Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:3740

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
28-10-2020
Zaaknummer
AWB- 19 _ 4697
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4697 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser

gemachtigde: mr. M.A.E. Bol,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 2 november 2018 (primaire besluit) heeft het UWV aan eiser meegedeeld dat hij een bedrag van € 56.113,98 moet terugbetalen.

In het besluit van 31 juli 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 23 juli 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en de dochter van eiser, mevrouw [dochter]. Namens het UWV was mr. H.M. Van Gent aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser ontving een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO). Daarnaast heeft hij inkomsten uit zelfstandige arbeid.

Met diverse besluiten van 2 juli 2018 heeft het UWV de uitkering over de jaren 2011 tot en met 2016 vastgesteld op € 0,00 per maand.

Het bezwaar van eiser tegen deze beslissingen is met de beslissing op bezwaar van 15 oktober 2018 ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 11 april 2019 heeft deze rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2019 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bekend onder nummer 18/8023. Eiser heeft hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak.

Bij besluit van 2 november 2018 heeft het UWV aan eiser meegedeeld dat hij over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2016 een bedrag van € 56.113,98 te veel heeft ontvangen. Dit bedrag moet eiser terugbetalen.

Bij bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. In geschil is of het UWV op goede gronden een bedrag van € 56.113,98 heeft teruggevorderd van eiser.

3. Eiser voert aan dat er sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Verder heeft eiser een beroep gedaan op verjaring. Eiser heeft nog gesteld dat niet duidelijk is of de uitkering destijds als voorschot is verstrekt.

4. In artikel 57, eerste lid, van de WAO is bepaald, voor zover hier van belang, dat de uitkering die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het UWV wordt teruggevorderd.

In artikel 57, zesde lid, van de WAO is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Toetsingskader

5.1

De rechtbank stelt vast dat de terugvordering voortkomt uit de besluiten van 2 juli 2018. Het hoger beroep inzake deze besluiten loopt nog. Hoger beroep schorst echter niet de werking van de bestreden besluiten op. Dat betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van het terugvorderingsbesluit uit zal moeten gaan van de juistheid van de besluiten van 2 juli 2018. Gelet op de inhoud van die besluiten staat vast dat er onverschuldigd is betaald.

5.2

Uit de dossierstukken blijkt niet dat de uitkering op enig moment als voorschot is verstrekt. Bij de verdere beoordeling zal de rechtbank er dan ook van uitgaan dat het om een terugvordering van uitkering gaat. Overigens is het UWV daar ook van uitgaan.

Voor zover eiser met de opmerking dat het niet duidelijk is of het om een voorschot gaat, bedoeld heeft aan te voeren dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk was dat er onverschuldigd uitkering werd betaald, kan dat niet slagen. Ingevolge de wettelijke bepalingen is het UWV immers verplicht om terug te vorderen. Dit is alleen anders als er sprake is van een dringende reden.

Verjaring

5.3

De verjaringstermijn is 5 jaar. Naar vaste rechtspraak is voor het aanvangen van de vijfjaarstermijn vereist dat er daadwerkelijk sprake is van bekendheid met de vordering (de subjectieve kenbaarheid). Degene die zich op verjaring beroept moet stellen en zo nodig bewijzen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2019:1941).

Eiser heeft erkend dat hij, buiten een opgave in 2008, geen opgave van inkomsten aan het UWV heeft gedaan. De opgave die eiser in 2008 heeft gedaan, leidde niet tot een overschrijding van de arbeidsongeschiktheidsklasse. Deze opgave kan daarom niet worden aangemerkt als een eerste signaal dat er teveel uitkering werd betaald. Dat het UWV na deze eerste opgave niet regelmatig bij eiser heeft nagevraagd wat zijn inkomsten zijn, betekent niet dat er sprake is van subjectieve kenbaarheid met een vordering. Daarvoor is nodig dat het UWV op de hoogte is van inkomsten van eiser die klasse-overstijgend zijn. Niet gebleken is dat het UWV van de belastingdienst signalen heeft doorgekregen over het inkomen van eiser. Het enkele gegeven dat eiser wel zijn inkomsten bij de belastingdienst heeft opgegeven, is daarom niet relevant bij de vraag of UWV wist dat er te veel uitkering werd verstrekt.

