Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3789

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
AWB- 20_6846
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AVG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6846 AVG

uitspraak van 13 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

Procesverloop

De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 4 juni 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de heffingsambtenaar op het bezwaar van eiser inzake het verzoek om inzage in persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 12 december 2019 (primair besluit) heeft de heffingsambtenaar besloten op het verzoek tot inzage in persoonsgegevens op grond van de AVG.

De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 29 januari 2020 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

De gemachtigde van eiser heeft de heffingsambtenaar bij brief van 20 april 2020 medegedeeld dat er niet voortvarend is gehandeld nu er nog niet is beslist op het bezwaarschrift. De gemachtigde van eiser verzoekt de heffingsambtenaar alsnog zo spoedig mogelijk op het bezwaarschrift te beslissen.

Op 17 juni 2020 heeft de gemachtigde van eiser digitaal beroep ingesteld tegen het door de heffingsambtenaar niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van eiser.

De heffingsambtenaar heeft bij brief van 2 juli 2020 stukken en een verweerschrift ingediend.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb). Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, van de Awb). Indien de heffingsambtenaar een bezwarenadviescommissie instelt, is de beslistermijn twaalf weken na de dag waarop de bezwaartermijn verstreken is (artikelen 7:10, eerste lid, en 7:13 van de Awb).

3. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 2 juli 2020 stukken en een verweerschrift ingediend. De heffingsambtenaar gaat er ten onrechte vanuit dat het beroep niet tijdig beslissen ziet op het bezwaar van eiser gericht tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Uit het beroepschrift van 4 juni 2020 blijkt duidelijk dat de gemachtigde van eiser beroep instelt tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 29 januari 2020 gericht tegen de beslissing van 12 december 2019 waarmee is beslist op het verzoek tot inzage op grond van de AVG van 1 december 2019.

Nu de heffingsambtenaar niet aan zijn verplichting heeft voldaan om de juiste stukken en een op dit beroep toegespitst verweerschrift in te dienen, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de gemachtigde van eiser bij brief van 1 december 2019 een verzoek om inzage op grond van de AVG heeft ingediend.

Op grond van artikel 12, derde lid, van de AVG verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. In artikel 34 van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming is bepaald dat een schriftelijke beslissing op het verzoek geldt als een besluit in de zin de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank merkt de brief van 12 december 2019 ondanks het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing aan als een besluit in de zin van de Awb waartegen bij brief van 29 januari 2020 tijdig bezwaar is gemaakt. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar – indien zij gebruik maakt van een bezwarenadviescommissie – uiterlijk op 16 april 2020 had moeten beslissen. Deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat de gemachtigde van eiser de heffingsambtenaar bij brief van 20 april 2020 rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken.

Het beroep is kennelijk gegrond.

4. In artikel 4:17 van de Awb is bepaald dat als een beschikking niet op tijd wordt genomen, het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb).

De heffingsambtenaar heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling de dagtekening 28 november 2019 heeft en op 3 december 2019 bij de heffingsambtenaar is ontvangen. De rechtbank constateert dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken, en dat de heffingsambtenaar nog steeds niet op het bezwaarschrift heeft beslist. De rechtbank oordeelt dan ook dat de heffingsambtenaar inmiddels het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd.

5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Gezien de maatregelen die op dit moment in Nederland gelden om verspreiding van het corona-virus COVID-19 te voorkomen, is er nu naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid van de Awb. De rechtbank zal daarom bepalen dat de heffingsambtenaar binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit moet nemen en verzenden.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat Rijkswaterstaat een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar;

  • -

    draagt de heffingsambtenaar op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op het bezwaar bekend te maken;

  • -

    stelt de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;

  • -

    bepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

  • -

    draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.