Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3748

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
AWB- 19_5347
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5347 WIA

uitspraak van 12 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde: mr. D.B. Muller,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Heerlen), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 september 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 juli 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en haar partner, [partner]. Het UWV is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiseres is werkzaam geweest als [functie]. Voor dat werk is zij op

9 december 2016 uitgevallen vanwege psychische en fysieke klachten.

Bij besluit van 25 oktober 2018 (primair besluit I) heeft het UWV aan eiseres met ingang van 7 december 2018 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 38,60%.

Op 7 november 2018 heeft eiseres zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld.

Bij besluit van 28 december 2018 (primair besluit II) heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat haar mate van arbeidsongeschiktheid niet is gewijzigd en haar uitkering daarom ook niet wijzigt.

2. Bestreden besluit

Met het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten gegrond verklaard. Aan eiseres wordt met ingang van 7 december 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering (een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een IVA-uitkering (Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten) wordt geweigerd omdat er geen sprake is van duurzame arbeidsbeperkingen.

Het bestreden besluit is gebaseerd op de rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

De verzekeringsarts heeft eiseres gezien op het spreekuur van 11 oktober 2018, haar lichamelijk en psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft de beperkingen en belastbaarheid van eiseres vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 oktober 2018. Op het spreekuur van 21 november 2018 heeft de verzekeringsarts eiseres opnieuw gezien, haar psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts rapporteert dat sprake lijkt te zijn van een min of meer ongewijzigd toestandsbeeld. Persoonlijkheidsproblematiek staat hierbij op de voorgrond waarbij tevens somatoforme klachten spelen. Er is wel een vermoeden van een Autisme Spectrum Stoornis (ASS), maar dat is nog in onderzoek. Volgens de verzekeringsarts zijn er geen argumenten om uit te gaan van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Eiseres is namelijk niet opgenomen, niet bedlegerig en heeft binnen haar mogelijkheden vooralsnog een actieve dagvulling. De verzekeringsarts ziet voorts geen aanleiding voor een verdergaande urenbeperking. De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn volgens de verzekeringsarts conform de eerder opgestelde FML van 11 oktober 2018.

De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek, waaronder informatie van de huisarts en psycholoog Vlierhuis, verricht. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b informatie van psycholoog De Hond van 1 en 11 april 2019 in zijn onderzoek betrokken. De verzekeringsarts b&b rapporteert dat uit deze informatie blijkt dat eiseres meer beperkt is dan door de verzekeringsarts aangenomen. De verzekeringsarts b&b acht eiseres echter evenmin volledig arbeidsongeschikt op medische gronden. Aangezien eiseres gaat deelnemen aan een intensief behandeltraject, die voor haar fors ingrijpend zal zijn, ziet de verzekeringsarts b&b wel aanleiding voor een voorlopige urenbeperking. Vanwege de uitgebreide behandelvoorstellen van de klinisch psycholoog, die gaan plaatsvinden, kan volgens de verzekeringsarts b&b niet worden gesproken over een medische eindtoestand. De verzekeringsarts b&b heeft de FML op 27 juli 2019 gewijzigd vastgesteld.

