Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3771

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
AWB- 19 _ 6136
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6136 AOW

uitspraak van 13 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , wonende te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat te Breda

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Breda, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 12 maart 2019 (primaire besluit) heeft de SVB de AOW-uitkering van eiser met ingang van 11 juli 2015 herzien van de norm voor een alleenstaande naar de norm voor iemand die getrouwd is.

In het besluit van 18 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft de SVB het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 3 juli 2020.

Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde en mr. A. Marijnissen namens de SVB.
Eiser zelf was niet aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser ontving sinds 11 juli 2015 een uitkering op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW, hierna “pensioen”) naar de norm voor een alleenstaande.

De SVB heeft in 2019 uit de Basisregistratie personen een melding ontvangen dat eiser op

11 april 2006 getrouwd is met mevrouw [naam partner] .

Bij het primaire besluit heeft de SVB het pensioen van eiser herzien van de norm voor een alleenstaande naar de norm voor iemand die getrouwd is. Eiser heeft daardoor over de periode van juli 2015 tot en met februari 2019 een bedrag van € 15.401,19 bruto te veel ontvangen.


Bij brief van 12 maart 2019 heeft de SVB aangekondigd dat de SVB van plan is om het teveel ontvangen bedrag van eiser terug te vorderen en om hem een boete op te leggen van

€ 5.533,33. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze hierover duidelijk te maken.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en tegen de aangekondigde terugvordering en boete. Eiser heeft er daarbij op gewezen dat zijn echtgenote in 2008 het land is uitgezet omdat zij niet over een verblijfsvergunning beschikte. Eiser en zijn echtgenote leefden daarom gescheiden en moeten als duurzaam gescheiden levend worden aangemerkt. Pas sinds 10 januari 2019 beschikt de echtgenote over een verblijfsvergunning en sinds 11 januari 2019 wonen eiser en zijn echtgenote weer samen in Nederland.

Bij het bestreden besluit heeft de SVB het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en heeft de SVB het bezwaar tegen het voornemen tot terugvordering en het opleggen van een boete niet-ontvankelijk verklaard.

2. De wettelijke bepalingen die in deze zaak van belang zijn, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij van 2008 tot 2019 gescheiden heeft geleefd van zijn echtgenote. Volgens eiser is het niet terecht dat de SVB vindt dat er geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.

4. De vraag is of eiser vanaf zijn pensioendatum (11 juli 2015) recht had op een pensioen voor iemand die niet getrouwd is of voor iemand die wel getrouwd is.

De rechtbank is het met de SVB eens dat eiser recht had op het pensioen voor iemand die getrouwd is. Dit wordt als volgt gemotiveerd.

5. Uit rechtspraak van de hoogste rechter in Nederland in AOW-zaken (de Centrale Raad van Beroep, CRvB) blijkt dat in het algemeen mag worden aangenomen dat echtgenoten na hun huwelijk - al dan niet op termijn - willen gaan samenwonen. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is sprake als één van hen of zij beiden niet (meer) willen samenwonen én elk hun eigen leven gaan leiden alsof zij niet getrouwd zijn. Hierbij is belangrijk dat het niet meer willen samenwonen en hun eigen leven leiden blijvend is en dit niet meer verandert. Om vast te stellen of sprake is van duurzaam gescheiden leven is niet alleen beslissend of de echtgenoten al dan niet samenwonen. Je kunt samenleven zonder (voortdurend) samen te wonen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:330).

6. Eiser is op 11 april 2006 getrouwd met mevrouw [naam partner] . Mevrouw [naam partner] woonde toen in Nederland. In 2008 is zij uitgezet uit Nederland, omdat zij geen geldige verblijfsvergunning meer had. Daarna verbleef zij in Brazilië. Op 10 januari 2019 kreeg zij weer een verblijfsvergunning en vanaf 11 januari 2019 wonen eiser en mevrouw [naam partner] weer samen in Nederland. In de periode dat mevrouw [naam partner] in Brazilië woonde had eiser eerder dagelijks dan wekelijks contact met haar. Daarnaast kwam mevrouw [naam partner] eenmaal per jaar op vakantie naar Nederland om eiser en hun dochter te zien. In die periode van 2008 tot en met 2018 is mevrouw [naam partner] bezig geweest met (zelf)studie om het inburgeringsexamen te kunnen halen. Zoals de gemachtigde van eiser ter zitting naar voren heeft gebracht, hebben eiser en mevrouw [naam partner] alles geprobeerd om samen te kunnen zijn, ook omdat zij samen een dochter hebben.

7. De rechtbank vindt dat er daarmee geen sprake is van niet wíllen samenwonen, maar van (nog) niet kúnnen samenwonen. Het niet samenwonen (tot 11 januari 2019) was dus niet blijvend en ging nog veranderen. Dit maakt dat volgens de rechtspraak van de CRvB geen sprake is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten. Eiser woonde op 11 juli 2015 niet samen met mevrouw [naam partner] , maar wilde dit wel en is dat ook gaan doen zodra zij een verblijfsvergunning had. Dat dit geen duurzaam gescheiden leven is, volgt uit de recente uitspraak van de CRvB van 5 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:4036), die in cassatie door de Hoge Raad is bevestigd op 29 mei 2020 (ECLI:NL:HR:2020:930).

8. Gelet op de in onderdeel 7. vermelde rechtspraak, heeft de SVB het pensioen van eiser dus terecht veranderd van een pensioen voor een alleenstaande naar een pensioen voor iemand die getrouwd is.

9. De rechtbank geeft eiser daarom geen gelijk. Het beroep is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 13 augustus 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier* rechter


* De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

BIJLAGE

Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Artikel 9, eerste lid, van de AOW bepaalt dat deze wet een bruto-ouderdomspensioen kent voor:

a. de ongehuwde pensioengerechtigde;

b. de gehuwde pensioengerechtigde.

Artikel 17, eerste lid, van de AOW bepaalt dat het ouderdomspensioen door de Sociale verzekeringsbank wordt ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.

Artikel 17a, eerste lid van de AOW bepaalt dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit herziet of intrekt:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;

b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 15, tweede lid, of 49, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat.