Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3762

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
02-110221-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Diefstal auto zus. Mishandeling. Bedreiging. Verlaten plaats na ongeval. Rijden zonder geldig rijbewijs. Rijden onder invloed. Gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/110221-20

vonnis van de meervoudige kamer van 13 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juli 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Van den Oever, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 7

De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- een autosleutel heeft gestolen uit een woning;

- een auto heeft gestolen door gebruik te maken van een uit een woning gestolen autosleutel;

- als bestuurster van een auto opzettelijk een persoon heeft aangereden;

- een politieagent heeft bedreigd;

- twee ruiten heeft vernield;

- als bestuurster van een auto de plaats van het ongeval in ’s-Gravenpolder heeft verlaten;

- als bestuurster van een auto de plaats van het ongeval in Kapelle heeft verlaten.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1, 2, 4, 6 en 7

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten 1, 2, 4, 6 en 7. Zij baseert zich daarbij onder meer op de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 3

De officier van justitie vordert vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit 3. Naar de opvatting van de officier van justitie kan niet worden bewezen dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. Wel levert de onweersproken feitelijke handeling van verdachte een eenvoudige mishandeling op, zodat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het subsidiair ten laste gelegde feit 3.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 5

De officier van justitie vordert vrijspraak van het ten laste gelegde feit 5 wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1, 2, 4, 6 en 7

De raadsman van verdachte voert geen bewijsverweer ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1, 2, 4, 6 en 7.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 3:

De raadsman van verdachte bepleit vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit 3, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van de onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 5

De raadsman van verdachte bepleit vrijspraak van de onder feit 5 ten laste gelegde vernieling wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1, 2, 6 en 7

Omdat verdachte ten aanzien van deze feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte van [naam 1] d.d. 20 april 2020, pagina’s 22 en 23;

- de aangifte van [naam 2] d.d. 20 april 2020, pagina 46;

- de aangifte van [naam 3] d.d. 21 april 2020, pagina’s 51 en 52;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 30 juli 2020.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 3

Verdachte heeft ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde feitelijke handeling bekend dat deze heeft plaatsgevonden. De raadsman van verdachte heeft op dit punt ook geen bewijsverweer gevoerd. Daarom zal de rechtbank verdachte met betrekking tot de feitelijke handeling beschouwen als een bekennende verdachte en volstaan met een opgave van de volgende bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer] d.d. 20 april 2020;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 30 juli 2020.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij tegen de achterzijde van een auto aanreed. Toen verdachte aan de bestuurder van die auto uitlegde dat ze geen rijbewijs had, maar deze aangaf desondanks de politie te willen bellen, raakte verdachte in paniek en wilde ze wegrijden. Bij het wegrijden stapte de bestuurder echter ineens voor haar auto, waardoor verdachte tegen zijn benen aanreed. Verdachte ontkent de bestuurder met opzet te hebben geraakt.

Niet in geschil is dat verdachte als bestuurster van een auto tegen de benen van aangever is aangereden. De vraag die ter discussie staat is of deze feitelijke handeling valt te duiden als een poging tot zware mishandeling dan wel een eenvoudige mishandeling.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat verdachte opzet, al dan niet

in voorwaardelijke zin, had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verklaring van getuige [naam 4] vormt naar het oordeel van de rechtbank ook een contra-indicatie voor het (voorwaardelijk) opzet. Deze getuige heeft immers verklaard dat het allemaal niet hard ging en dat hij sterk het vermoeden had dat verdachte de auto van aangever wilde passeren, maar dat zij de vaardigheden niet had. Dit sluit aan bij de lezing van verdachte over de toedracht. Daar komt bij dat het dossier geen uitsluitsel geeft over letsel dat aangever heeft opgelopen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde eenvoudige mishandeling.

Ten aanzien van het ten laste gelegd feit 4

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte van [naam 5] d.d. 20 april 2020, pagina 67;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 6] d.d. 20 april 2020, pagina’s 69 en 70.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij weliswaar tekeer is gegaan tegen de politie, maar dat zij zich niet kan voorstellen dat zij de in de tenlastelegging vermelde bewoordingen heeft geuit. De aangifte van [naam 5] vindt echter deels steun in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 6] en aan een ambtsedig proces-verbaal wordt bijzondere bewijskracht toegekend. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte die bewoordingen heeft geuit. Verder is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij [naam 5] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat jegens hem geweld zou worden uitgeoefend.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 5

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde vernieling van de ruiten wegens gebrek aan wettig bewijs. De verklaringen in het dossier zijn slechts gebaseerd op vermoedens en niemand heeft daadwerkelijk gezien wie de twee ruiten heeft vernield. Verdachte ontkent bovendien de ruiten te hebben vernield. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1
op 19 of 20 april 2020 te Goes, in een woning aan de [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een autosleutel, die aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2
op 19 of 20 april 2020 te Goes een (personen)auto, die aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen (personen)auto onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van een bij die (personen)auto behorende autosleutel, die zij (kort daarvoor) in de woning van die [naam 1] had gestolen en die (in elk geval) niet voor gebruik door verdachte bestemd was;