Ter zitting is gebleken dat het UWV na een ziekmelding van eiser in juni 2018 aanleiding heeft gezien om de inkomsten bij eiser op te vragen. Mogelijk dat het UWV pas op dat moment constateerde dat er geen inkomstengegevens van eiser bekend waren. Het ontbreken van inkomensgegevens op zich kan echter ook nog niet als signaal worden gezien dat er teveel is betaald.

Pas na ontvangst van de inkomensgegevens op 19 juni 2018 was het UWV bekend met de inkomensgegevens die klasse-overstijgend zijn en dus tot een korting van de uitkering leiden. Op dat moment is het UWV dan ook bekend met de vordering op eiser. De datum 19 juni 2018 is het eerste signaal dat er teveel uitkering is betaald. Op deze datum vangt daarom de verjaringstermijn aan.

Hieraan kan niet afdoen het door eiser ter zitting gestelde feit dat hij zich eerder ook al eens ziek heeft gemeld en volgens hem toen al actie ondernomen had kunnen worden. Zoals al overwogen, vangt de verjaringstermijn aan op het moment van subjectieve bekendheid van het UWV met een vordering op eiser en gaat het er niet om of die vordering redelijkerwijs eerder bekend had kunnen zijn.

Het UWV heeft op 2 november 2018 de terugvordering ingesteld. Dit is ruim binnen de vijfjaarstermijn. Het beroep van eiser op verjaring van de vordering slaagt daarom niet.

Zorgvuldigheidsbeginsel/rechtszekerheidsbeginsel

5.4

Aan het beroep op deze beginselen heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij door een mededeling van een arbeidsdeskundige ervan uit is gegaan dat het UWV via een koppeling met de belastingdienst zijn inkomsten kon zien en dat hij die niet zelf hoefde door te geven.

Nog los van het gegeven dat niet vast is komen te staan wat er nu precies door de arbeidsdeskundige is gezegd, komt deze grond er feitelijk op neer dat het UWV, gelet op het vertrouwensbeginsel, eisers uitkering niet mocht herzien. Eiser ging er immers, volgens eigen zeggen, van uit dat zijn inkomsten niet klasse-overschrijdend waren. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel is echter een beroepsgrond die beoordeeld zal moeten worden in het hoger beroep tegen de besluiten van 2 juli 2018. In het kader van de terugvordering kan dit beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen. Dit zou anders zijn als aan eiser zou zijn meegedeeld dat er, ook als de inkomsten gekort moeten worden op zijn uitkering, niet teruggevorderd zal worden. Eiser heeft niet gesteld dat een dergelijke toezegging is gedaan.

Dringende reden

5.5

Ter zitting is nog een beroep gedaan op de dringende reden om van terugvordering af te zien. Eiser heeft gesteld psychische klachten te hebben en dat hij de terugvordering nooit zal kunnen terugbetalen.

Van dringende redenen is slechts sprake indien door de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor de betrokkene optreden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2018:4264). Hiervan is geen sprake. De stelling van eiser dat hij psychische klachten heeft is niet onderbouwd door een medische verklaring. De enkele stelling dat eiser de terugvordering nooit terug zal kunnen betalen, is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van onaanvaardbare consequenties. Het beroep op een dringende reden kan dan ook niet slagen.

Conclusie rechtbank

6. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het UWV op goede gronden de teveel betaalde uitkering bij eiser heeft teruggevorderd. De hoogte van de terugvordering op zich is niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de berekening voor onjuist te houden.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 11 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.