Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3793

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
14-08-2020
Zaaknummer
BRE 20/7073 en 20/7075
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

13b Opiumwet. Sluiting woning te Tilburg voor de duur van zes maanden. De burgemeester kon in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7073 WET VV en BRE 20/7075 WET

uitspraak van 14 augustus 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. L.L. Ross,

en

De burgemeester van de gemeente Tilburg (de burgemeester), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juni 2020 (het bestreden besluit) van de burgemeester over de sluiting van de woning aan [adres] voor de duur van 6 maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 10 augustus 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.J. van den Biggelaar.

Feiten en omstandigheden

1. Verzoeker is eigenaar van de woning aan [adres] en woont daar ook. Op 7 oktober 2019 heeft de politie een doorzoeking verricht in de woning naar aanleiding van binnengekomen informatie waaruit bleek dat er (vuur-)wapens in de woning aanwezig zouden zijn. Bij de doorzoeking heeft de politie 2.829 gram MDMA-pillen en 809 gram amfetamine aangetroffen in het bedmeubel, het bureau en een kluis in de slaapkamer van verzoeker. Daarnaast is er een doos met nieuwe, ongebruikte gripzakjes van 3 x 3 cm aangetroffen.

Bij brief van 26 december 2019 heeft de burgemeester aan verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is aan hem een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet op te leggen, waarbij verzoeker zal worden gelast om de woning te sluiten en afgesloten te houden voor de duur van 6 maanden. Bij e-mail plus aanvulling daarop van 26 december 2019 heeft verzoeker zijn zienswijze tegen dat voornemen kenbaar gemaakt.

De burgemeester heeft in de zienswijze van verzoeker geen aanleiding gezien om af te wijken van zijn voornemen. Bij besluit van 11 februari 2020 (het primaire besluit) heeft de burgemeester verzoeker gelast de woning met ingang van 2 maart 2020 voor een periode van 6 maanden te sluiten en afgesloten te houden. Wanneer de woning op dat moment niet is afgesloten, zal de burgemeester het pand met toepassing van bestuursdwang laten afsluiten.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 23 maart 2020 heeft de burgemeester medegedeeld de uitvoering van het besluit voor onbepaalde tijd uit te stellen in verband met de maatregelen rondom het coronavirus. Daarop heeft verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met het verzoek de burgemeester te veroordelen in de proceskosten. Bij uitspraak van 21 april 2020 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen (zaaknummer BRE 20/4951 VV).

Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn bezwaren mondeling toe te lichten. In het bestreden besluit heeft de burgemeester vervolgens besloten om over te gaan tot effectuering van het besluit met ingang van 24 juni 2020. De burgemeester heeft toegezegd dat hiermee zal worden gewacht tot 3 dagen na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Standpunt van verzoeker

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij de politie zelf naar de kluis heeft geleid waarin (het overgrote deel van) de drugs zich bevonden. Hij heeft direct en consequent verklaard dat deze niet van hem waren, maar dat hij deze onder druk moest bewaren voor [een lid van motorclub X] . Volgens verzoeker kunnen de aangetroffen gripzakjes op zichzelf niet in verband worden gebracht met drugshandel. Een weegschaal om de hoeveelheid af te wegen is dan bijvoorbeeld ook noodzakelijk, maar die is niet aangetroffen. Er is dus onvoldoende bewijs voor de veronderstelling dat hij in drugs handelt. De belangenafweging in het kader van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet volgens verzoeker in zijn voordeel uitpakken. Het bestreden besluit raakt zijn belangen en die van zijn gezin en ex-partner onevenredig hard, terwijl het geen verstoring van de openbare orde of veiligheid wegneemt. Op geen enkele wijze is immers komen vast te staan dat de woning een schakel is in de keten van drugshandel. Verzoeker voert verder aan dat zijn ex-partner een winkel heeft waarvan de voorraad wordt opgeslagen in de vriescel in de woning van verzoeker. Deze kan nu niet meer worden gebruikt en de houdbaarheidsdatum van de producten zal verstrijken. De voorraad kan niet elders worden opgeslagen, er is geen financiële ruimte om dat te doen. Ook gaat het sinds het bestreden besluit slechter met het gezin van verzoeker: er is sprake van alcoholproblematiek bij zijn vriendin en de opvoeding van hun zoon heeft er onder te lijden, daarom is de hulp van Impegno ingeschakeld. Verzoeker heeft ter onderbouwing een ‘beknopt plan jeugdhulp’ overgelegd. Ook is verzoeker werkloos geraakt.

Beoordelingskader voorlopige voorziening

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Wettelijk kader

4.1

In artikel 2 van de Opiumwet is - voor zover van belang - bepaald, dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren of aanwezig te hebben.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

MDMA en amfetamine staan op lijst I.

4.2

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

In artikel 4:84 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

4.3

De burgemeester heeft invulling gegeven aan de bevoegdheid die hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomt, middels vaststelling van de ‘Beleidsregels artikel 13b Opiumwet’ (hierna: de beleidsregels).