3
subsidiair
op 20 april 2020 te Hoogerheide, in de gemeente Woensdrecht, [slachtoffer] heeft mishandeld door als bestuurster van een (personen)auto met de voorzijde van die auto tegen de benen van die [slachtoffer] aan te rijden;

4
op 20 april 2020 in Nederland, [naam 5] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [naam 5] dreigend de woorden toe te voegen dat als zij hem zou tegenkomen zij hem direct een rechtse hoek op zijn neus zou geven en dat zij hem in het gezicht zou willen tuffen en dan hopen dat ze Corona had en dat ze een Albanese vriend had en dat ze die met een aantal anderen op die [naam 5] zou afsturen om zijn hoofd in elkaar te trappen, en "Ik herken je wel hoor, als ik jou in de stad tegen kom, sla ik die bril van je kutkop af. Ik ken nog wat Albanezen en die laat ik je kop helemaal in elkaar puisten.";

6
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging zij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in 's-Gravenpolder op/aan de Populierestraat, op 20 april 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam 2] ) schade was toegebracht;


7
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging zij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in (de gemeente) Kapelle op/aan de Dijkwelsestraat, op 20 april 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam 3] ) schade was toegebracht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake van de bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 192 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met oplegging van de bijzondere voorwaarden als geadviseerd in het reclasseringsrapport van 24 juli 2020.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in de door de officier van justitie gevorderde straf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 19 en 20 april 2020 een reeks aan strafbare feiten gepleegd. Verdachte heeft de avond van 19 april eerst met vrienden doorgebracht, waarbij alcohol is gedronken en harddrugs (cocaïne) zijn gebruikt. Boos en flink onder invloed is zij vervolgens naar de woning van haar zus gegaan. Zonder toestemming van haar zus heeft zij de woning betreden en heeft zij uit de woning haar autosleutels meegenomen. Ook heeft zij vervolgens zonder toestemming de auto van haar zus meegenomen. Zij is met de auto van haar zus gaan rondrijden, terwijl zij onder invloed van drank en drugs verkeerde en niet eens beschikt over een geldig rijbewijs. Gedurende deze autorit heeft verdachte drie aanrijdingen veroorzaakt. Toen de bestuurder van de auto van de eerste aanrijding gegevens met haar wilde uitwisselen, is zij ervandoor gegaan. Hierbij heeft verdachte de bestuurder geraakt, waardoor hij gewond is geraakt aan zijn been. Bij de volgende twee aanrijdingen heeft verdachte schade veroorzaakt aan onder meer een geparkeerde auto en een tuinhek. Uiteindelijk heeft de politie haar slapend in de auto aangetroffen. Tijdens het transport heeft zij ook nog eens op niet mis te verstane wijze dreigementen geuit jegens de politie.

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met de volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feiten: verlaten van de plaats van het ongeval, rijden zonder geldig rijbewijs en rijden onder invloed van drugs en alcohol.

De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan. Voorts neemt de rechtbank de enorme omvang van de feiten in een relatief kort tijdsbestek onder invloed van alcohol en drugs als strafverzwarende factor. Strafverzwarend is ook dat verdachte de dreigementen heeft geuit jegens de politie. Daarnaast neemt de rechtbank het verdachte zeer kwalijk dat haar zus aanvankelijk is aangehouden als verdachte. Door toedoen van verdachte heeft haar zus ten onrechte urenlang in de politiecel doorgebracht.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank onder meer kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 25 juni 2020, waaruit kan worden afgeleid dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor belediging en geweld tegen de politie.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 24 juli 2020. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte op alle leefgebieden problemen had ten tijde van het plegen van de feiten. Hierbij speelden voornamelijk het alcohol- en drugsgebruik van verdachte, haar contacten met familie en kennissen, haar financiële situatie en haar houding een rol. Sinds haar achttiende gebruikt verdachte overmatig alcohol en drugs. Dit gebruik is dermate uit de hand gelopen dat sprake is van een forse verslaving. Wanneer verdachte nuchter is, heeft zij inzicht in haar problemen en is ze bereid te werken aan het oplossen van haar problemen. Al voor het plegen van de feiten had zij hulp gezocht in verband met haar verslaving en financiële problemen. Voor een klinische interventie is bij verdachte echter geen draagvlak. Het recidiverisico wordt ingeschat op gemiddeld. Alles zal sterk afhangen of het verdachte lukt zich te onthouden van alcohol en drugs. Als dat haar lukt, zal de kans op recidive verder afnemen. De reclassering heeft geadviseerd aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende voorwaarden te verbinden: een meldplicht, verplichte gedragsinterventie met betrekking tot middelengebruik, een verplichte ambulante behandeling met een mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname, verplicht begeleid wonen, meewerken aan middelencontroles en het vinden van een zinvolle dagbesteding.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. Een voorwaardelijke straf maakt ook een verplichte begeleiding en behandeling bij verslavingsreclassering Novadic-Kentron mogelijk. Gelet op de problematiek van verdachte die blijkt uit het reclasseringsrapport acht de rechtbank dat ook noodzakelijk.