3. Beroepsgronden

Eiseres heeft in beroep samengevat aangevoerd dat het UWV ten onrechte een IVA-uitkering aan haar heeft geweigerd. Eiseres is niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt. Na vele behandelaren zijn inmiddels een aantal diagnoses gesteld, zowel somatische als psychische diagnoses. De hoofddiagnose is ASS, niveau 3. Psycholoog De Hond (GGZ Breburg) heeft in haar informatie van 11 april 2019 al aangegeven dat gezien de ernst van die diagnose, tezamen met de overige diagnoses, de benutbare mogelijkheden van eiseres nihil zijn, omdat haar gezondheid waarschijnlijk geschaad wordt door de inzet van haar kwaliteiten. Inmiddels is door GGZ Breburg een behandeling gestart die is aangepast aan de beperkte energie en gericht is op het verkrijgen van stabiliteit en het voorkomen van terugval. GGZ Breburg stelt dat er duidelijk sprake is van ernstig persoonlijk en sociaal disfunctioneren op alle niveaus en dat ASS niveau 3 niet alleen substantiële ondersteuning vereist, maar ook dat zelfstandig leven vrijwel onmogelijk is. De beperkingen als gevolg van de ASS zijn volgens GGZ Breburg blijvend van aard en na behandeling zijn eerder aanpassingen en kleine verbeteringen mogelijk en niet grote veranderingen. Stabilisatie is het hoogst haalbare doel om verslechtering van de situatie te voorkomen en eiseres zal nooit meer op haar oude niveau van functioneren komen. GGZ Breburg is er van overtuigd dat het zeer beperkte functioneren van eiseres op dit moment, maar ook in de toekomst, een duurzame belemmering vormt om deel te nemen aan het arbeidsproces. Ook bedrijfsarts psycholoog Van Oene verwacht geen herstel en geeft in haar informatie van 8 februari en 16 oktober 2019 aan dat behandelingen jaren zullen vergen. Het streven is vermindering van de lijdensdruk en het enigszins kunnen functioneren binnen de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Van Oene ziet geen herstel van arbeidsvermogen, zeker niet binnen één jaar. Zowel Van Oene als De Hond stellen dat eiseres de ADL niet aan kan. Eiseres moet behandeling ondergaan om tenminste de ADL te kunnen doen. Eiseres is in staat een maaltijd te bereiden en de persoonlijke verzorging te volbrengen, maar voor het overige is zij afhankelijk van haar partner. De klinisch psycholoog heeft wel behandelvoorstellen gedaan, maar die betreffen alleen een opsomming van de behandelingen/trainingen die het Autisme Centrum kan aanbieden en hebben niet geleid tot behandelingen. Eiseres is slechts in staat tot een behandeling die is aangepast aan haar beperkte energie en gericht op het verkrijgen van stabiliteit. Eiseres volgt schema-behandeling en psycho-educatie. GGZ Breburg heeft er van af gezien een concreet behandelplan op te stellen, omdat de te verwachten duur van eventuele behandeltrajecten te lang is. GGZ Breburg verwacht een individuele behandeling van 5 tot 10 jaar. Eiseres stelt dat van verbetering van haar belastbaarheid in het eerste jaar geen sprake zal zijn, maar ook verbetering daarvan op langere termijn kan niet worden verwacht, gelet op de informatie van GGZ Breburg en Van Oene. Behandelingen die nu nog laag frequent zijn en aangepast aan haar draagkracht en belastbaarheid zullen jaren vergen en uiteindelijk tot doel hebben om enige stabiliteit te bereiken en enig kwaliteit van leven. Verwacht kan slechts worden dat de zelfredzaamheid van eiseres enigszins toeneemt, dat de lijdensdruk enigszins afneemt en dat zij nog enkele ADL toevoegt. Vanwege de ernstige ASS blijft de situatie van eiseres zeer kwetsbaar en zal zij, ook op langere termijn, niet in staat zijn om deel te nemen aan het arbeidsproces. Eiseres meent dan ook dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid is en recht heeft op een IVA-uitkering. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres medische informatie overgelegd van onder meer psycholoog De Hond van 26 september en 5 december 2019 en 25 januari, 6 februari, 20 mei en 16 juni 2020 en van bedrijfsarts psycholoog Van Oene van 8 februari en 16 oktober 2019.

