 2020.

Hierbij waren aanwezig eiseres met haar gemachtigde, en namens de minister mr. E. van Brandwijk.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Op 12 oktober 2018 heeft eiseres aan aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming Q-koorts. Op het aanvraagformulier heeft eiseres verklaard dat zij nabestaande is van een patiënt, [naam patient] , die is gediagnosticeerd met en overleden aan chronische Q-koorts als gevolg van een besmetting in de periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2011.

De minister heeft de huisarts van [naam patient] gevraagd om de verklaring van eiseres te bevestigen. De huisarts heeft op 16 november 2018 verklaard dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de verklaring te bevestigen.

De minister heeft de aanvraag en het medisch dossier van [naam patient] vervolgens ter toetsing voorgelegd aan de medische commissie voor Q-koortszaken. De medische commissie heeft op 28 mei 2019 haar oordeel uitgebracht. Vervolgens heeft de minister de aanvraag afgewezen. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd het oordeel van de medische commissie, dat een Q-koortsinfectie kon worden aangetoond in mei 2009, maar dat betrokkene is overleden in januari 2017 en dat er geen relatie kan worden gelegd met de doorgemaakte Q-koortsinfectie. De medische commissie heeft geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn voor een chronische Q-koorts. Ook kan volgens de medische commissie niet worden geconcludeerd dat er sprake was van Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS) of een QVS-gelijkend ziektebeeld.

Het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit is door de minister ongegrond verklaard. Het primaire besluit is daarmee in stand gebleven.

2. De rechtbank dient te beoordelen of de minister de aanvraag van eiseres op goede gronden heeft afgewezen.

3. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een deugdelijke motivering, althans dat het niet is voorbereid met de nodige zorgvuldigheid. Daarnaast stelt eiseres dat de Beleidsregel ruimer had moeten worden geïnterpreteerd. Zij merkt in dat verband op dat de in dat artikel vervatte causaliteitseis meebrengt dat een Q-koortspatiënt of een patiënt met QVS of een op QVS gelijkend ziektebeeld in beginsel in aanmerking kan komen voor tegemoetkoming. Daarbij moet het volgens haar voldoende zijn dat er sprake is van een indirecte aanwijzing. Eiseres merkt daarbij ook op dat Q-koorts tot een chronische infectie kan leiden.

4. De rechtbank ziet zich in eerste instantie voor de vraag of het bestreden besluit is gebaseerd op een juiste wettelijke grondslag. Daarover bestaat tussen partijen verschil van inzicht. In het bestreden besluit is artikel 5 van Beleidsregel als wettelijke grondslag vermeld, terwijl eiseres in haar beroepschrift verwijst naar artikel 4. Dat onderscheid is wezenlijk, omdat de regels om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen voor Q‑koortspatiënten ruimer zijn dan voor nabestaanden. Nabestaanden komen alleen voor een tegemoetkoming in aanmerking als de patiënt is gediagnosticeerd met en overleden met chronische Q-koorts, terwijl Q-koortspatiënten ook voor een tegemoetkoming in aanmerking komen bij een diagnose QVS of een op QVS gelijkend ziektebeeld.

Toen eiseres haar aanvraag indiende, gold de Beleidsregel tegemoetkoming Q-koorts. Deze is per 1 augustus 2019 vervallen. Op die datum is de Beleidsregel tegemoetkoming Q-koorts 2019 in werking getreden, waarin de regeling op een aantal punten is aangepast/verruimd. Omdat het bestreden besluit na die datum is genomen, heeft de minister aan de Beleidsregel tegemoetkoming Q-koorts 2019 (hierna: de Beleidsregel) getoetst.

De rechtbank stelt vast dat artikel 4 van de Beleidsregel van toepassing is op aanvragen van Q-koortspatiënten. Artikel 5 geldt specifiek voor aanvragen van nabestaanden. De minister heeft de aanvraag van eiseres dus terecht getoetst aan artikel 5 van de Beleidsregel. Het standpunt van eiseres, dat de minister de Beleidsregel te eng heeft geïnterpreteerd omdat niet is onderzocht of er bij [naam patient] sprake was van een op QVS gelijkend ziektebeeld, kan derhalve niet slagen.

5. Ingevolge artikel 5 van de Beleidsregel kan de nabestaande van een patiënt die is overleden met chronische Q-koorts, of kunnen nabestaanden gezamenlijk in aanmerking komen voor een tegemoetkoming, indien de desbetreffende patiënt voor 1 oktober 2018 is gediagnosticeerd met en overleden met chronische Q-koorts, als gevolg van een besmetting met Q-koorts in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2012.

6. De minister stelt terecht dat de diagnose ‘chronische Q-koorts’ een voorwaarde is om in aanmerking te kunnen komen voor een tegemoetkoming en dat een indirecte aanwijzing niet voldoende is. Volgens de minister staat wel vast dat de echtgenoot van eiseres in 2009 een Q-koortsinfectie heeft opgelopen. Ook wordt uit het medisch dossier van de echtgenoot van eiseres volgens de minister wel duidelijk dat hij jaren last heeft gehad van ernstige klachten en problemen in zijn functioneren, maar de diagnose is nooit gesteld.

Dat de diagnose ‘chronische Q-koorts’ bij [naam patient] niet is gesteld, staat vast. Eiseres heeft schriftelijk en ter zitting toegelicht dat zij ervan overtuigd is dat haar man aan chronische Q‑koorts leed en dat zij vermoedt dat hij daaraan ook is overleden, maar volgens haar is het destijds niet goed onderzocht. Nu de diagnose echter niet door een arts is gesteld en geregistreerd, kan dat niet tot een tegemoetkoming op grond van artikel 5 van de Beleidsregel leiden.

De minister heeft dus terecht aangenomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de zin van artikel 5 van de Beleidsregel.

7. In artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bevoegdheid neergelegd voor een bestuursorgaan om van een beleidsregel af te wijken. In dat artikel is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Eiseres heeft zich ter zitting op die afwijkingsbevoegdheid beroepen.

De minister heeft in reactie daarop toegelicht dat volgens hem van ‘bijzondere omstandigheden’ als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb geen sprake is. De minister heeft daarbij toegelicht dat in de Beleidsregel bewust strikte voorwaarden zijn gesteld, en dat daar niet snel van wordt afgeweken. De minister heeft ter zitting toegelicht dat er twee situaties zijn geweest waarin de minister heeft afgeweken van de beleidsregels, namelijk een situatie waarin een QVS-patiënt zelfmoord heeft gepleegd en een situatie waarin een QVS-patiënt euthanasie heeft laten plegen. Die gevallen zijn volgens de minister niet vergelijkbaar omdat er in de genoemde situatie een direct verband te leggen was tussen de doodsoorzaak en de QVS, en in de situatie van [naam patient] een andere doodsoorzaak niet kan worden uitgesloten. De rechtbank acht het niet onredelijk dat de minister bij het verstrekken van tegemoetkomingen zeer terughoudend afwijkt van de Beleidsregel en is van oordeel dat de minister in redelijkheid heeft overwogen dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

8. Het beroep is ongegrond.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 13 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.