Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3761

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
02-039109-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Afpersing aanzienlijke geldbedragen van kwetsbaar slachtoffer. Uitkeringsfraude gedurende ruim negen jaar. Gevangenisstraf. Proeftijd drie jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02/039109-20

vonnis van de meervoudige kamer van 13 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats]

gedetineerd te P.I. Middelburg, 4337 PE Middelburg, Torentijdweg 1,

raadsman: mr. R.N. Ketelaar, advocaat te Goes.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juli 2020, waarbij de officier van justitie, mr. L. van den Oever, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

1. gedurende een periode van vijftien maanden [slachtoffer 1] heeft gedwongen hem geldbedragen te geven door hem mondeling te bedreigen met geweld;

2. zich gedurende een periode van ruim negen jaren schuldig heeft gemaakt aan uitkeringsfraude;

3. samen met andere personen gedurende een periode van tien maanden [slachtoffer 2] heeft gedwongen hen geldbedragen te geven door hem mondeling te bedreigen met geweld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het

dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 voert de verdediging aan dat verdachte heeft bekend dat hij meermalen tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat als hij niet zou betalen, verdachte zijn oom op hem af zou sturen met Joegoslaven die hem en/of zijn familie zouden ombrengen, en dat hij hem daarmee heeft gedwongen tot de afgifte van in totaal € 14.550,-. Er is echter onvoldoende bewijs voorhanden, waaruit blijkt dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd met geweld door tegen hem te zeggen dat hij zijn kinderen en/of kleinkind zou doden. Door de politie is verder niet vastgesteld dat alle geldbedragen die vanaf de bankrekening van [slachtoffer 3] naar de bankrekening van verdachte zijn overgeboekt, ook daadwerkelijk op de bankrekening van verdachte zijn bijgeschreven. Het gaat om een bedrag van € 31.706,-. Daarnaast is niet gebleken dat de geldbedragen die contant van de bankrekening van [slachtoffer 3] zijn opgenomen, volledig aan verdachte zijn toegekomen. Dit betreft een totaalbedrag van € 33.130,-. Om die reden kunnen deze bedragen niet worden meegenomen in de bewezenverklaring.

Voor wat betreft feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd.

De verdediging bepleit vrijspraak voor feit 3, omdat er onvoldoende bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte [slachtoffer 2] telkens heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen door hem mondeling te bedreigen met geweld. Als er wel voldoende bewijs is voor de tenlastegelegde bedreiging met geweld, kan enkel worden bewezen dat er door [slachtoffer 2] € 37.700,- is overgemaakt naar verdachte. Ten aanzien van de overige geldbedragen die door [slachtoffer 2] aan S [naam 1] en [naam 2] zijn betaald, is onduidelijk wat de rol van verdachte hierbij is geweest. De vereiste nauwe en bewuste samenwerking voor het medeplegen ontbreekt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer 1] door hem mondeling te bedreigen met geweld. Hoewel verdachte heeft verklaard slechts een deel van de tenlastegelegde bedreigende bewoordingen naar [slachtoffer 1] te hebben geuit, is de rechtbank van oordeel dat de aangifte naast de verklaring van verdachte tevens op onderdelen voldoende wordt ondersteund door de inhoud van de tapgesprekken. Om die reden acht zij ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde bedreigende bewoordingen, gericht tegen de kinderen en het kleinkind van [slachtoffer 1] , heeft geuit.

Ten aanzien van de hoogte van het gedwongen door [slachtoffer 1] aan verdachte betaalde geldbedrag overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de verstrekte historische bankgegevens volgt dat er in de periode van 12 november 2018 tot en met 1 augustus 2019 in totaal € 31.706,- is overgeboekt van de betaalrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [slachtoffer 3] naar de betaalrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van verdachte. Hoewel de politie niet heeft geconstateerd dat deze geldbedragen alle daadwerkelijk op de bankrekening van verdachte zijn bijgeschreven, stelt de rechtbank vast dat deze geldbedragen zijn overgemaakt naar zijn bankrekening en dat dit geld dus door hem moet zijn ontvangen.

