Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3788

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
AWB- 20_7033
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7033 PW

uitspraak van 13 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. R. Deniz,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, verweerder.

Procesverloop

De gemachtigde van eiseres heeft op 17 juni 2020 digitaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op het bezwaar van eiseres inzake de intrekking van de uitkering op grond van de Participatiewet vanaf 12 juni 2019.

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 15 juli 2019 (primair besluit) heeft het college de uitkering van eiseres met ingang van 12 juni 2019 ingetrokken.

De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 23 juli 2019 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 25 augustus 2019 zijn de gronden aangevuld.

De gemachtigde van eiseres heeft het college bij brief van 14 januari 2020 gevraagd wanneer een beslissing zal worden genomen op het bezwaarschrift.

Op 17 juni 2020 heeft de gemachtigde van eiseres digitaal beroep ingesteld tegen het door het college niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres.

Bij brief van 2 juli 2020 heeft de rechtbank aan het college gevraagd de op de procedure betrekking hebbende stukken in te dienen. Daarnaast is het college verzocht in een verweerschrift aan te geven of de beslistermijn is overschreden, wat de reden is van de overschrijding van de beslistermijn en binnen welke termijn een besluit is te verwachten. Daarnaast is het college gevraagd, indien paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is, of een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb is verbeurd en zo ja tot welk bedrag.

Omdat het college niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn heeft gereageerd op de brief van 2 juli 2020, heeft de rechtbank het college bij aangetekende brief van 20 juli 2020 een herinnering toegezonden. Tot op heden heeft de rechtbank van het college geen stukken en ook geen verweerschrift ontvangen.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb). Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, van de Awb). In dit geval heeft het college een bezwarenadviescommissie ingesteld, zodat de beslistermijn twaalf weken is na de dag waarop de bezwaartermijn verstreken is (artikelen 7:10, eerste lid, en 7:13 van de Awb).

3. Nu het college niet aan zijn verplichting heeft voldaan om de stukken en een verweerschrift in te dienen, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de gemachtigde van eiseres een tijdig bezwaarschrift heeft ingediend en dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat de brief van 14 januari 2020 aangemerkt wordt als een geldige ingebrekestelling en dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken.

Het beroep is kennelijk gegrond.

4. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Gezien de maatregelen die op dit moment in Nederland gelden om verspreiding van het corona-virus COVID-19 te voorkomen, is er nu naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid van de Awb. De rechtbank zal daarom bepalen dat het college binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit moet nemen en verzenden.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat Rijkswaterstaat een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding het college te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar;

  • -

    draagt het college op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op het bezwaar bekend te maken;

  • -

    bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.