De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 192 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en met oplegging van de bijzondere voorwaarden als geadviseerd in het reclasseringsrapport.

Gelet op de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die aan verdachte zal worden opgelegd en de tijd die zij inmiddels in voorarrest heeft doorgebracht, is de voorlopige hechtenis van verdachte op 30 juli 2020 opgeheven.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. In het daartoe bestemde voegingsformulier heeft hij echter aangegeven dat de hoogte van de materiële en immateriële schade nog nader moet worden bepaald. Hoewel de benadeelde partij schriftelijk op de hoogte is gesteld van de inhoudelijke behandeling van de zaak is hij niet ter zitting aanwezig om zijn vordering toe te lichten.

Bij deze stand van zaken en bij gebrek aan nadere informatie is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. Onderzoek naar eventuele toewijsbaarheid van een schadevergoeding levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 3, primair, en 5 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de

rechthebbende bevindt;

feit 2: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel;

feit 3, subsidiair: eenvoudige mishandeling;

feit 4: bedreiging met zware mishandeling;

feit 6: overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de

Wegenverkeerswet 1994;

feit 7: overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de

Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 192 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als algemene voorwaarde:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

* dat verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij een reclasseringsinstelling in de regio waar ze gaat wonen (bij voorkeur een SVG instelling),

en zich daarna gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken van de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* dat verdachte gedurende de proeftijd actief deelneemt aan de gedragsinterventie leefstijl-training of ene andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik, waarbij de reclassering bepaalt welke training het precies wordt, en waarbij verdachte zich houdt aan de afspraken en de aanwijzingen die gedurende deze gedragsinterventie door of namens trainer/begeleider aan verdachte worden gegeven;

* dat verdachte, indien de reclassering dat noodzakelijk vindt, zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, onder behandeling stelt van een instelling voor ambulante verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, waarbij verdachte zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, waarbij het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling. Indien daartoe aanleiding bestaat kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

* dat verdachte na haar detentie gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door der reclassering, waarbij verdachte zich houdt aan de huisregels en het dag- programma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest), waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

*dat verdachte meewerkt aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding.

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Goedegebuur, voorzitter, mr. Josten en mr. Anker, rechters, in tegenwoordigheid van Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

13 augustus 2020.

Mr. Goedegebuur en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

1
zij op of omstreeks 19 en/of 20 april 2020 te Goes, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten in een woning gelegen aan de [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een autosleutel, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht)

2
zij op of omstreeks 19 en/of 20 april 2020 te Goes een (personen)auto, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen (personen)auto onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van een een bij die (personen)auto behorende autosleutel, die zij (kort daarvoor) in de woning van die [naam 1] had gestolen en/of die (in elk geval) niet niet voor gebruik door verdachte bestemd was;
(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)

3
zij op of omstreeks 20 april 2020 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen als bestuurster van een (personen)auto (meermalen) met de voorzijde van die auto tegen een/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(Artikel art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 20 april 2020 te Hoogerheide. in elk geval in de gemeente Woensdrecht. [slachtoffer] heeft mishandeld door als bestuurster van een (personen)auto (meermalen) met de voorzijde van die auto tegen een/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] aan te rijden;
(Artikel art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

4
zij op of omstreeks 20 april 2020 in de gemeente Woensdrecht en/of in de gemeente Goes en/of in de gemeente Middelburg, in elk geval in Nederland, [naam 5] heeft bedreigd met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 5] dreigend de woorden toe te voegen dat als zij hem zou tegenkomen zij hem direct een rechtse hoek op zijn neus zou geven en/of dat zij hem in het gezicht zou willen tuffen en dan hopen dat ze Corona had en/of dat ze een Albanese vriend had en dat ze die met een aantal anderen op die [naam 5] zou afsturen om zijn hoofd in elkaar te trappen, en/of "Ik herken je wel hoor, als ik jou in de stad tegen kom, sla ik die bril van je kutkop af. Ik ken nog wat Albanezen en die laat ik je kop helemaal in elkaar puisten.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(Artikel art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

5
zij op of omstreeks 20 april 2020 te Goes opzettelijk en wederrechtelijk twee ruiten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam 7] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
(Artikel art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

6
zij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging zij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in 's-Gravenpolder op/aan de Populierestraat, op of omstreeks 20 april 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam 2] ) schade was toegebracht;
(Artikel art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994)

7
zij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging zij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in (de gemeente) Kapelle op/aan de Dijkwelsestraat, op of omstreeks 20 april 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam 3] ) schade was toegebracht;
(Artikel art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994)

Ad informandum gevoegde strafbare feiten:

8
Hoogerheide, gemeente Woensdrecht
20 april 2020
Verlaten plaats ongeval, veroorzaker, letsel/schade

9
Goes, gemeente Goes
20 april 2020
Als bestuurder motorrijtuig rijden zonder rijbewijs van juiste categorie

10
Goes, gemeente Goes
20 april 2020
Rijden onder invloed van alcohol(bestuurder)