Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3747

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
AWB- 19 _ 6524
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6524 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 november 2019 (bestreden besluit) van het college inzake de weigering hem een omgevingsvergunning te verlenen voor de plaatsing van een dakkapel.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van de rechtbank op 1 juli 2020. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en mr. A.M.J. van den Biggelaar namens het college.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaatsnaam] . In maart 2019 heeft eiser bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een nieuwe dakkapel aan de voorzijde van zijn woning.

2. In april 2019 heeft het college eiser verzocht het bouwplan aan te passen in overeenstemming met een door de omgevingscommissie afgegeven welstandsadvies.

3. Bij besluit van 27 juni 2019 (primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning afgewezen. Het college heeft aan die afwijzing het negatieve advies van de omgevingscommissie ten grondslag gelegd. Uit het advies van de omgevingscommissie volgt dat de aanvraag niet voldoet aan de Welstandsnota Tilburg 2017 (Welstandsnota).

4. In juli 2019 is opnieuw een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een nieuwe dakkapel aan de voorkant van de woning. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat dit op eigen initiatief van de door eiser ingeschakelde dakkapelspecialist is gedaan, buiten eiser om. Aan deze aanvraag is een ten opzichte van de aanvraag van maart 2019 aangepast bouwplan ten grondslag gelegd. Op basis hiervan heeft het college aan eiser een omgevingsvergunning verleend. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat eiser met deze omgevingsvergunning niet is geholpen omdat hiermee geen optimale ruimtes kunnen worden gecreëerd.

5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Wettelijk kader

6. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Omvang geschil

7. In geschil is de vraag of het college gelet op het beroep van eiser op onder meer het gelijkheidsbeginsel terecht de omgevingsvergunning heeft geweigerd.

Beoordeling

Gelijkheidsbeginsel

8. Eiser stelt zich onder meer op het standpunt dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden en verwijst daarbij naar een aantal situaties in de nabijheid van de woning van eiser. Het college heeft bestreden dat sprake is van gelijke gevallen.

9. De rechtbank stelt voorop dat het gelijkheidsbeginsel verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Gelet hierop behoeft geen sprake te zijn van identieke gevallen. Het moet gaan om vergelijkbare gevallen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) strekt een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat het desbetreffende bestuursorgaan een gemaakte fout moet herhalen.1 De processuele functie van een (gemotiveerd) beroep op het gelijkheidsbeginsel brengt mee dat het aan het bestuursorgaan is om dit onderbouwd te weerspreken.

[adres2]

10. Eiser stelt zich op het standpunt dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door voor de dakkapel in de gehele breedte van de woning aan de [adres2] wel een vergunning te verlenen. Eiser erkent dat het in paragraaf 11.3.4.1 van de Welstandsnota verwoorde uitgangspunt van architectonische samenhang van toepassing is op zijn woning, maar is daarbij van mening dat dit uitgangspunt ten onrechte niet van toepassing is geacht op de woning aan de [adres2] . Eiser merkt daarbij op dat de architectonische samehang gezien de huidige situatie bij zijn woning al ruim zeventien jaar verstoord is. De samenhang zal door plaatsen van de dakkapel conform het initiële bouwplan niet meer als zodanig worden beïnvloed, aldus eiser.

11. De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een gelijk geval. In het woningblok waartoe [adres2] behoort, is geen sprake van aanwezigheid van de specifieke kenmerkende oorspronkelijke kleine puntdakkappellen met het uniform, herhalend ritme hiervan. Deze toelichting vindt steun in de door het college overgelegde foto van [adres2] en de in hetzelfde bouwblok gelegen woningen met nummers 2, 4 en 6. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

12. Voor zover eiser betoogt dat de samenhang tussen zijn huidige dakkapel en de oorspronkelijke kleine puntdakkapellen in zijn woningblok reeds zeventien jaar ontbreekt, slaagt dit betoog niet. Naar het oordeel van de rechtbank doet de huidige situatie en de duur hiervan niet af aan de bevoegdheid van het college om de vergunning te weigeren op basis van het welstandsadvies.