Ook volgt uit voornoemde historische bankgegevens dat er in dezelfde periode van de betaalrekening op naam van [slachtoffer 3] een grote hoeveelheid contant geld is opgenomen. De rechtbank kan aan de hand van de inhoud van het dossier echter niet vaststellen dat (een deel van) dit geldbedrag vervolgens aan verdachte is afgegeven, waardoor zij van oordeel is dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is voor de afgifte van dit geldbedrag aan verdachte.

Daarnaast volgt uit de nadere bankgegevens dat er in de periode van 31 augustus 2019 tot en met 25 november 2019 in totaal € 11.450,- is overgemaakt naar voornoemde betaalrekening van verdachte, vanaf zowel de betaalrekening op naam van [slachtoffer 3] als vanaf de betaalrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [slachtoffer 1] . Vervolgens is er op 12 december 2019 van deze laatst genoemde betaalrekening van [slachtoffer 1] € 1.600,- naar de bankrekening van verdachte overgemaakt. Ten slotte is er op 23 januari 2020 € 1.000,- en op 24 januari 2020 nog eens € 500,- naar de bankrekening van verdachte overgemaakt van de bankrekening op naam van [slachtoffer 3] .

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 1] in de tenlastegelegde periode in totaal (€ 31.706,- + € 11.450,- + € 1.600,- + € 1.000,- + € 500,- =) € 46.256,- aan verdachte heeft afgegeven als gevolg van het feit dat hij door hem werd bedreigd met geweld en dat dit geld toebehoorde aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .

Feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode grote geldbedragen heeft ontvangen van diverse personen en dat hij deze inkomsten opzettelijk niet heeft opgegeven aan de Afdeling Werk inkomen en Zorg van de Gemeenschappelijke Regeling De Bevelanden, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat deze inkomsten van invloed waren op de toekenning van zijn bijstandsuitkering. Zij acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan uitkeringsfraude.

4.3.3

Vrijspraak

Feit 3

De rechtbank komt tot een vrijspraak van feit 3 en overweegt daartoe als volgt.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij diverse geldbedragen heeft betaald aan zowel verdachte, [naam 1] als [naam 2] . Hij is begonnen met het verstrekken van meerdere leningen aan [naam 1] en [naam 2] . Dit deed hij in eerste instantie als investering, omdat zij hun onderneming wilden uitbreiden. Toen zij geldproblemen bleken te hebben, leende hij nog meer geld aan hen uit om hen financieel te helpen. Later begreep hij via de bank dat het door hem aan [naam 1] en [naam 2] verstrekte geld door hen werd doorgestort naar verdachte. Vervolgens heeft [slachtoffer 2] zijn geld teruggevraagd aan verdachte, maar in plaats van het geld terug te krijgen werd hij naar zijn zeggen onder druk gezet om nog meer geld naar hen over te maken. [slachtoffer 2] heeft toen nog verschillende keren geld afgegeven, onder andere voor vliegtickets, op grond van de toezegging dat hij daarna zijn geld terug zou krijgen. Hij was bang van verdachte, omdat verdachte hem heeft bedreigd met geweld door te zeggen dat hij zou worden omgebracht, als hij niet zou betalen. Ook had [slachtoffer 2] een bericht op zijn telefoon ontvangen met daarin de tekst dat zijn woning zou worden opgeblazen, als hij geen geld zou afgeven.

Verdachte heeft ter zitting van 30 juli 2020 verklaard dat hij tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij personen op hem af zou sturen, als hij niet tot betaling zou overgaan. Hij ontkent [slachtoffer 2] daarentegen te hebben bedreigd met geweld.

De rechtbank constateert dat de verklaringen van aangever en verdachte uiteenlopen als het gaat om de aard van de bedreiging. Aangever stelt te zijn bedreigd met geweld, maar verdachte ontkent dit. Hoewel zijn mondelinge uitlatingen misschien dwingend van aard waren, heeft hij naar zijn zeggen niet gedreigd met het gebruik van geweld.