4. Verweer

In beroep heeft de verzekeringsarts b&b gereageerd op de beroepsgronden en de door eiseres overgelegde informatie. De verzekeringsarts b&b stelt dat in deze informatie de ernst van de huidige problematiek, die reeds bekend is, opnieuw wordt bevestigd. Door psycholoog De Hond is ASS, niveau 3, vastgesteld. De Hond heeft geadviseerd om te starten met individuele psycho-educatie, omdat groepstherapie niet haalbaar is. Trajectbegeleiding gaat eiseres ondersteunen richting opleiding, onderwijs of werk. Het gaat hierbij om maatwerk. Als aanbod van therapie wordt gedacht aan: de module zelfbeeld, schematherapie en een individuele Psycho Motore Therapie (PMT). Tevens wordt geadviseerd eiseres deel te laten nemen aan mindfulness training en EMDR. De verzekeringsarts b&b stelt dat eiseres een intelligente vrouw is, die zonder doublures het gymnasium en een universitaire opleiding diergeneeskunde heeft volbracht. Eiseres moet dan ook intellectueel ruimschoots in staat worden geacht om de genoemde therapieën tot een goed einde te brengen. De stelling van eiseres dat zij niet in staat zal zijn de therapieën te volgen, is niet medisch onderbouwd. Gezien de combinatie van ziektebeelden zal dit geruime tijd (meerdere jaren) in beslag nemen. Na voltooiing van de therapieën is het mogelijk dat eiseres weer terugkeert op het premorbide niveau. Eiseres zal zich beter kunnen concentreren en beter de aandacht kunnen vasthouden en verdelen, beter leren haar eigen gevoelens te uiten en beter leren omgaan met conflicten. Ook de gestelde urenbeperking kan komen te vervallen. Er is derhalve volgens de verzekeringsarts b&b geen sprake van duurzame beperkingen, omdat er sprake is van een stabiel ziektebeeld met behandelmogelijkheden.

5. Wettelijk kader

Artikel 4 van de Wet WIA bepaalt:

1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Op grond van artikel 47, eerste lid, van de WIA ontstaat recht op een IVA-uitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien:

a. hij de wachttijd heeft doorlopen;

b. hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; en

c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

6. Juridisch kader

Het UWV heeft een interne richtlijn ontwikkeld, getiteld: “Beoordeling van de duurzaamheid van Arbeidsbeperkingen. Beoordelingskader voor verzekeringsartsen” (Beoordelingskader).

In dit Beoordelingskader worden arbeidsbeperkingen duurzaam genoemd:

a. als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of

b. als verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten.

Op grond van deze richtlijn dient de verzekeringsarts zich uit te spreken over de prognose van de arbeidsbeperkingen, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. De verzekeringsarts doorloopt daarbij de volgende stappen:

Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:

a. een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of

b. een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.

Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten, beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:

a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;

b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.

Als voor de keuze tussen 2.a en 2.b doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.

Stap 3: Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht (2.b is van toepassing) beoordeelt de verzekeringsarts of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht. Ook nu zijn er twee mogelijkheden:

a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden; dit is alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid;

b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten: alle overige gevallen.

Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat het bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen gaat om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie1 en om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde2. Bij een behandeling die is gericht op stabilisatie is, conform het Beoordelingskader, verbetering van de belastbaarheid nauwelijks te verwachten1.

7. Oordeel van de rechtbank

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het UWV op goede gronden heeft geweigerd aan eiseres met ingang van 7 december 2018 een IVA-uitkering toe te kennen.

De rechtbank stelt vast dat het UWV en eiseres het er over eens zijn dat op 7 december 2018 al duidelijk was dat eiseres niet binnen afzienbare tijd aan het arbeidsproces kon deelnemen.

Naar het oordeel van de rechtbank staat bovendien inmiddels (anderhalf jaar later) vast dat eiseres duurzaam volledig arbeidsongeschikt is. Dit blijkt immers expliciet uit de brief van bedrijfsarts-psycholoog Van Oene van 16 oktober 2019 waarin wordt aangegeven dat herstel niet wordt verwacht, dat het streven is om eiseres enigszins te laten functioneren binnen de ADL, dat de behandelingen nog jaren gaan vergen en geen herstel in het arbeidsvermogen wordt verwacht. Dit blijkt ook uit de brieven van psycholoog De Hond van september 2019, december 2019 en 25 januari 2020 waarin duidelijk wordt verwoord dat de beperkingen van eiseres blijvend van aard zijn, waarbij blijvend zeer substantiële ondersteuning nodig zal zijn, de behandelingen slecht gericht zijn op stabilisering en trajectbegeleiding naar werk niet aan de orde is.