[adres3]

13. Eiser wijst verder nog op een dakkapel op het dak van de woning aan de [adres3] te [plaatsnaam] .

14. Het college heeft erkend dat de situatie van [adres3] een aan de situatie van eiser gelijk geval betreft, waarvoor wel een omgevingsvergunning is verleend. Deze woning is volgens het college net als de woning van eiser gelegen in een woningblok dat zich kenmerkt door de aanwezigheid van de specifieke kenmerkende oorspronkelijke kleine puntdakkapellen met het uniform, herhalend ritme hiervan. Het college heeft toegelicht dat de verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van de dakkapel op deze woning berust op een fout. Per abuis is geen advies aan de omgevingscommissie gevraagd en de omgevingscommissie – indien haar wel om advies was gevraagd – zou negatief hebben geadviseerd. Ter ondersteuning wijst het college op een advies van de omgevingscommissie dat het college ten grondslag heeft gelegd aan de weigering van een aan het initiële bouwplan van eiser gelijkende aanvraag met betrekking tot [adres4] . Hierin heeft de omgevingscommissie opgemerkt dat de vergunning voor de dakkapel op de woning van [adres3] zonder haar medeweten is verleend en dat dit een ongewenst precedent schept.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat bij deze woning sprake is geweest van een incidentele fout. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat van het college kan worden gevergd dat hij deze fout herhaalt ten gunste van eiser. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

16. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog aangevoerd dat sprake is van willekeur. De rechtbank volgt de gemachtigde hierin niet omdat er sprake is geweest van een incidentele fout.

[adres5]

17. Eiser voert aan dat hij wordt gestraft omdat enerzijds het college hem op basis van de regels een vergunning weigert, maar dat anderzijds het college illegale praktijken beloont omdat op het dak van de woning aan de [adres5] een dakkapel is gerealiseerd zonder vergunning. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat als de situatie aan de [adres5] gedoogd wordt, eiser dan ook wenst dat zijn conform het initiële bouwplan nieuw te bouwen dakkapel gedoogd zal worden.

18. Het college heeft weersproken dat [adres5] een aan de situatie van eiser gelijk geval is. Deze toelichting vindt steun in de door het college overgelegde foto van [adres5] en van de in hetzelfde bouwblok gelegen woningen met nummers 3, 5 en 7. Het college heeft verder niet uitgesloten dat, na een daartoe strekkende aanvraag, voor de dakkapel aan de [adres5] alsnog een omgevingsvergunning wordt verleend.

19. De rechtbank overweegt dat net als bij [adres2] sprake is van een andere situatie. In het bouwblok van [adres5] is evenmin sprake van de specifieke kenmerkende oorspronkelijke kleine dakkappellen met het uniform, herhalend ritme hiervan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

20. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het college illegale praktijken beloont. Zoals het college heeft opgemerkt, is het niet uitgesloten dat voor de [adres5] alsnog een vergunning wordt verleend.

Verzoek tot benoeming van een deskundige

21. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank verzocht een deskundige te benoemen. Eiser heeft een deskundige gezocht om een tegenadvies op te stellen, maar de door eiser aangezochte deskundigen werken volgens eiser allemaal voor de gemeente. De rechtbank wijst dit verzoek af nu eiser het inhoudelijke advies van de omgevingscommissie met betrekking tot het initiële bouwplan niet heeft weersproken.

Conclusie

22. De conclusie is dat het college het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden.

23. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van J.J.P.M. van Gestel griffier, op 12 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wettelijk kader

Wabo

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt – kort gezegd – dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het bouwplan niet voldoet aan: (a) het bouwbesluit, (b) de bouwverordening (c) het bestemmingsplan of (d) de redelijke eisen van welstand.

Woningwet

Artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Woningwet, bepaalt – kort gezegd – dat de gemeenteraad een welstandsnota vaststelt, inhoudende onder meer criteria voor de beoordeling of (a) het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, en of (b) of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Welstandsnota

Paragraaf 11.3.4 van de Welstandsnota bepaalt onder meer dat de gemeente in gebieden met een samenhangende, ruimtelijk formele, karakteristiek streeft naar een herhaling van uniforme exemplaren en op een doorgaand dakvlak een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Belangrijk is dat de contour en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de dakkapel qua uitstraling en volume ondergeschikt

is aan het oorspronkelijke gebouw. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. Een dakkapel is geen dakopbouw.

Paragraaf 11.3.4.1 van de Welstandnota bepaalt dat een dakkapel gebouwd op het voordakvlak in ieder geval aan redelijke eisen van Welstand voldoet indien onder meer:

• er wordt aangesloten bij eerder vergunde en gerealiseerde dakkapellen bij dezelfde soort woningen (trendzetters);

• de hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet meer dan 1,5m bedraagt met dien verstande dat bij projectmatige bouw met qua architectuur gelijksoortige woningen de dakkapel wat betreft de onder en bovenkant in dezelfde lijn ligt met de (kleinste van de) op buurpercelen meest nabijgelegen dakkapel;

• bij projectmatige bouw (zie boven): detaillering voor wat betreft dakrand en overstek en materiaalgebruik gelijk aan meest voorkomende dakkapel in betreffende straatwand van het (oorspronkelijke) bouwproject.

1 Bijvoorbeeld AbRS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:438.