De rechtbank stelt vast dat het dossier foto’s van schermafbeeldingen bevat van de telefoon van [slachtoffer 2] met daarop zichtbaar diverse door hem ontvangen berichten, waaronder een bericht met de tekst: “en aub neem dit serieus op meneer [slachtoffer 2] die stuurt binnenkort een man of 20 naar u toe en die blazen letterlijk voor uw neus alles op…”, pagina 85 van het eindproces-verbaal. Hoewel de politie heeft geconstateerd dat dit bericht afkomstig is van het telefoonnummer van verdachte, heeft zij niet kunnen vaststellen wie de afzender van dit bericht is geweest en wanneer dit bericht door [slachtoffer 2] is ontvangen. Ook de overige berichten van de telefoon van [slachtoffer 2] waarin deze door verdachte tot betaling wordt gemaand, kunnen niet dienen tot het bewijs, aangezien deze naar het oordeel van de rechtbank weliswaar dwingend van toon zijn, maar daarmee nog geen geweldsbedreigingen opleveren. In dit verband constateert de rechtbank ook dat [slachtoffer 2] , zoals hij zelf heeft verklaard, betalingen heeft verricht als geldlening dan wel investering, of in het vooruitzicht dat wanneer hij aan verdachte zou betalen, hij spoedig al zijn geld terug zou krijgen. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat [slachtoffer 2] zich bekocht heeft gevoeld toen terugbetaling uitbleef, betekent dit nog niet dat met terugwerkende kracht moet worden gezegd dat [slachtoffer 2] aan verdachte de geldbedragen door bedreiging met geweld heeft afgegeven.

Anders dan de aangifte kan de rechtbank op grond van de overige inhoud van het dossier niet vaststellen dat er in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van bedreiging met geweld van [slachtoffer 2] door verdachte, [naam 1] , [naam 2] of anderen.

Ook is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet valt af te leiden dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en andere personen.

Concluderend zal de rechtbank verdachte vrijspreken van feit 3 wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 november 2018 tot 1 februari 2020, in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in totaal een bedrag van 46.256 euro, telkens toebehorende aan [slachtoffer 1] of [slachtoffer 3] , door die [slachtoffer 1] meermalen/telkens mondeling te dreigen dat als hij, [slachtoffer 1] , niet telkens zou betalen hij, verdachte, de kinderen en/of het kleinkind van die [slachtoffer 1] zou doden en een oom naar hem, [slachtoffer 1] , zou sturen met Joegoslaven die hem, [slachtoffer 1] en/of zijn familie zouden ombrengen;

2.

in de periode van 23 juli 2009 tot en met 19 augustus 2018, in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Participatiewet (voorheen artikel 17 Wet Werk en Bijstand), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Afdeling Werk inkomen en Zorg van de Gemeenschappelijke Regeling De Bevelanden, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering via de gemeente Goes vanuit de Participatiewet en voorheen de Wet Werk en Bijstand, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk geen opgave gedaan van het feit dat hij, verdachte, meermalen (grote) geldbedragen had ontvangen door mensen te chanteren en af te persen en door leningen aan te gaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast verzoekt zij daarbij de bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals geadviseerd door de reclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging aan verdachte ermee rekening te houden dat verdachte werd bedreigd. Hij heeft vanaf het begin van het onderzoek meegewerkt door vanuit Hongarije naar Nederland af te reizen en openheid van zaken te geven. Ook heeft hij initiatief getoond voor een excuusgesprek met de slachtoffers. Hij neemt dus verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. Ook dient er rekening te worden gehouden met de ouderdom van de feiten, met name de feiten 2 en 3 hadden eerder onderzocht kunnen worden. Verdachte wil er alles aan doen om zijn leven te beteren en stemt daardoor in met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verzocht wordt een groter gedeelte van de strafeis van de officier van justitie voorwaardelijk aan verdachte op te leggen, zodat hij spoedig kan beginnen met een ambulant behandeltraject en het terugbetalen van de schade. Daarnaast wordt verzocht een taakstraf aan hem op te leggen, zodat hij alvast kan ervaren hoe het is om arbeid te verrichten.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten, waarbij hij een langere tijd anderen heeft benadeeld om hiervan zelf financieel beter te worden. Zo heeft hij gedurende een periode van vijftien maanden mondelinge bedreigingen geuit, als gevolg waarvan het slachtoffer werd gedwongen tot het betalen van aanzienlijke geldbedragen aan verdachte. Daar komt bij dat dit een kwetsbaar slachtoffer was en daarmee een makkelijk doelwit voor verdachte. Hij heeft het slachtoffer met zijn gedrag enorme angst aangejaagd. Het slachtoffer was namelijk zo bang dat verdachte zijn dreigementen daadwerkelijk tot uitvoering zou brengen, dat hij - toen hij zelf geen geld meer had om verdachte te kunnen betalen - het geld van de rekening van zijn vriendin naar verdachte is gaan overmaken. Het gaat bovendien om veel geld dat het slachtoffer naar verdachte heeft overgemaakt, in ieder geval € 46.256,-. Daarnaast heeft verdachte zich gedurende een periode van ruim negen jaren schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door opzettelijk geen melding te maken van de diverse geldbedragen die hij van meerdere personen ontving. Verdachte heeft hierdoor gedurende een zeer lang periode een bijstandsuitkering ontvangen, terwijl hij daar geen recht op had. Sociale voorzieningen zijn uitsluitend bestemd voor degenen die hier recht op hebben. Uitkeringsinstanties moeten er bij het vaststellen van het recht op een uitkering op kunnen vertrouwen dat daartoe de juiste gegevens worden aangeleverd. Door zijn handelen heeft verdachte op schaamteloze wijze misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel en is de samenleving als geheel financieel benadeeld voor een bedrag van ruim € 150.000,-. Weliswaar dateert dit feit van een paar jaar geleden, maar gelet op de duur en de omvang van de uitkeringsfraude, vindt de rechtbank ook dit een ernstig feit.