De vraag die nu dus nog beantwoord moet worden, is of het UWV op goede gronden heeft geoordeeld dat er op 7 december 2018 nog een redelijke of goede verwachting was dat na het eerstkomende jaar verbetering van de belastbaarheid van eiseres zou optreden (stap 3a). De verzekeringsartsen hebben daartoe in algemene zin een aantal behandelingen genoemd die eiseres zou kunnen volgen om haar belastbaarheid te verbeteren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV haar standpunt onvoldoende gemotiveerd. Gelet op de rechtspraak van de CRvB is, als de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Als er behandelmogelijkheden zijn, betekent dat immers niet automatisch dat ook verbetering van de belastbaarheid voor arbeid is te verwachten. De verzekeringsarts b&b is niet ingegaan op de vraag of er daadwerkelijk behandelmogelijkheden zijn voor eiseres en of die op langere termijn gericht kunnen zijn op verbetering van haar belastbaarheid, in die zin dat zij toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Hij heeft slechts volstaan met de opmerking in algemene zin dat er behandelmogelijkheden zijn en in beroep met een opsomming van die behandelingen. De rechtbank acht dit niet voldoende.

De rechtbank is niet alleen van oordeel dat door de verzekeringsarts b&b onvoldoende is gemotiveerd dat de arbeidsbeperkingen van eiseres niet duurzaam zijn, maar ziet bovendien in de dossierstukken duidelijke aanwijzingen dat die beperkingen ook op 7 december 2018 al als duurzaam dienden te worden beschouwd. Het gaat om de volgende medische stukken van omstreeks datum in geding:

- Informatie van psycholoog Vlierhuis van 6 december 2018, waarin is vermeld dat individuele psychotherapie, schemagericht, is ingesteld. Doel van deze behandeling is het reduceren van symptomen van persoonlijkheidspathologie en het verbeteren van het sociaal maatschappelijk functioneren. Verder is hierin vermeld dat onderzoek zal worden gedaan naar ASS.

- Een periodieke evaluatie van bedrijfsarts Barth van 14 januari 2019. Barth achtte eiseres niet in staat om te werken vanwege forse beperkingen in haar persoonlijk en sociaal functioneren. Barth verwachtte op korte en middellange termijn geen dusdanige wijziging dat eiseres structureel zou kunnen beginnen met werken. Behandeling gaat nog veel tijd vergen en het verloop laat tot dusver nog te weinig hersteltendens zien.

- Informatie van bedrijfsarts-psycholoog Van Oene van 8 februari 2019. Van Oene stelt daarin dat, gelet op de intensiteit van de aandoeningen van eiseres en de sterke vermoedens van een ASS, herstel en stabilisatie van haar sociaal-emotionele balans meerdere jaren gaan vergen.

- Informatie van psycholoog De Hond van 1 april 2019. De Hond vermeldt daarin dat gezien de ernst van de ASS van eiseres een zorgpad wordt geadviseerd, waarvan begeleiding naar werk geen onderdeel is. Eiseres bezit volgens De Hond zeker kwaliteiten, maar het is onwaarschijnlijk dat deze kwaliteiten in de toekomst op een voor de gezondheid van eiseres verantwoorde manier ingezet kunnen worden. Eiseres is gediagnosticeerd met ASS, niveau 3. Dit vereist zeer substantiële ondersteuning en zelfstandig leven is vrijwel onmogelijk.

De rechtbank ziet in deze informatie voldoende aanknopingspunten dat de inschatting op datum in geding moet zijn dat verbetering van de belastbaarheid van eiseres niet of nauwelijks te verwachten is, niet in het eerstkomende jaar, maar ook niet daarna.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres op datum in geding, 7 december 2018, niet alleen volledig maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat er vanaf die datum recht bestaat op een IVA-uitkering.

8. Conclusie

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak geen andere uitkomst mogelijk is en zal daarom zelf in de zaak voorzien, in die zin dat eiseres met ingang van 7 december 2018 recht heeft op een IVA-uitkering.

9. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. De rechtbank zal het UWV voorts veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat eiseres met ingang van 7 december 2018 recht heeft op een IVA-uitkering;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier, op 12 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 CRvB 21 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:682))

2 CRvB 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1986)