Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3755

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
AWB- 20_7553 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ongeldig verklaren rijbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7553 WVW VV

uitspraak van 12 augustus 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], wonende te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 6 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft het CBR verzoeker meegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard vanaf 13 juli 2020, omdat bij hem sprake zou zijn van alcoholmisbruik en hij daarom niet geschikt is om te rijden.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen
Feiten en omstandigheden

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Het CBR heeft verzoeker bij besluit van 1 oktober 2019 een onderzoek naar zijn geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen opgelegd, omdat bij hem op 11 februari 2018 en op 29 augustus 2019 een alcoholgehalte van respectievelijk 490 pg/l (=1,127‰) en 425 pg/l (=0,978‰) is geconstateerd, en hij in de afgelopen vijf jaar al een keer een cursus over alcohol en verkeerd heeft gevolgd. De laatste cursusdag vond plaats op 11 juli 2018.

Het eerste onderzoek werd verricht op 13 januari 2020 en is uitgevoerd door psychiater [naam psychiater 1]. Hij heeft geconcludeerd dat bij verzoeker de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik kon worden gesteld. De psychiater acht het niet aannemelijk dat verzoeker met dit misbruik is gestopt. Omdat verzoeker het niet eens was met de resultaten van het onderzoek heeft hij een tweede onderzoek aangevraagd. Het tweede onderzoek werd verricht op 15 juni 2020 en is uitgevoerd door psychiater [naam psychiater 2]. Hij heeft geconcludeerd dat bij verzoeker sprake is van een stoornis in alcoholgebruik conform de DSM-5-classificatie (licht, in vroege en volledige remissie sinds maart 2020). Ook deze psychiater is tot de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik gekomen.
De psychiater acht het aannemelijk dat verzoeker met dit misbruik is gestopt op 1 maart 2020.

In het bestreden besluit heeft het CBR verzoeker meegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard vanaf 13 juli 2020.

Toetsingskader voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


Bij het nemen van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol. Daarbij zal de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen beslissing niet in stand kan blijven, moeten worden beantwoord.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Spoedeisend belang

3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een voldoende spoedeisend belang. Het CBR heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
Relevante regelgeving

4. De regelgeving die voor deze zaak van belang is, is opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak is Uit die regelgeving volgt – samengevat – dat het CBR een rijbewijs ongeldig moet verklaren als uit onderzoek blijkt dat de houder ervan lichamelijk of geestelijk niet geschikt is om een motorvoertuig te besturen. De geschikt-heidseis voor misbruik van alcohol is opgenomen in norm 8.8. van de Regeling eisen geschiktheid 2000. Uit deze norm vloeit voort dat iemand niet geschikt is als het CBR de persoon een onderzoek naar de rijvaardigheid en geschiktheid oplegt en in dat onderzoek vervolgens wordt vastgesteld dat die persoon misbruik maakt van alcohol. De betreffende persoon is – kort gezegd – pas weer geschikt om te rijden als aannemelijk is dat de persoon ten minste één jaar met het misbruik is gestopt.

Standpunt CBR

5. Volgens het CBR volgt uit de twee onderzoeken naar verzoekers alcoholgebruik dat bij hem sprake is van alcoholmisbruik, waardoor hij niet geschikt is om te rijden. Volgens het CBR zijn de onderzoeken zorgvuldig en correct uitgevoerd, waarbij de conclusies van de psychiaters worden gedragen door de onderzoeksbevindingen. Bij de onderzoeken heeft anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek plaatsgevonden, waarbij de psychiaters aan diverse aspecten aandacht hebben besteed.
De door de psychiaters verzamelde gegevens hebben er volgens het CBR toe geleid dat zij de diagnose alcoholmisbruik hebben kunnen stellen.


Standpunt verzoeker

6. Verzoeker stelt, samengevat weergegeven, dat hij oneerlijk en onrechtmatig is behandeld door de politie en het CBR. Hij wijst op zijn persoonlijke omstandigheden, en stelt dat zijn alcoholgebruik is toegenomen door ervaren frustraties, woede en onmacht over de beide keren dat hij – volgens hem zonder reden – is aangehouden met alcohol achter het stuur. Hij stelt dat een politieagent bij zijn eerste aanhouding een bedrag van € 4.000,- van hem heeft gestolen, en dat de motor van zijn auto bij zijn tweede aanhouding is vastgelopen. Verzoeker stelt verder dat hij bij beide aanhoudingen valselijk is beschuldigd door de politie. Hij stelt dat zijn alcoholmisbruik is gerelateerd aan de scheiding van zijn broer en stress als gevolg van de coronacrisis. Verzoeker voert ten slotte aan dat hij zijn rijbewijs dringend nodig heeft voor het verrichten van zijn werk, en dat het slecht gaat met zijn bedrijf.

Voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter

7. De voorzieningenrechter moet een voorlopig oordeel geven over de vraag of het besluit van het CBR, waarbij verzoekers rijbewijs ongeldig is verklaard, op goede gronden is genomen. Het CBR baseert zich bij zijn conclusie dat verzoeker niet voldoet aan de geestelijke geschiktheid om te rijden op de bevindingen van keurend psychiaters [naam psychiater 1] en [naam psychiater 2] zoals opgenomen in hun rapporten.

8. Gelet op vaste rechtspraak van de hoogste rechter in rijbewijszaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1, bestaat aanleiding om een op een psychiatrisch rapport gebaseerd besluit van het CBR niet in stand te laten, indien het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de rapporten van beide psychiaters naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent zijn dat geconcludeerd moet worden dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.
Dit wordt door verzoeker overigens ook niet betwist. Het CBR heeft op grond van de rapporten dan ook terecht geconcludeerd dat bij verzoeker sprake is van alcoholmisbruik, waardoor hij niet geschikt is om te rijden.

10. Verzoekers stelling dat het CBR hem onrechtmatig heeft behandeld slaagt niet, nu die stelling in het geheel niet is onderbouwd en ook geen steun vindt in de dossierstukken. Verzoekers bezwaar dat hij oneerlijk is behandeld door de politie, heeft niet te maken met het bestreden besluit, omdat dat besluit alleen betrekking heeft op de ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs. Bovendien vallen politieagenten buiten de invloedssfeer van het CBR. De voorzieningenrechter kan daarom geen rekening houden met wat verzoeker op dit punt aanvoert. Verzoekers argument dat hij zijn rijbewijs dringend nodig heeft voor het verrichten van zijn werk en de door hem omschreven persoonlijke omstandigheden kan het CBR niet meewegen. Op grond van de wet moet het CBR het rijbewijs namelijk ongeldig verklaren zodra uit onderzoek blijkt dat, zoals in dit geval, sprake is van alcoholmisbruik en nog niet één jaar voorbij is gegaan nadat met dat misbruik is gestopt. De belangen – zoals verzoeker die heeft aangevoerd – kunnen dat niet veranderen.

Conclusie

11. Het voorgaande betekent dat het bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen heeft. Er bestaat daarom geen reden om tot het treffen van een voorlopige voorziening over te gaan. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 12 augustus 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk.

BIJLAGE: RELEVANTE REGELGEVING

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 134, tweede lid:

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek – naar de rijvaardigheid en geschiktheid, als bedoeld in 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994 – daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 27, aanhef en onder b:

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid (lees: tweede lid), van de Wegenverkeerswet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

Regeling eisen geschiktheid 2000

Artikel 2:

De geschiktheidseisen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

De in deze bijlage opgenomen norm 8.8 luidt als volgt:

Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)

Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1570) en van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2124).