Bij de strafoplegging neemt de rechtbank de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) die gelden voor fraude als uitgangspunt. Hieruit blijkt dat bij een schadebedrag tussen de € 125.000,- en € 250.000,- een gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden wordt geadviseerd.

Daarnaast houdt zij rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij in het verleden eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

Uit het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 29 april 2020 volgt dat verdachte in zijn leven nauwelijks heeft gewerkt, omdat het delictgedrag hem financieel meer opleverde dan legaal werk en inkomen. Hoewel sprake is van een langdurige delictperiode en een berekenende houding, lijkt door zijn langdurige voorarrest sprake te zijn van een toenemend schuldbesef en berouw richting de slachtoffers. Verdachte heeft initiatief getoond voor een excuusgesprek en hij geeft aan volledig mee te zullen werken aan een justitieel traject gericht op gedragsverandering. Het recidiverisico wordt op dit moment ingeschat als gemiddeld tot hoog. Het wordt van belang geacht nader onderzoek te verrichten naar de totstandkoming van het delictgedrag. Geadviseerd wordt om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1] .

Aangezien de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 3 en de officier van justitie bij haar eis is uitgegaan van een veroordeling voor alle feiten, zal de rechtbank aan verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegend is zij van oordeel dat een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, voldoende recht doet aan het ernst van de feiten waarvoor verdachte wordt veroordeeld en de persoon van verdachte. Zij zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank acht het verder noodzakelijk om een proeftijd van drie jaar op te leggen. Dit is niet alleen in het belang van verdachte zodat hij gedurende langere tijd kan worden begeleid maar dit strekt ook ter bescherming van de maatschappij.

7 De benadeelde partij

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert voor feit 1 een schadevergoeding van

€ 15.850,-, bestaande uit € 14.950,- aan materiële schade en € 900,- aan immateriële schade.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 4.750,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 10.200,-. Het schadebedrag is tot dat bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zij is van oordeel dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal de rechtbank tevens de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 februari 2020. Ook zal de rechtbank aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Anders dan de verdediging betoogt, staat op voorhand niet vast dat verdachte niet zal kunnen betalen binnen een periode van 2 jaar.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 64.836,-, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 31.706,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het betreft de contante bedragen waarvan op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat deze aan verdachte zijn afgegeven. Zij is van oordeel dat de behandeling van dat deel van de vordering daarom een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] zal de rechtbank tevens de wettelijke rente toewijzen van 1 februari 2020 en de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Anders dan de verdediging betoogt, staat op voorhand niet vast dat verdachte niet zal kunnen betalen binnen een periode van 2 jaar.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert voor feit 3 een schadevergoeding van € 82.500,-, bestaande uit € 81.300,- aan materiële schade en € 1.200,- aan immateriële schade.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 227b en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het hem tenlastegelegde feit 3;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 en 2 bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: afpersing, meermalen gepleegd;

feit 2: in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Vrijlandstraat 33 te Middelburg en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte zal meewerken aan (verdiepings-)diagnostiek en indien dit na onderzoek is geïndiceerd zal hij zich gedurende de proeftijd onder behandeling stellen van Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, welke behandeling maximaal de gehele proeftijd duurt of zo veel korter als de reclassering nodig vindt, waarbij verdachte zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener voor de

behandeling geeft en het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling;