In deze beleidsregels is bepaald dat bij een eerste constatering van overtreding van de Opiumwet, waarbij sprake is van handel in harddrugs in of vanuit een woning of daarbij behorende erven met een handelsvoorraad van meer dan 0,5 gram, sluiting voor een periode van 3 maanden volgt. Tevens is bepaald dat indien er grootschalige handel in harddrugs plaatsvindt met een hoeveelheid van meer dan 1000 gram en/of meer dan 2000 pillen, er sprake is van een zeer ernstig geval waarbij de sanctie wordt opgelegd die hoort bij de tweede of volgende constatering, in dit geval: 6 maanden.

Overwegingen

Bevoegdheid tot handhavend optreden

5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4083) is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden ‘daartoe aanwezig’ moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de drugs in beginsel (mede) bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het is dan vervolgens aan de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken.

6. Verzoeker betwist niet dat er 2.829 gram MDMA-pillen en 809 gram amfetamine in zijn woning zijn aangetroffen. Daarmee is sprake van een forse overschrijding van de grens van 0,5 gram en is aannemelijk dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs (mede) bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking. De burgemeester heeft de aangetroffen doos met nieuwe en ongebruikte gripzakjes aan kunnen merken als een extra aanwijzing dat de drugs bestemd waren voor de handel. Het enkele feit dat er geen weegschaal is aangetroffen is onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te maken.

7. De burgemeester heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht geconcludeerd dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs (mede) bestemd was voor de verkoop, aflevering en verstrekking. Gelet hierop is de burgemeester bevoegd om met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en de beleidsregels sluiting van de woning voor de duur van 6 maanden te gelasten.

Gebruikmaking van de bevoegdheid tot handhaving

8. Het voorgaande betekent niet zonder meer dat de burgemeester terecht tot sluiting heeft besloten. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De burgemeester moet alle omstandigheden van het geval betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden. Bij deze beoordeling is in de eerste plaats van belang in hoeverre sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van het pand evenredig is (zie de (overzichts)uitspraak van de AbRvS van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912).

Noodzakelijkheid

9. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS volgt dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd (zie de bijvoorbeeld de uitspraak van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1435). Verzoekers stelling dat niet bewezen is dat hij drugs heeft verhandeld, doet dan ook geen afbreuk aan de noodzaak van de sluiting. Gelet of de zeer grote hoeveelheid harddrugs die in dit geval is aangetroffen, heeft de burgemeester aannemelijk mogen achten dat de woning van verzoeker een schakel vormde in de keten van drugshandel. Handel in drugs leidt tot verstoring van de openbare orde en aantasting van het woon- en leefklimaat. De sluiting is noodzakelijk om de openbare orde te herstellen.

Evenredigheid

10.1

Verzoeker heeft verklaard dat hij de aangetroffen harddrugs onder druk in zijn woning moest bewaren voor [een lid van motorclub X] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt dit echter niet dat er sprake is van een situatie waarbij de verwijtbaarheid aan de zijde van verzoeker ontbreekt. Verzoeker heeft door het beschikbaar stellen van zijn woning om de drugs te bewaren een bewuste keuze gemaakt en daarbij een risico genomen waarvan de gevolgen voor zijn rekening komen.

10.2

Dat de voorraad van de winkel van verzoekers ex-partner in zijn woning is opgeslagen, maakt niet dat de belangenafweging in het voordeel van verzoeker dient uit te pakken. Dit heeft immers geen betrekking op (de belangen van) verzoeker en zijn gezin. Bovendien heeft zij geruime tijd de gelegenheid gehad om de producten elders te stallen en/of te verkopen. Het minderjarige zoontje dat verzoeker met zijn ex-partner heeft, kan bovendien bij zijn moeder verblijven gedurende de sluiting van de woning.

10.3

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de alcoholproblematiek van de vriendin van de verzoeker en verzoekers werkloosheid niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden, aangezien gesteld noch gebleken is dat deze het directe gevolg zijn van het bestreden besluit. Bovendien is ter zitting gebleken dat verzoeker inmiddels een nieuwe baan heeft gevonden.

10.4

Verzoeker woont met zijn vriendin en hun 8-jarige zoontje in de woning. De aanwezigheid van minderjarige kinderen in een woning is op zichzelf echter geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de burgemeester van sluiting moet afzien. In beginsel zijn de ouders van minderjarige kinderen immers zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte. Verzoeker heeft verklaard dat hij mogelijk met zijn gezin kan verblijven bij zijn dochter en kleinkind in de stacaravan die op zijn perceel staat, aangezien het bestreden besluit enkel ziet op de woning. Hij heeft niet onderbouwd dat zij als alternatief niet bij (andere) familie of vrienden terecht kunnen of dat hij financieel niet in staat zou zijn ergens anders met hen te verblijven. Bovendien heeft de burgemeester verzoeker er in het voornemen en in het primaire besluit gewezen dat hij terecht kan bij Traverse als hij zelf niet voor vervangende woonruimte kan zorgen. Ter zitting heeft de burgemeester aangegeven dat Traverse passende opvang kan regelen voor minderjarige kinderen en hun ouders. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt het feit dat jeugdhulp is ingeschakeld voor het zoontje van verzoeker daarbij niet dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Uit het overgelegde jeugdhulpplan blijkt dat verzoeker en zijn vriendin meer op één lijn willen komen in de opvoeding en handvatten willen voor het stellen van regels en grenzen aan zijn gedrag. Die hulp is niet woning gebonden en kan ook elders plaatsvinden.

10.5

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning.

Conclusie

11. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Er is daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de AbRvS. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de AbRvS worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.