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag slachtoffer 1] 1948 te [geboorteplaats slachtoffer 1] , zolang het Openbaar Ministerie of de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] (feit 1)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 5.650,- en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, waarvan € 4.750,- ter zake van materiële schade en € 900,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 5.650,- en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

1 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, waarvan € 4.750,- ter zake van materiële schade en € 900,- ter zake van immateriële schade, te betalen;

- bepaalt dat bij niet betaling 63 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[slachtoffer 3] (feit 1)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 31.706,- en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , € 31.706,- en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, ter zake van materiële schade, te betalen;

- bepaalt dat bij niet betaling 193 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[slachtoffer 2] (feit 3)

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Josten, voorzitter, mr. H.E. Goedegebuur en

mr. W. Anker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.I.F. van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 augustus 2020.

Mr. H.E. Goedegebuur is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot 1 februari 2020, te Goes, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer 1]

heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in totaal een bedrag van ongeveer 79.386 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, door die [slachtoffer 1] meermalen/telkens mondeling te dreigen dat als hij, [slachtoffer 1] , niet (telkens) zou betalen hij, verdachte, de kinderen en/of het/een kleinkind van die [slachtoffer 1] zou doden en/of een oom naar hem, [slachtoffer 1] , zou sturen met Joegoslaven die hem, [slachtoffer 1] en/of zijn familie zouden ombrengen;

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 juli 2009 tot en met 19 augustus 2018 in de gemeente Goes, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Participatiewet (voorheen artikel 17 Wet Werk en Bijstand), opzettelijk heeft nagelaten

tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Afdeling Werk inkomen en Zorg van de Gemeenschappelijke Regeling De Bevelanden, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een (bijstands-) uitkering via de gemeente Goes (vanuit de Participatiewet en voorheen de Wet Werk en Bijstand), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk geen opgave gedaan van en/of verzwegen dat hij, verdachte, meermalen (grote) geldbedragen had ontvangen door mensen te chanteren en/of af te persen en/of door leningen aan te gaan;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 5 april 2017 te Hansweert, gemeente Reimerswaal, en/of te Goes, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van hoeveelheid geld, in totaal een bedrag van ongeveer 80.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), door die [slachtoffer 2] meermalen/telkens mondeling/schriftelijk/

telefonisch (via de SMS en/of Whatsapp) te dreigen dat als hij ( [slachtoffer 2] ) niet zou betalen hij zou worden mishandeld en/of omgebracht en/of zijn woning in brand zou worden gestoken.

11 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Feit 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld een paginanummer van het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer ZB1R020002-5 van Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, District Zeeland, Team Oosterscheldebekken, DAP Goes, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 t/m 318.

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte van [slachtoffer 1] van 26 augustus 2019, pagina’s 36 t/m 38;

- het proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2020, opgemaakt door verbalisant [naam 3] , pagina’s 51 t/m 53;

- het proces-verbaal van bevindingen van 30 januari 2020, opgemaakt door verbalisant [naam 3] , pagina’s 134 en 135;

- het proces-verbaal van bevindingen van 10 februari 2020, opgemaakt door verbalisant [naam 3] , pagina’s 149 en 150;

- het proces-verbaal van bevindingen van 14 februari 2020, opgemaakt door verbalisant [naam 3] , pagina 158;

- het overzicht van alle tapgesprekken, pagina’s 212 t/m 249;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 juli 2020.

Feit 2

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld een paginanummer van het proces-verbaal met zaaknummer 190056 / Pluto van Gemeenschappelijke regeling de Bevelanden, Afdeling Werk, Inkomen en Zorg, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 t/m 126.

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte van [naam 4] namens De Gemeenschappelijke Regeling De Bevelanden van 15 augustus 2019, pagina’s 124 en 125;

- het proces-verbaal van bevindingen van 4 februari 2020, opgemaakt door verbalisant Huissoon, pagina’s 94 t/m 98;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 juli 2020.